Meer dan twintig jaar na het meesterwerk Donau verscheen onlangs een nieuw boek van Claudio Magris. In Blindelings slingert verteller Salvatore de lezer door de geschiedenis en over de wereld. “Het leven is een reis, cruise en deportatie”, zegt Magris. Dat geldt ook voor zijn boek.
Het nieuwste boek van de Italiaanse cultuurfilosoof en auteur Claudio Magris (Triëst, 1939), ontstond zeventien jaar geleden in Antwerpen. Magris was in België om de Nederlandse vertaling te promoten van zijn magistrale epos Donau (“Een ontdekkingsreis door de beschaving van Midden-Europa en de crisis van onze tijd”). Tijdens een bezoek aan het Antwerpse Scheepvaartmuseum raakte hij gefascineerd door de stoïcijnse blik van een houten vrouwenhoofd, het oude boegbeeld van een schip.
Ook Salvatore, die in Blindelings in één lange monoloog zijn verhaal vertelt, is geboeid door deze boegbeelden. In de zwaarste stormen behouden zij hun onverstoorbaarheid. “Zelfs van Dachau zou het niet koud en warm worden (…) Niemand kan het iets aandoen, dit niets, geen vuist kan het grijpen en het fijnknijpen, en daarom bevallen ze me zo, die figuren op de boeg”. De stormen die Salvatore zelf heeft moeten doorstaan voeren de lezer langs de gruwelijkste gebeurtenissen die de twintigste eeuw heeft gekend in naam van deze of gene ideologie: de Spaanse Burgeroorlog, Dachau, de Partizanenstrijd, Stalin, Goli Otok.
Salvatore houdt een verwarrend betoog over zijn belevenissen en het kost de lezer flink wat concentratie en achtergrondkennis om de puzzelstukken bij elkaar te brengen. De protagonist zit in een psychiatrische instelling omdat hij aan een meervoudige persoonlijkheidsstoornis lijkt te lijden. De dokters houden een medisch dossier van hem bij op de computer. Voor Salvatore is de pc niet anders dan de Communistische Partij: beide houden dossiers bij van de ‘interessante gevallen’.
Zo is de Italiaan Salvatore ook Jorgen Jorgensen, de avontuurlijke vorst die in naam van het revolutionaire ideaal IJsland ging bevrijden van het Deense juk. Later trok hij naar Tasmanië, waar hij de verschrikkingen zag van de Britse strafkolonies zoals Port Arthur. Maar Salvatore deelde ook het lot van de Monfalconesi, die we bij Magris al vaker zijn tegengekomen (o.a. in Microcosmi).
De Monfalconesi waren tweeduizend arbeiders die in de scheepswerven van Monfalcone werkten, op een boogscheut van Triëst. Ze geloofden vastberaden in de communistische ideologie. Velen onder hen gingen dan ook vechten in Spanje en later in Joegoslavië. Sommigen werden in de Duitse concentratiekampen opgesloten. Toen Tito zijn communistische utopie ging verwezenlijken, trokken de Monfalconesi massaal naar Joegoslavië. In 1948 brak de Maarschalk met Stalin, maar de Monfalconesi bleven wel de orthodox-communistische lijn van de Russische leider volgen. Bijgevolg kwamen ze in de Joegoslavische goelags van Goli Otok en Sveti Grugr terecht. Toch blijft Salvatore de ideologie trouw, “het communisme dat ons uit de concentratiekampen heeft bevrijd en in een Goelag heeft gezet waar we hebben standgehouden in naam van kameraad Stalin die intussen andere kameraden van ons in de Goelags zette.”
Toen de Monfalconesi jaren later teleurgesteld terugkeerden naar Italië werden ze ook daar door de communisten als verraders en door de overheid als spionnen beschouwd. Stilaan begint de lezer de teneur te begrijpen van Salvatore’s verwarrende geschiedenis: “Het is zo moeilijk vast te stellen wat eerst komt en wat daarna, Goli Otok, Dachau, of Port Arthur; de pijn is er altijd, hier en nu.” Of hoe het ideaal altijd uitmondt in de desillusie.
Waarom duikt dat symptomatische geval van de Monfalconesi telkens weer op bij Magris?
Triëst, de geboortestad van Magris, ligt aan de kust van de Geschiedenis (bij Magris met een hoofdletter) en is in de twintigste eeuw een voortdurende getuige geweest van de Grote Gebeurtenissen die bepalend zijn geweest voor (de grenzen van) het huidige Europa. Toen op 28 juni 1914 de lijkkist van Franz Ferdinand op weg naar Wenen door de straten van Triëst werd gereden, was daarmee ook het doodsvonnis getekend voor de multiculturele, bruisende havenstad en samen met haar de Donau-dubbelmonarchie. De stad werd na WOI vertroeteld door Mussolini als verste uithoek van zijn Nieuwe Romeinse Rijk. Toen de Nazi’s de stad bezetten, richtten ze hier het enige concentratiekamp op Italiaanse bodem in, de Risiera di San Sabba. Wellicht was dat de reden waarom Tito’s partizanen tijdens hun veertig dagen durende bezetting in mei 1945 zo lelijk huishielden. Hun Italiaanse slachtoffers kwamen in de zogenaamde foibe terecht, de holen en spleten in het karstlandschap dat Triëst omringt.
Toen na onderhandelingen Istrië aan Tito toeviel en Triëst na het jarenlange statuut van Internationale Vrijzone naar Italië terugkeerde, werd de stad in de jaren die volgden overspoeld door Italiaanse vluchtelingen die hun generaties oude huizen in Istrië en Dalmatië moesten verlaten. Triëst bleef tot 1989 een stad in de schaduw van het IJzeren Gordijn. Toen de Balkanoorlogen in de jaren negentig uitbraken, zagen de Triestini eerst de vluchtelingen binnendruppelen en vervolgens de Navo-jets overvliegen.
Bij de toetreding van Slovenië tot de Europese Unie, werd er weer een grens verschoven en ligt de Adriatische havenstad omringd door de aangrijpende restanten van de Geschiedenis in deze nieuwe eeuw te sluimeren in de oksel van het Kroatische Istrië. Of zoals Magris zelf schrijft in Langs grenzen: “Triëst is een anachronisme en een ‘nebeneinander’, een strand bezaaid met afval van de Geschiedenis, waarin alles en het tegendeel van alles nauw samengaan (…) In dat doodlopende deel van de Adriatische Zee is de Geschiedenis een kluwen waarin draden zich verstrikken.”
Daarom blijft Magris het verhaal van de Monfalconesi herhalen, opdat ook “het afval van de Geschiedenis” niet zou worden vergeten. Hun lotgevallen staan symbool voor de tragedie van de twintigste eeuw en haar ideologieën. Magris wil het historische geheugen opfrissen en dit door het zeer menselijke voorbeeld van de ‘blinde’ scheepsarbeiders uit Monfalcone. Salvatore wordt daarom opgevoerd als “een koor van uitgestotenen”, dat een stem geeft aan al de bannelingen, de verzetstrijders, de gedeporteerden. Weten de toeristen die komen zonnebaden op de rotsstranden van Goli Otok en omgeving, verleid door oogverblindende vakantiebrochures, dat er bloed kleeft aan die stenen, vraagt hij zich af. Want het bloed dat vergoten werd omwille van grenzen, of die nu territoriaal of ideologisch waren, droogt langzaam op.
Een andere constante in het oeuvre van Magris is de mythe van de Argonauten. Salvatore citeert graag uit dit epos van Apollonius over de zoektocht van Jason en zijn kameraden naar het Gulden Vlies. Magris vergelijkt het communistische avontuur met de reis van de Argo (er komen veel schepen voor in Blindelings, én schipbreuken), en het Vlies met de rode vlag. Want zoals de Argonautica is ook het communisme een verhaal van geweld, verraad en broedermoord, verblind door het einddoel: de utopie. “Het leven is een reis, cruise en deportatie”, zegt Magris. Voor Salvatore, en wellicht ook voor de twintigste eeuw, eindigt die reis in een psychiatrische inrichting. En de rode vlag bleek er een van bloed doordrongen te zijn.
Sven Peeters
[terug]