Bulgaarse verhalen: Drie seconden

proza

Bulgaars proza is vrij onbekend bij Nederlandstalige lezers. En korte Bulgaarse verhalen zijn dat al helemaal. Terwijl juist in dat genre zoveel moois te lezen valt. De redenen dat het Nederlandstalige publiek nog maar weinig kennis heeft kunnen maken met  Bulgaarse literaire korte verhalen is vooral omdat die verhalen nog maar mondjesmaat vertaald zijn.

Tijdschrift Donau wil hier verandering in brengen. Samen met de Universiteit Gent, de docente Bulgaarse taal & cultuur en haar studenten is daarom een vertaalproject gestart waarbij geregeld een kort Bulgaars verhaal, vertaald door een student, te lezen zal zijn. De begeleiding van de vertaling zal op conto komen van Hellen Kooijman en Miglena Dikova.

Ga deze verhalen lezen. En hopelijk smaken ze naar meer.

Drie seconden

door Teodora Dimova

vertaling Amber Ivanov

Ik ben trots op slechts één ding: namelijk dat ik verschrikkelijk veel kan liefhebben. Liefde verloopt niet volgens een plan – eerst ontmoet je elkaar, daarna ga je samen uit, en dan leer je de ouders kennen. Nee. Alles gebeurt in drie seconden. En niemand weet wat het is, behalve jij en de persoon tegenover je.   – Tsjotsjo Popjordanov
Ze botsten tegen elkaar aan bij de ingang van het theater, het was bijna een klap in het gezicht, zij kwam van een repetitie, was uitgeput en opgedraaid, hongerig, ze moest een lastig, langdradig en tijdrovend telefoongesprek naspelen, haar hoofd gonsde van de dialogen, van de rol, de geschillen en grillen van de regisseur, van het onbehaaglijk geroep en het voortdurend gekibbel tussen de collega’s, altijd zijn ze geagiteerd, altijd haasten ze zich ergens naartoe, nooit zijn ze daar, waar ze zijn, maar elders, ze had dagen, waarop ze de handen van iedereen op haar lijf voelde, als de handen van bedelaars, die haar koste wat het kost wilden aanraken, enkel en alleen om haar even aan te raken, en elke aanraking tormenteerde en irriteerde, waardoor ze iets van zichzelf leek te verliezen, alsof het haar ontblootte, ze liep snel de noodtrap van het theater af, naar beneden, alsof ze weg wilde rennen, om op een bankje te zitten, niet meer te bewegen, niet na te denken, nergens naar te streven, enkel nog te ademen, enkel dat te voelen, haar eigen ademhaling, ze vergat wie ze was tijdens repetities, tijdens voorstellingen, ze had tijd nodig, om zichzelf terug te vinden, om terug in haar eigen huid te kruipen, om zich te herinneren wie ze was, alsof die repetities en voorstellingen maar een droom waren, waaruit ze liever niet wilde ontwaken, het vereiste een zekere inspanning, om terug te keren naar haar eigen leven, en in haar eigen zoektocht naar het niemandsland te midden van de vertolking van een volgende heldin en zichzelf vloog ze onverwachts op hem af, ja, zo botste ze tegen een onbekende aan bij de ingang van het theater, nadat ze bijna rennend de noodtrap af was gesneld, en binnen een seconde knalde ze tegen hem aan, plotsklaps, met heel haar lichaam, in heel haar doelgerichtheid om weg te stormen, om op een bankje in het park te gaan zitten, om te ademen, enkel om adem te halen, maar ze botste catastrofaal tegen hem aan, hij deed een stap achteruit en hield beide handen in de lucht, alsof hij haar wilde tegenhouden, haar wilde helpen of vastpakken, het oogde wat vreemd dat hij zijn beide handen ophief, wilde  hij zichzelf verdedigen, hield hij haar tegen, wat deed die man voor haar neus, wie was hij, ze stond versteld van de botsing, van de klap, alsof ze droomde of stond ze nog op het podium misschien, ze kon zich niet oriënteren in de nieuwe situatie, ze herkende de man van ergens, maar had moeite gezichten te herkennen, excuseer, vergeef me, ze zette twee stappen achteruit, het spijt me echt, herhaalde ze nogmaals, ik had u helemaal niet gezien, ik was elders met mijn gedachten en opnieuw maakte ze zich klaar om naar buiten te stormen in al haar vastberadenheid, de vastberadenheid van iemand die rent, iemand die een uur geleden al alles had willen ontvluchten, en hij had geen stap naar achteren gezet, maar eerder één naar opzij, hij boog zijn hoofd lichtjes, richtte zijn blik wat naar beneden, alsof ze hem had geslagen of zelfs verwond, hij had de uitstraling van het type, dat zich bukte na een onverwachte en verraderlijke klap, heb ik u pijn gedaan, vroeg ze, en kwam dichter bij hem staan, verschrikt van haar eigen handelen, van haar eigen onoplettendheid, haar slordigheid, haar nalatige blik, waarmee ze voorbijgangers groette die voorbijkwamen, ik heb u zeker hard geraakt, dat heeft zeker pijn gedaan, het spijt me zo, ik ben zo onoplettend, hij keerde onmiddellijk zijn gezicht naar haar toe en richtte zijn blik op haar ogen, nee, nee, ik wilde… En hij zweeg, ik wilde… En opnieuw zweeg hij en aan zijn gelaatstrekken was te zien dat hij leed, hij wilde iets belangrijks zeggen, iets onwaarschijnlijk belangrijks en hij kon niet, een wanhopige strijd werd in hem gevoerd om dat belangrijke iets te kunnen zeggen, maar hij slaagde er niet in en het lukte zelfs niet na tien, twintig, dertig seconden, een minuut al, bijna twee volledige minuten slaagde hij er niet in om zijn stilte te overbruggen, het was kwellend en verwarrend, de stilte hield overdreven lang aan, overdreven lang, het was niet mogelijk nog langer te zwijgen, het was niet mogelijk dat twee onbekenden nog langer tegenover elkaar bleven staan, verdronken in elkaars blik in afwachting van wat gezegd zou worden, wat er zou gebeuren, die verstening was gekmakend, als bevroren in de ingang van het theater, de één tegenover de ander, mensen liepen voorbij en staarden hen aan, alsof ze een sketch naspeelden, alsof ze een rol speelden, haar collega’s gniffelden, maar het maakte geen enkele indruk op hen, in het theater kan je naar alles blijven staren, hij wendde zijn blik geen moment van haar af en zij bleef maar naar hem kijken, probeerde hem te herkennen, te herinneren waar ze hem had gezien maar ze kon niet, misschien is hij gewoon een of andere bekende persoonlijkheid, een politicus of zoiets, iemand die vaak op televisie verschijnt, maar hij leek noch op een politicus, noch op een ster, hij was een ongewoon knappe man met groene ogen, met een grijze baard en haar, met de uitstraling van een mannetjesdier, maar smetteloos wat betreft liefdesperikelen, hij straalde kracht uit, intelligentie en charme, zo’n exemplaar heb ik in levende lijve nog niet gezien, bedacht ze zich verward en met steeds meer nieuwsgierigheid en verwondering bekeek ze hem, ik zou verliefd kunnen worden op zo’n man, ik zou fataal en voor eeuwig verliefd kunnen worden op zulk een man en dat zou een ontmoedigende, verwondende, vernietigende liefde zijn, waar je niet van kan herstellen, maar enkel kan neerstorten, alleen maar neerstorten, wat leidt tot de dood, en stilzwijgend stond ze voor hem, alsof dit alles, het neerstorten en de dood, onmiddellijk en onontkoombaar zouden gebeuren, omdat ik zal verlangen dat hij van me houdt, ik zal verlangen dat hij steeds meer en nog meer van me gaat houden, maar hij zal dat niet kunnen volhouden, hij zal er de kracht en het geduld niet voor hebben, en dat zal leiden tot wanhoop en tot complete manie, tot jaloezie, tot wraak, het zal tot vernedering en mislukking leiden, en woede, en het gevoel dat je niet meer op deze aarde wil leven, tot een verlangen naar zelfmoord, een gevoel dat je zal bekruipen van overal, en het geloof in de zin van het bestaan, onomkeerbaar verloren, er ging enige tijd voorbij, vooraleer ze besefte dat hij was beginnen spreken, hij deed een poging een paar dingen te zeggen, maar ze drongen niet tot haar door, ze deed zoveel moeite om op te letten, ze trad uit haar diepe gedachten en hoorde dat hij lange pauzes hield tussen zijn zinnen door, tussen de woorden, uiteindelijk besefte ze dat hij verontrust was, dat haar zwijgen hem ongerust maakte, dat haar starende blik hem ertoe aanzette zijn hoofd steeds vaker van haar weg te keren, alsof iemand hem klappen in het gezicht verkocht, dat hij bijna stotterde van verontrusting, maar ze kon haar ogen niet van hem afhouden, ze verdronk in zijn blik, voorbijgangers bleven maar binnenkomen en weer naar buitengaan, ze groetten haar, mechanisch beantwoordde ze elke groet, ze kon maar niet plaatsen wat er precies gebeurde, alsof ze ogenblikkelijk de capaciteit om te bewegen verloor, alsof haar leven nu al enkel en alleen afhankelijk was geworden van dat ongewoon prachtige en intelligente gezicht, dat ze ergens eerder had gezien, hebben we elkaar ergens eerder ontmoet, vroeg ze hem, terwijl ze hem op de meest nonchalante wijze onderbrak, ja, we hebben elkaar eerder gezien, waar, waar, bij een of andere boekpresentatie, welke presentatie dan, vroeg ze, van een schrijver, antwoordde hij, alsof ook niet-schrijvers boekpresentaties hielden, bedacht ze zich, ze wisselden informatie uit, die nog tientallen, duizenden keren minder begrijpelijk was dan datgene, dat ze eigenlijk zeiden, en als de een van de ander de blik zou afwenden, was het alsof ze verraad zouden plegen, alsof hun leven afhing van dat krankzinnige gestaar in de ogen van de ander, ze vonden elkaar leuk, voelden zich onbedwingbaar tot elkaar aangetrokken, hij zou naar al haar voorstellingen komen kijken, hij zou zo ontzettend veel houden van haar acteerwerk en eigenlijk van alles dat ze zou zeggen, hij zou haar willen uitnodigen samen met andere bewonderaars zijn galerij te bezoeken, hij had een kleine galerij, waar hij meetings organiseerde met bekendheden, ja, met bekende en geliefde persoonlijkheden, ja, de galerij heette “Janette”, zo, ja, je hebt er zeker wel van gehoord, maar het kan ook dat je er nog niet van hebt gehoord, ja, je hebt er duidelijk nog niet van gehoord.

De spanning tussen hun blikken viel weg. Het stond vast dat ze elkaar nog eens zouden zien, minstens eenmaal. Het stond vast dat hun wegen niet voor altijd bij deze achteringang van het theater zouden scheiden.

Ik heb je telefoonnummer, op maandag zal ik je bellen en dan zullen we praten, zei hij heel vlug, ze was zodanig verkleumd, dat ze zich zelfs niet afvroeg vanwaar hij haar nummer had, er was ook geen tijd om het hem te vragen, hij bewoog zich langzaam naar haar toe, alsof hij haar wilde strelen met zijn gezicht, hij zei dat hij gehaast was, dat hij een afspraak had in het theater, ik haast me, het spijt mij, ik ben zelfs al wat te laat, ik heb een afspraak met scenaristen, en ze slaagde er niet in te vragen welke scenaristen, van welke voorstelling, tot maandag dan, antwoordde ze stilletjes en het leek wel alsof de lucht rondom haar werd weggezogen, je zal me bellen, toch, vroeg ze heel nederig, tijd was er niet, instinct was er niet, de wens om zich te verbergen was er niet, ze wilde hem aanraken, hem strelen met haar gezicht, de liefde gutste, stroomde uit het diepste van haar hart.

Door Teodora Dimova
Over de auteur

Teodora Dimova (1960) is een van de beroemdste Bulgaarse schrijvers. Haar romans waaronder Emine (2001), De Moeders (2005), Adriana (2007) en Marmara, Mariam (2010) gaan veelal over de sociale en culturele rol van vrouwen in de moderne Bulgaarse samenleving. In 2006 won De Moeders de Oost-Europese literatuurprijs van Bank Austria en KulturKontakt. Het boek kent 11 edities in het Bulgaars en is vertaald in 9 talen, waaronder Duits, Frans, Russisch, Pools, Hongaars en Sloveens.

Adriana is vertaald in het Frans en Tsjechisch. In 2010 won Marmara, Maryam de Bulgaarse nationale prijs voor fictie “Hristo G. Danov”. Haar roman, De Train naar Emmaus (2013), won eveneens een Bulgaarse prijs. Dimova schreef negen toneelstukken waaronder Skinless, Snake Milk, Bitch, Lovers en The Innocents die gespeeld worden in theaters in binnen- en buitenland.

Teodora Dimova is de dochter van schrijver Dimitar Dimov (1909-1966) die beschouwd wordt als een van de belangrijkste auteurs in de Bulgaarse moderne en socialistische literatuur. De roman Adriana (2007) is een voortzetting van de onvoltooide roman van Dimitar Dimov, Roman zonder titel (1966). Adriana breekt met de canon van het socialistisch realisme dat kenmerkend is voor het proza van Dimitar Dimov en de Bulgaarse literatuur tussen 1944 en 1989. In dit boek laat Dimova haar vaders plot los van de beperkingen van de literaire ideologie van het socialisme.

Vertaling: Amber Ivanov
Over de vertaler

Amber Ivanov (26) is een doctoraatsstudente aan de opleiding Oost-Europese talen en culturen van de Universiteit Gent. Voor haar doctoraat verdiept ze zich in tekstoverlevering in het Kerkslavisch. Initieel nam ze Bulgaars op in haar universitaire opleiding om academische redenen, maar er waren zeker ook persoonlijke redenen voor deze beslissing: haar familie van vaders kant is namelijk afkomstig van Bulgarije.

Dit gedicht komt uit de bundel Hij/zij houdt van mij, hij/zij houdt niet van jou, uitgeverij Ciela, 2016

Bulgaarse verhalen: Drie seconden

‘Drie seconden’
door Teodora Dimova

0 comments

Bulgaarse verhalen: Gesprekken

‘Gesprekken’
door Radostina A. Angelova

0 comments