De gewraakte winterreis van Nobelprijswinnaar Peter Handke

feuilletongroepsrecensie

Peter Handke in Srebrenica in 1996. (foto: creative commons CC-BY-SA-4.0)

De geschiedenis herhaalt zich dan misschien als farce, voor geschiedschrijving geldt dat al helemaal. Ruim twintig jaar geleden zorgde Peter Handke voor een enorme controverse met zijn essay ‘Eine winterlichen Reise zu den Flüssen Donau, Save, Morawa und Drina, oder Gerechtigkeit für Serbien’.

Die controverse mogen we nu Handke de Nobelprijs voor Literatuur heeft gekregen nog eens rustig overdoen. Sommigen vieren de uitverkiezing als de ‘gerechtigheid voor Servië’ zelve, anderen beginnen een campagne om de Zweedse Academie te bewerken ‘genocide-ontkenner’ Handke de Nobelprijs weer af te nemen. Intussen kan het moeilijk anders dan dat het gewraakte essay meer besproken dan gelezen blijft. De winterreise is voorlopig serieus lastig om de hand op te leggen. (Uitgeverijen worden niet getipt over wie de Nobelprijs krijgt, en Handke’s uitgever Suhrkamp werd duidelijk overvallen door het nieuws)

De redactie van Donau vond via een omweggetje wat exemplaren, waaronder de Engelse vertaling uit 1997, en ging er eens rustig voor zitten. Voor de zekerheid met twee redacteuren.  Joost van Egmond levert commentaar in het groen,  Filip Bloem schrijft in het paars.

Peter Handke - A journey to the rivers. Justice for Serbia (Engelse vertaling door Scott Abbott) Viking 1997 98 pagina's.

Origineel: Eine winterliche Reise zu den Flüssen Donau, Save, Morawa und Drina, oder Gerechtigkeit für Serbien. Suhrkamp 1996.

De verongelijkte dilettant

Deze reis bestaat uit drie delen; een vóór de reis en vervolgens een reisverslag in twee delen. Ik stop na elk deel even om mijn voorlopige bevindingen te delen.

  • Deze passage is geschreven door Joost van Egmond

Peter Handke is verongelijkt en nieuwsgierig, en dat lijkt me een lastige combinatie. Hij wil Servië zien, het land dat in de jaren voorafgaand aan zijn reis zo door de mangel is gehaald in de West-Europese pers. Hij wil ‘achter de spiegel’ kijken en het land zien. (Daar kan ik iets mee. Het is globaal dezelfde motivatie die mij naar het land trok.) 

Maar dit is oktober 1995, de gevechten zijn nog maar net voorbij, en de polemiek rond de oorlog raast nog op volle toeren. Wil iemand Servië bezoeken, dan heeft een ander daar een mening over. Hier komt Handke’s verongelijktheid aan de oppervlakte: ‘Wie nu denkt: Aha, pro-Servisch! hoeft niet verder te lezen’, waarschuwt hij alvast. Die mensen waren er in 1995 vast, ze zijn er nu ook nog wel, maar op iemand die Handke’s nieuwsgierige kant deelt komt zulke stropop-retoriek erg irritant over. Het is nodeloze framing als de heldhaftige eenling die tegen de massa in durft gaan. 

Het is ook niet de enige keer in de 27 pagina’s die dit eerste deel telt. Hij windt zich erg op over een correspondent van Le Monde die betoogt dat de West-Europese co-producenten van Emir Kusturica’s film Underground vervolgd moeten worden voor schending van de sancties tegen Servië. Tsja, zulke mensen heb je. Maar zulke standpunten maken Underground niet noodzakelijkerwijs tot een betere film.

Ik heb zoveel tijd moeten doorbrengen met deze retoriek, deze vooringenomen inquisitie-agenda’, verzucht Handke. De conclusie: het algehele mediabeeld van de oorlog is zo eenzijdig dat het tegendeel ervan aan kracht wint. Ik vind dat altijd een beetje een zwaktebod. Laten we eens kijken naar de onderliggende argumenten en bewijzen, maar dat komt later nog. Voorlopig moeten we het doen met Handke’s constatering dat hij zich goed kan voorstellen dat hij als Serviër in Kroatië naar de wapens zou hebben gegrepen in 1991. Over hoe de oorlog vervolgens werd gevoerd heeft hij op dit moment niets te zeggen: ‘Want dat afschuwelijke “Oorlog is oorlog” geldt nog altijd. … En wie dat beschouwt als onverschilligheid in plaats van walging, hoeft ook niet verder te lezen.’

Hier voel ik me al iets meer aangesproken. Maar Handke gaat er niet over, dus ik lees verder.

Een merkwaardige leeservaring

“Ik haat journalistiek”, schijnt Peter Handke een verslaggever te hebben toegebeten toen die hem bij een bijeenkomst in Handke’s geboorteplaats Griffen aansprak op de vele kritiek die er na de toekenning van de Nobelprijs voor literatuur over hem is uitgestort. Die uitbarsting had een goed motto kunnen zijn van zijn Winterliche Reise.

  • Deze passage is geschreven door Filip Bloem

Het mag dan wijd en zijd bekend staan als een verdediging van het onverdedigbare -de door Serviërs begane oorlogsmisdaden met de massaslachting bij Srebrenica als treurig dieptepunt- zeker het eerste deel kan beter gelezen worden als een bijtende kritiek op de berichtgeving van Westerse media over de Joegoslavische burgeroorlog. Het doet me daarmee denken aan de geschriften van een bepaald slag westerse intellectuelen ten tijde van de Koude Oorlog, die uit weerzin tegen de kapitalistische uitwassen van hun eigen samenleving de lof begonnen te zingen van communistische regimes -zonder daarbij nog veel oog te hebben voor de misstanden in die dictaturen.

In tegenstelling tot de fellow travellers van weleer kan Handke geen echte betrokkenheid bij de Balkan ontzegd worden. Zijn moeder komt uit Slovenië, hij spreekt Sloveens, is er vele malen geweest en ook in zijn werk speelt de regio een belangrijke rol. Maar de oorsprong van dit boek lijkt toch elders te liggen en dat zorgt voor een merkwaardige leeservaring. Anders dan je bij een reisboek over Servië zou verwachten speelt het eerste deel vooral in Handke’s woonplaats Parijs, waar hij zich groen en geel ergert aan het opiniekatern van Le Monde, een ‘verhuld ideologisch snuffelblad’ met een correspondente die vol is van ‘zelfvoldane haat tegen alles wat Servisch is’. Ook bekende publicisten als Bernard-Henri Lévy en Alain Finkielkraut moeten het ontgelden. Tussen zijn uitvallen door stelt Handke relevante vragen, bijvoorbeeld over het complexe begin van de Joegoslavische burgeroorlog: ‘Was degene die een oorlog provoceerde, ook degene die de oorlog begon? En wat betekende “beginnen” eigenlijk?’ Of over de onmogelijkheid om bij zo’n ingrijpende gebeurtenis echt te weten waar je het over hebt. ‘Want wat weet men eigenlijk, als betrokkenheid bijna altijd betrokkenheid op afstand is? Wat weet men, wanneer men…alleen maar kennis heeft zonder waarachtige kennis, die alleen door leren, kijken en leren kan ontstaan?’

Het zijn zulke vragen die prikkelen om verder te lezen, maar die ook scherp contrasteren met de ongenuanceerde oordelen die Handke zich zelf veroorlooft. Er zal vast het nodige aan te merken zijn op de westerse verslaggeving inzake Joegoslavië, maar het overtuigt niet om die vermeende vooringenomenheid te beantwoorden met een stuk waarin de gehele pers over een kam wordt geschoren.

Peter Handke eet een karper

En dan, na een felle en heftige proloog, volgt een welhaast tam reisverslag.  Handke zit in Hotel Moskva in Belgrado, hij wandelt door de stad, hij eet een karper in Zemun. Over Handke’s romantiseren van de sanctie-economie is veel gezegd. Hij spreekt de sluikse hoop uit dat het maar altijd zo kon blijven in dit land; benzine langs de weg in flessen, verkocht per liter. Het sjacheren op de markt. Het steekt voor hem prettig af bij het consumptiegedrag dat hij kent, en toegegeven, ik denk dat dat voor zo ongeveer iedere bezoeker geldt die de luxe heeft om zulke scènes als een tijdelijk avontuur te zien. Veel mensen die hebben geleefd onder de sancties namen hem dit niet in dank af, en daar kan ik me ook alles bij voorstellen. Hij behandelt zijn omgeving wel erg als speeltuin voor zijn eigen gelijk.

  • Deze passage is geschreven door Joost van Egmond

Handke maakt nog eens duidelijk dat hij geen journalist is; spreken doet hij met weinig mensen. Hij observeert liever, en dat is zijn goed recht.  Hij weet alleen wel erg veel erg zeker op basis van zijn observaties. Wat te denken van de oude mannen die hij bij Kalemegdan – het historische fort in het centrum van de stad  – ziet wandelen. ‘In mijn ogen konden dit geen Servische patriotten zijn of chauvinisten, en zeker geen voormalige nazi-collaborateurs, maar het was ook moeilijk hen voor te stellen als partizanen van Tito en vervolgens Joegoslavische functionarissen, politici en industriëlen.’ Het enige dat Handke duidelijk is over hen, is dat ze een verlies hebben geleden, of misschien zijn ze eerder brutaal bedrogen.

Zoals zo vaak snap ik niet wat Handke nu wil zeggen. Wil hij onderstrepen dat echt niet iedere Serviër in de jaren negentig met drie vingers in de lucht over straat ging? Het doet mij vooral weer eens concluderen dat als je wilt weten wat mensen bezig houdt, je hen dat het beste kunt vragen.

Maar dat is niet Handke’s stijl. Als een niet bij naam genoemde schrijver een tirade afsteekt tegen de Servische machthebbers die hij verantwoordelijk houdt voor de ellende in het land, weet Handke het zeker. ‘Dit is een uitroep, geen mening.‘ Hij wil het ook niet horen, schrijft hij. Het stoort Handke dat deze man uitsluitend over ‘zijn eigen hoger geplaatsten’ sprak. ‘De andere oorlogsstokers werden gespaard.’ Terwijl me daar bij uitstek een kans op ‘gerechtigheid voor Servië’ leek te liggen. Ik ken namelijk geen land in voormalig Joegoslavië waar kritiek op het eigen recente oorlogsverleden zo wijdverspreid is. Dat is nu juist wat al die botte kritiek op  alles dat Servisch is waar Handke zich aan ergert  zo ondraaglijk maakt. Zou ik zeggen.

Halfkomische hobbyisten

Joost schrijft: ‘Als je wilt weten wat mensen bezig houdt, [kun] je hen dat het beste vragen.’ Geen speld tussen te krijgen. Maar wil Handke dat ook? Ik heb me ook verwonderd over Handke’s observaties en de bijna lachwekkend generaliserende conclusies die hij daar soms aan verbindt.

  • Deze passage is geschreven door Filip Bloem

In Belgrado ziet hij wat voorbijgangers en leidt uit hun manier van lopen een ‘grote Nachdenklichkeit‘ af, een ‘overgrote bewustheid en… een waarlijk waardige collectieve vereenzaming’. In een andere passage beschrijft hij een foto waarop in uniform gestoken leden van een Sloveense militie te zien zijn. Morsige dertigers, tot Handke’s teleurstelling. ‘[D]e eerste gedachte bij die foto zit tot vandaag in mijn hoofd: dit zijn halfkomische hobbyisten, geen vrijheidsstrijders.’  

Zoals bij veel auteurs pur sang lijken Handke’s geschriften in de eerste plaats een monument voor zijn eigen gedachten en associaties. Wat niet in zijn eigenhandig gecreëerde Servië-beeld past wordt met kracht ergens in een hoek gesmeten, zoals de Servische schrijver met kritiek op zijn eigen land. Wat me bij zulke uitbarstingen wel voor Handke inneemt is de twijfel die door al zijn beweringen heen sijpelt. Ook benoemt hij consequent zijn eigen tegenstrijdige gevoelens. Hij weet niet hoe het zit, en lijkt zich juist daardoor dood te ergeren aan anderen die voorgeven dat wel te doen. Concluderend: als reisverslag vind ik de Winterliche Reise geen succes, ook al zie ik er niet de genocide-ontkenning in die anderen ervan gemaakt hebben. Maar naar de mij nog vrijwel onbekende schrijver Handke ben ik wel nieuwsgierig geworden.

Op avontuur

Rijden door de sneeuw is niet makkelijk op de bergpassen, en Handke had pech tijdens zijn tocht van Valjevo naar Bajina Bašta, een stadje aan de Servische kant van de Drina, met uitzicht op Bosnië. (Ondanks zijn huiveringwekkende verslag is het een schitterende rit die ik iedereen kan aanraden, maar dat terzijde. Ga in de zomer.) Dit is zo dicht bij de oorlog als Handke komt. Het is ook de plek waar hij zijn twijfels de vrije loop laat.

  • Deze passage is geschreven door Joost van Egmond

Handke staat aan de Drina, de rivier waarin massaal lijken zouden zijn gedumpt van het bloedbad in de stad Višegrad stroomopwaarts, al spreekt Handke in Bajina Bašta niemand die iemand kent die de lijken heeft gezien. Het is jammer dat hij zijn informanten niet heeft gevraagd of dat inderdaad een stuwdam is, die muur in het water tussen Višegrad en Bajina Bašta. Die vormt het meer van Peručac, waaruit vijftien jaar later honderden lijken zouden worden gevist. 

Niet dat Handke dit in 1995 had moeten of zelfs kunnen weten, maar het toont de extreme zwakte van zijn dilettante houding. Hij voelt zich geprest door eenzijdige informatie, en gaat vervolgens koppig flirten met het tegendeel van het beeld dat uit die informatie oprijst. Daarmee laat hij zich net zo hard sturen door die ‘propaganda’ natuurlijk, alleen in spiegelbeeld. Het is de intellectueel-kritische houding van een kleuter die geen groente eet, louter omdat zijn ouders graag willen dat hij het wel doet.

Glashard ontkennen doet hij nergens, maar de manier waarop hij alle indrukken besmeurt met zijn twijfel is onuitstaanbaar. Zijn gastvrouw in Bajina Bašta ‘is overtuigd dat het waar is dat bij Srebrenica in de zomer duizenden zijn omgebracht’. Hier reis je dan helemaal naar Servië om ‘achter de spiegel te kijken’, je praat met iemand die de hele oorlog op een rivierbreedte afstand heeft gadegeslagen, en dan moet je haar inschatting van het gebeurde zo afdoen. Omdat de toon van Westeuropese oorlogscorrespondenten je niet aanstaat. 

‘Nee’, zegt Handke in de epiloog, hij wil de massamoord van Srebrenica niet in twijfel trekken. ‘Maar ik wil vragen hoe zo’n massamoord te verklaren is … Wat was het motief? En waarom in plaats van een onderzoek naar de oorzaken niets dan de verkoop van feiten en schijnfeiten?’ (Handke gebruikt meer bijvoeglijke naamwoorden, maar ik houd het citaat graag leesbaar).

Over veel van deze vragen is de afgelopen vijfentwintig jaar meer duidelijk geworden. Niet alleen zijn de ‘schijnfeiten’ inmiddels onderbouwd met duizenden stukken van slachtoffers, vaak inclusief het prikkeldraad waarmee hun handen achter hun rug waren gebonden toen ze stierven. Ook zijn er tal van getuigenissen, niet in de laatste plaats bij het door Handke zo verfoeide Joegoslavië-tribunaal, die licht werpen op die onderliggende vragen waar Handke mee worstelt.

Ik kan hem een reeks boeken en documentaires aanraden. Als ik maar het begin van de indruk zou hebben dat het hem echt interesseert. Want de man die straks de Nobelprijs komt ophalen laat geen mogelijkheid onbenut om duidelijk te maken dat hij zich heeft ingegraven in de positie die hij innam aan de Drina in 1995, die hij al bepaalde voor hij zijn reis begon, bij het schuimbekkend lezen van Le Monde. Dat brengt ons niet dichter bij begrijpen wat er daar gebeurde in de eerste helft van de jaren negentig, en ook niet dichter bij gerechtigheid voor Servië.