“Met negenhonderd kilometer per seconde verwijderde hij zich moeiteloos van zijn leven. Hij was er per toeval in terecht gekomen, een parallelle wereld, die zich had gerealiseerd tot een werkelijkheid die niet zijn oorspronkelijke werkelijkheid was.”
Nog altijd is het moeilijk te begrijpen hoe ruim tien jaar geleden aan de rand van Europa een gewelddadig einde kwam aan het Joegoslavië dat vijftig jaar lang stand had gehouden tussen twee opponerende grootmachten. Het enige dat de voormalige deelrepublieken nu nog gemeen lijken te hebben is hun worsteling met het oorlogstrauma. Zo ook Servië, het decor voor David Sandes’ tweede roman De Brug. Zoals zovelen voor hem probeert hij in zijn nieuwe roman een verklaring te vinden voor de gebeurtenissen die Joegoslavië in de jaren negentig uiteenscheurden en worstelt hij met de rol die Servië hierin heeft gespeeld.
Een zoon reist van zijn woonplaats Parijs af naar voormalig Joegoslavië op zoek naar zijn biologische vader, een Servische zigeuner die tijdens zijn verblijf als gastarbeider in Duitsland een kortstondige relatie had met een Française. Al gauw blijkt dat het voor een buitenstaander moeilijk is om in het door oorlog ontwrichte land een antwoord te krijgen op de vragen over zijn verleden. Wanneer de zoon onbedoeld de interesse wekt van de Servische geheime dienst lijkt er echter geen weg meer terug.
Net als zijn debuut Sergei Bubka’s wondermethode (2004) heeft De Brug een semi-autobiografisch karakter. Evenals de hoofdpersoon is Sandes (1967) geadopteerd. Zijn biologische vader is een Servische zigeuner die als muzikant door het leven ging. Tweemaal reisde de auteur af naar het land van zijn voorvaderen. De eerste keer was in 1989, toen Serviërs, Kroaten en Bosniërs ondanks hun verschillen nog in vrede naast elkaar leefden. In 2006 keerde hij terug, en ondervond met eigen ogen dat er van het oude Joegoslavië niets
meer over was. Eenheid in diversiteit had plaatsgemaakt voor platgebombardeerde steden, economische malaise en een dat volk ontmoedigd en wantrouwend was geraakt door de uitzichtloze situatie.
Dit is het Servië waarin Romain Dumaine de gaten van zijn verleden tracht in te vullen. Een ménage à trois van corrupte politici, oorlogshelden en georganiseerde misdaad. De lijn tussen oorlog en vrede, tussen held en misdadiger – kortom – tussen goed en kwaad, is in Servië nog altijd uiterst vaag. Geen wonder dat de Parijzenaar met al zijn vragen argwaan wekt bij de lokale bevolking. Voordat hij het goed en wel in de gaten heeft, is zijn lot volledig in handen geraakt van louche onderwereldfiguren met gouden kettingen die hem sigaren en champagne aanbieden. Het ontbreekt Dumaine aan het karakter hier tijdig en adequaat op te reageren. Het gemis van een echte vader maakt hem bij vlagen onzeker en passief, en hij lijkt weerloos
meegezogen te worden in een strijd die niet de zijne is.
De identiteitscrisis van Dumaine lijkt zich zo perfect te spiegelen in het tragische verhaal van het land van zijn vader. Het verleden hangt bij beiden als een molensteen om de nek, en beiden lijken niet verder te kunnen met de toekomst voordat er met het verleden is afgerekend. Sandes’ poging om een verklaring te geven voor de gebeurtenissen in voormalig Joegoslavië komt echter geforceerd over. De manier waarop de hoofdpersoon verwikkeld raakt in de bendeoorlog die gaande is in Belgrado, is op zijn minst onwaarschijnlijk te noemen. De vele toevalligheden trekken echter onopgemerkt aan Dumaine voorbij. Dit leidt uiteindelijk tot een clichématige opsomming van alle ellende die zich in de geschiedenis van Servië heeft opgestapeld. Milosevic heeft de Serviërs meegetrokken in zijn nationalisme, om hen vervolgens, nadat hij ze had ‘opgebruikt’, gedesillusioneerd achter te laten. Servië als dader en slachtoffer in één. Het echte verhaal dreigt hieronder bedolven te worden.
Sandes had er dan ook beter aan gedaan zulke allesomvattende verklaringssschema’s achterwege te laten. Zij ontnemen de lezer namelijk het plezier dat deze kan beleven aan zijn charmante en treffende beschrijvingen van het Belgradose straatbeeld. Ook uit Sandes’ schets van het Servische landschap blijkt zijn liefde voor het land. Mooi is het gesprek dat de auteur zijn hoofdpersoon laat voeren met een straatmuzikant. “Niemand houdt van Servië” zegt de tubaspeler. Als Dumaine antwoordt dat hij wél van Servië houdt, lacht de man en legt zijn hand op zijn hart. Dit zegt meer over de tweestrijd binnen de zoon én binnen Servië dan de zware uitleg over het Servische posttraumatische stress syndroom die Sandes over zijn lezers meent uit te moeten storten.
Jacobien Crol
[terug]