De snorharen van Plekszy-Glasz

Over Kuifje op de Balkan

Door Thijs van Nimwegen

Kuifje-albums hebben een kwaliteit die gewoonlijk ‘tijdeloosheid’ wordt genoemd: hoewel de eerste avonturen van de ‘reporter van Le Petit XXième’ voor een deel al in de jaren ’30 werden geschreven en gepubliceerd (het moeilijk te vinden Kuifje in het land van de Sovjets stamt zelfs uit 1929) worden ze nog steeds goed verkocht en belangrijker, goed gelezen. Samen met reuzen als Suske en Wiske hoort Kuifje tot de onsterfelijken onder de strips. Er is dan ook een hoop zin en onzin geschreven over de gekuifde journalist en zijn witte hond Bobbie. De leukste werken onder deze secundaire literatuur behandelen de fictieve landen en gebieden die Kuifje bezoekt, zoals de oliestaat Khemed en de Zuid-Amerikaanse bananenrepubliekjes San Theodoros en Nuevo Rico.

De Brusselaar Hergé (pseudoniem van Georges Remi, 1907-1983) gebruikte zijn verzonnen landen en landjes vaak om halfverborgen kritiek en commentaar te leveren op actuele politieke gebeurtenissen. Zo is de oorlog tussen zijn zelfgemaakte Zuid-Amerikaanse landen (Het gebroken oor, 1937) gebaseerd op de Chaco-oorlog (1932-’35) tussen Bolivia en Paraguay. Net als in het stripalbum trachtten beide landen een vermeend aardolieveld te annexeren – en net als in het album leverde dit beide landen voornamelijk economische en politieke malaise op. Kuifje en het zwarte goud (eerste versie 1939, tweede 1950, derde 1972) speelde zelfs in eerste instantie in het toen nog bestaande Britse Mandaat Palestina. Pas later, na een aantal ingrijpende plotwijzigingen en een ingewikkelde publicatiegeschiedenis, werd de setting veranderd in fantasie-emiraat Khemed.

Dat is overigens niet zo bijzonder: veel van Hergé’s werken hebben dergelijke politiek-correcte of anderszins noodzakelijk geachte restylings ondergaan. Het gevolg is wel dat, voor de moderne lezer, de politieke verwijzingen nogal onduidelijk zijn geworden. Dit komt deels doordat ze van actualiteit tot geschiedenis zijn geworden, deels ook omdat ze in hun nieuwe, kuisere aankleding hun nadrukkelijkheid hebben verloren. Bovendien is niet al het uitheemse in Kuifje politiek geladen: Hergé leefde zich bijvoorbeeld uit in het verzinnen van komische namen van exotische karakters en plekken. Hij baseerde zich op het marollenvlaams, de Brusselse straattaal. Zo heet de emir van Khemed Ben Kalish Ezab (kalichesap, dropwater), en zijn rivaal sjeik Bab El Ehr (babbeleer, kletskop). En het taaltje van de Arumbaya-indianen uit Het gebroken oor klinkt fonetisch opgelezen ook nogal Brussels.

Mijn persoonlijke favoriet is het album De scepter van Ottokar, dat speelt in de fictieve Balkanlanden Syldavië en Bordurië. Het verscheen in zwart/wit in Le Petit Vingtième in 1938-’39 en de hertekende kleurenversie stamt uit 1947. Hoewel er een wereldoorlog overheen was gegaan, werd er in de nieuwe versie aan de plot weinig gesleuteld: Kuifje weet een complot van de Borduriërs tegen koning Ottokar van Syldavië te verijdelen. Door zijn ceremoniële scepter te stelen, willen de slechterikken de vorst dwingen af te treden – een koning die de scepter verliest is in de Syldavische traditie het koningschap niet waardig – en in de algehele verwarring het land bezetten. Maar Kuifje vindt de scepter en de plannen voor de machtsovername, en verhindert de snoodaards zo hun plan uit te voeren.

De brede politieke verwijzingen in dit album zijn vrij duidelijk: het ‘goede’ Syldavië met haar koning en oude tradities staat voor het vooroorlogse Europa, en meer specifiek voor de kleine, rurale landen die door de Asmogendheden met annexatie werden bedreigd. Analoog daarmee is het dictatoriaal geregeerde Bordurië naar nazi-Duitsland gemodelleerd. De leider van de Syldavische anti-monarchistische samenzwering heet Müsstler, een portmanteau van Mussolini, Hitler en wellicht ook Anton Mussert. Müsstlers partij wil de buurstaten ‘herenigen’ – in de Middeleeuwen werd Syldavië kort door Bordurië overheerst – een excuus dat sterk doet denken aan de Anschluss van Duitsland met Oostenrijk en het Sudetenland. Die partij heet de Stalen Garde, geïnspireerd op de ‘IJzeren Garde’ (Garda de Fier) van de Roemeense extreem-rechtse nationalist Codreanu, een uitermate enge, als terroristische organisatie begonnen club fanatiekelingen, die een weirde Blut-und-Boden-ideologie combineerden met het allerfelste antisemitisme. Niet voor niets heet de Bordurische dictator Plekszy-Glasz; het Bordurische totalitarisme is nogal doorzichtig. Niet doorzichtig genoeg voor de Duitse censors overigens: terwijl Kuifje in Amerika en De zwarte rotsen werden verboden omdat ze zich afspeelden in vijandige landen, bleef De Scepter van Ottokar tijdens de bezetting gewoon verkrijgbaar.

Maar de verzonnen Balkanstaatjes zijn meer dan een representatie van de toenmalige wereldpolitiek. Vooral over de ware aard en inspiratie voor het ‘goede’ land, Syldavië, is heel wat gespeculeerd. De naam lijkt samengesteld uit Transylvanië en Moldavië, de politieke situatie doet denken aan die van Slovenië en Tsjechoslowakije, terwijl het landschap uitgesproken Bosnisch of Kroatisch aandoet. Wat de decors en architectuur betreft, Hergé lijkt Syldavië uit een traditioneel aandoende Balkanbrij samen te hebben gekneed: er zijn onder meer Servische, Albanese, Montenegrijnse en Hongaarse elementen te vinden. De vroege geschiedenis van het land doet denken aan Bosnië (langdurige Turkse overheersing, legendarische Middeleeuwse koningen), maar ook aan andere Balkanlanden en aan Tsjechoslowakije, waar in de 13e eeuw echt een Ottokar heerste.

Sommige Kuifje-vorsers menen – zich onder andere baserend op de baan van de raket uit Raket naar de maan – dat Hergé Syldavië in het Kroatisch deel van Slavonië had gedacht. De ligging van het Rijk van de Zwarte Pelikaan wordt echter nooit duidelijk, het is ‘een der Balkanstaten’ en uit een door Kuifje ter hand genomen toeristenfoldertje – wat de allerleukste pagina’s van De Scepter van Ottokar beslaat – blijkt dat er een kustlijn moet zijn. We leren uit deze folder verder dat het land bestaat uit twee rivierdalen (de Moltus en de Wladir) en dat de hoofdstad Klow heet. ‘Syldavië exporteert tarwe, paarden, mineraalwater en violisten’ en het nationale motto is Eih bennek, eih blavek, wat Hergé vertaalt als Qui s’y frotte s’y pique, oftewel ‘Wie kaatst, kan de bal verwachten’. Maar opnieuw geeft het simpel hardop uitspreken van de frase meer duidelijkheid: ‘Hier ben ik, hier blijf ik’, in vet Brussels dialect uiteraard. Daarmee ben ik beland bij het Syldavisch, waar een apart artikel aan zou moeten worden gewijd, als er niet al een half boek (Tintin, Ketje de Bruxelles) over was volgeschreven. Laat ik me beperken tot de opmerking dat het Syldavisch vaak in het Cyrillisch alfabet wordt geschreven, maar ook dat weer niet consequent.

Over Bordurië, het ‘slechte’ land, is nog minder bekend, maar dat maakt het niet minder intrigerend – integendeel. Uitgaande van de speculatie dat Syldavië West-Slavonisch is, ligt het aangrenzende Bordurië meer oostelijk, tegen Hongarije en Joegoslavië aan. De hoofdstad, vol grauwe flatgebouwen, heet Szohôd en de taal lijkt eerder op Hongaars dan Slavisch (het woord köztársaság, ‘republiek’ wordt eenmaal gebruikt) en opnieuw zijn er vermomde Brusselse woorden als amaïh (‘heil’, van de Vlaamse uitroep amaai), mänhir (meneer) en pristzy (van het Franse sapristi). Woorden als sztôpp en zsnôrr spreken voor zich – met de Hongaarse sz worden sowieso veel geintjes uitgehaald. Maar het interessantste aan Bordurië is natuurlijk haar politieke systeem. ‘Is Bordurië nu fascistisch of communistisch?’ vraagt Hergé-biograaf Pierre Assouline zich af. Het lijkt erop dat het regime tussen ’39 en ’56 (De Zaak Zonnebloem) van uitgesproken hoogdravend fascistisch naar communistisch-totalitair wordt omgebouwd, met een nieuwe nadruk op Oostblokkerige geheime diensten. Hergé maakte hierbij gebruik van de omstandigheid dat het land in De scepter van Ottokar nauwelijks in beeld komt. In ’56 kon Plekszy-Glasz eenvoudigweg tot een amalgaam van Hitler en Stalin worden gekneed. Overigens komt deze dictator, net als zijn Syldavische medegriezel Müsstler, nooit direct in beeld. Het alomtegenwoordige symbool van de dictatuur, Plekszy-Glasz’ zwarte krulsnor, wordt net als de swastika op een rode band aan de bovenarm gedragen. ‘Bij de snorharen van Plekszy-Glasz’ lijkt de populairste Bordurische verwensing.

De karakteriseringen zijn soms serieus, vaker halfserieus en meestal ronduit melig. Niettemin geven ze een weliswaar allerminst volledig, maar prettig compact en helder plaatje van de Balkan gezien door Westerse ogen, vlak voor en na de Tweede Wereldoorlog. Samenvattend kan gesteld worden dat Syldavië al het – al dan niet clichématig – ‘goede’ van de Balkan omvat: een wijze koning, oude tradities, klederdrachten en mooie landschappen. Syldavië toont het oude Westerse beeld van de Balkan, dat maar zeer gedeeltelijk met de werkelijkheid correspondeerde en bovendien op instorten stond toen Hergé zijn album tekende.

Bordurië daarentegen is het nieuwe beeld van Oost-Europa: een dictator en een schimmige ideologie, lelijke torenflats, grijze jassen en geheime diensten. Niet toevallig speelt het vooroorlogse Ottokar in Syldavië, het naoorlogse De Zaak Zonnebloem in Bordurië. Maar ook het beeld van Syldavië is in Zonnebloem niet meer zo rooskleurig: het land heeft ook een geheime dienst, die minstens zo onfris en gewelddadig is als de Bordurische. Hoewel Syldavië na ’56 niet meer in het werk van Hergé voorkomt (Bordurië wel) lijkt het erop dat het land steeds meer op haar buurstaat is gaan lijken. De koning, in Ottokar nog prominent aanwezig in admiraalskostuum, komt in de Raket naar de Maan (1953) niet eens persoonlijk kijken op de geheime Syldavische raketbasis. Hoe dan ook is er in dat album weinig over van het lieflijke, rurale land vol minaretten en rode daken in rivierdalen: het verhaal staat in het teken van spionage en geheimhouderij. De koude oorlog is aangebroken. En achter het IJzeren Gordijn staan geen schildwachten met hellebaarden in traditionele hesjes, maar aardappelvrouwtjes in grauwe kledij en dreigende raketbases.

Hergé stierf in 1983. Zijn laatste Kuifje-album, Kuifje en de Picaro’s uit 1976, speelt opnieuw in Zuid-Amerika en Bordurië speelt slechts een zeer zijdelingse rol. We leren niets nieuws over het Plekszistische heilstaatje. Die leemte geeft Kuifjefans de ruimte om roekeloze einden weg te speculeren: zou het islamitisch-christelijke Syldavië á la Joegoslavië uiteen zijn gevallen? Zou het rabiaat-nationalistische Bordurië daarbij de rol van Servië hebben gespeeld? Wie zin heeft, maakt zo in gedachten een eigen Kuifje-album. Bordurië en Syldavië zeggen minder over de Balkanstaten dan over het denken erover; in die zin zijn ze misschien ook een commentaar op die beeldvorming. Dat ze daarnaast tegelijk zo echt en zo nep zijn, en zich zo goed voor doorfantaseren lenen, is de grote verdienste van hun schepper.