3 september 2009,
RASA Cultuurcentrum, Utrecht
Terwijl de Turkse aanwezigen in het publiek konden genieten van een passage die Pamuk voorlas uit zijn nieuwste roman, konden de Nederlandssprekenden onder ons luisteren naar de Turkse woorden en zinnen die op monotone, bij nieuwslezerachtige wijze werden voorgelezen. “Dan heeft u het gevoel er een beetje bij”, aldus Pamuk. De vertaling volgde al snel, voorgedragen door Margreet Dorleijn, de vertaalster voor de Nederlandse uitgave.
Het museum van de onschuld is een portret van een onbereikbare liefde. Zonder dat Pamuk die liefde wil idealiseren of op een voetstuk wil plaatsen. “Liefde overkomt je zoals een verkeersongeluk, wat doe je eraan?” Dit in tegenstelling tot de liefde zoals die geportretteerd wordt in melodrama’s. Als voorbeelden haalt hij Jevgeni Onegin van Poesjkin en Shakespeare’s Romeo en Julia aan. Een ode aan de liefde is de roman dan ook zeker niet.
De liefde in dit verhaal neemt obsessieve vormen aan. Een rijke zakenman uit Istanboel, die op het punt staat te trouwen met zijn verloofde, wordt verliefd op Füsün, een veel jonger, ver familielid. Acht jaar lang bezoekt hij haar zo vaak hij kan, en hij bemint haar in stilte. Interviewer Bas Heijne vraagt zich af of deze vorm van beminnen niet een uitvlucht uit de dagelijkse sleur is, of misschien zelfs een vorm van masochisme of fetisjisme. “Natuurlijk”, aldus Pamuk, “hij is een arrogante zakenman die gewend is te krijgen wat hij wil. Maar hij houdt oprecht van Füsün en is bereid daar acht jaar lang zijn leven voor te veranderen. Zou iedereen niet alles in het werk willen stellen om zijn liefde beantwoord te zien? Uiteindelijk is hij een normale man, ‘who literally fell in love.’
De liefde van Kemal voor Füsün uit zich in het verzamelen van alle objecten die iets met haar te maken hebben of hem aan haar herinneren. Deze focus op het kleine, het alledaagse, komt ook terug in het een passage uit het hoofdstuk Soms. Dit hoofdstuk, waarin elke zin met het woord “soms” begint, is een opsomming van alle geluksmomenten die Kemal beleeft als hij bij Füsün en haar familie op de bank of aan tafel zit tijdens een van zijn vele bezoeken. Van het samen kijken naar de televisie tot de grote vraag hoe het allemaal zo heeft kunnen lopen.
“Waar komt die aandacht voor het alledaagse, het triviale vandaan in deze roman?”, wil Heijne dan ook weten. Pamuk: “Dat is het mooie aan literatuur! Weet je hoeveel mensen in de wereld na zeven uur ’s avonds thuis komen, hun familie opzoeken en televisie kijken? Destijds had je nog maar een kanaal, en 90 % van de Turken keek ernaar. Alsof het God’s woord was. In de kunst is weinig ruimte voor alledaagsheid, maar het neemt zo’n grote plek in het leven van veruit de meeste mensen in. Dat wilde ik ook laten zien in deze roman.” Even later herhaalt hij de waarde van de roman als conservator van het alledaagse: “Tot halverwege de negentiende eeuw is nooit een poging gedaan het alledaagse te zien als iets bijzonders. We hebben bijvoorbeeld geen idee hoe de stem van Napoleon klinkt. De roman doet dat, en dat geeft de literatuur een bijzondere kwaliteit.”
Hoewel Pamuk duidelijk nog meer over de artistieke waarde en functie van de roman als kunstvorm vertellen wilde, stuurde Heijne, die bescheiden, zelfs bijna eerbiedig het gesprek leidde, het interview in de richting van aan ander onderwerp uit de roman, namelijk het museum dat Kemal in de jaren zeventig inricht. Het is een museum dat vol ligt met de objecten die Kemal herinneren aan zijn liefde voor Füsün. Net als zijn hoofdpersoon zal Pamuk in het Istanboel anno 2009 ditzelfde museum inrichten. Een museum van een fictieve liefde dus. Het idee was aanvankelijk om het museum gelijktijdig met het verschijnen van de roman te openen, maar dat lukte helaas niet. “Waarom? Wat is de toegevoegde waarde van een echt museum? Ik houd nu eenmaal van musea. Vooral kleine, stoffige musea, waar bijna niemand te vinden is. Misschien speelt het ook mee dat ik lang de wens gehad heb om schilder te worden.” De vraag of het wellicht een cultureel statement is, beantwoordt Pamuk negatief. “Nee, het idee is ontstaan om zo de kracht van voorwerpen te benadrukken. Men vergeet hoe belangrijk kleine, onbeduidend lijkende zaken kunnen zijn; wat ze kunnen oproepen aan herinneringen en gevoelens.”
Heijne lijkt toch niet helemaal tevreden met dit antwoord en draagt een andersoortig argument aan, dat hij baseert op een zinsnede uit het boek. Vrij vertaald komt die zin erop neer dat alleen het Westen trots is op haar cultuur en de rest van de wereld zich voor haar cultuur schaamt, behalve voor de objecten ervan die in een museum te vinden zijn. Dus toch een cultureel statement? “Kijk, in het Westen worden verzamelaars gezien als respectabele figuren die de cultuur verrijken. In het Oosten zijn ze verdacht en vraagt men zich af wat ze nu toch verbergen. Het discours over hechting in het Westen staat recht tegenover dat in het Oosten.”
En daar komt dan toch het onderwerp dat veelal onlosmakelijk met Pamuk verbonden wordt: de tegenstellingen tussen oost en west, tussen moderniteit en traditie, en de manier waarop die tegenstelling in Turkije tot botsingen leidt. Het is duidelijk dat hij er zelf weinig over kwijt wil op deze avond. Ook aan de interviewers van de schrijvende pers werd vooraf gezegd dat het onderwerp politiek niet aangesneden diende te worden. Het publiek, dat aan het einde van het interview de gelegenheid kreeg vragen te stellen, was eveneens meer geïnteresseerd in het verwachte museum dan in Pamuks maatschappijkritische ideeën. Welgeteld één vraag uit het publiek had betrekking op de politieke ontwikkelingen in het land: “Waarom heeft u in uw langverwachte roman geen aandacht besteed aan het huidige Turkije, terwijl er zoveel gaande is op politiek vlak?” Deze vraag beantwoordde hij even gevat als elke andere vraag die enigszins afweek van de literaire koers die hij wilde varen: “Ik ben niet zo goed in het bijhouden van alle ontwikkelingen. Bovendien duurt het jaren voordat een idee daadwerkelijk een roman is. En wat is de relevantie van een roman over de huidige islamitische regering over vijf a tien jaar nu nog?” De eloquente en bij vlagen zeer komische Pamuk was vastbesloten het gesprek bij de artistieke waarde van de literatuur te houden.
Het museum van de onschuld is misschien geen ode aan de liefde, maar des te meer aan de literatuur.
Het interview werd georganiseerd door SLAA, Stichting Literaire Activiteiten Utrecht.
NINA SCHAT