Stefan van der Poel bespreekt Joseph Roth. Eine Biographie van Wilhelm von Sternburg en Elias Canetti. De biografie van Sven Hanuschek
Er zijn goede redenen de onlangs verschenen biografieën over Joseph Roth en Elias Canetti naast elkaar te leggen. Beide schrijvers waren niet alleen (min of meer) generatiegenoten, maar hadden ook veel gemeen: hun joodse achtergrond (Roth asjkenazisch, Canetti sefardisch), hun kosmopolitische levenshouding, de taal waarin ze schreven (het Duits), de schrijverskringen waarin ze verkeerden, en hun leven in ballingschap. Een andere overeenkomst is dat ze beiden uiterst moeilijk te karakteriseren persoonlijkheden waren die het hun latere biografen allesbehalve makkelijk hebben gemaakt.
Zo is schrijver/journalist Joseph Roth (1894 –1939) in velerlei opzichten moeilijk te plaatsen. Politiek gezien was hij zowel pacifist, socialist, legitimist als reactionair; in religieus opzicht was hij in ieder geval joods (niet belijdend), maar schurkte hij later steeds meer aan tegen het katholicisme. Zelfs over zijn geboorteplaats en zijn vaders identiteit bestonden lange tijd vele vragen. Schijn en werkelijkheid zijn bij Roth uiterst moeilijk te onderscheiden. Zelf heeft aan deze onduidelijkheden sterk bijgedragen, hij hield ervan zich verschillende identiteiten aan te meten, zijn joodse oorsprong te versluieren, en fabels de wereld in te helpen over zijn hem vrijwel onbekend gebleven vader (rond de geboorte van Joseph werd zijn vader opgenomen in een krankzinnigengesticht). Roth droeg zo bewust bij aan de mythevorming rond zijn persoon: ‘Ich bin eine Art Hochstapler’, zo verkondigde hij. (Een uitspraak die tevens de titel van het eerste hoofdstuk siert; een hoofdstuk overigens dat in een recensie van Michael Zeeman is bestempeld als het beste dat ooit over Roth is geschreven.)
De biograaf Wilhelm von Sternburg, zelf dertig jaar lang als journalist actief geweest en schrijver van verschillende biografieën (o.a. Lion Feuchtwanger en Arnold Zweig), schept veel helderheid en deelt zijn boek overzichtelijk in. Chronologisch behandelt hij de verschillende fases uit Roths leven: jeugd, studiejaren, journalistieke activiteiten, schrijverschap, ballingschap en ondergang. Von Sternburg toont de kwaliteiten van Roth: zijn scherpe observaties, zijn episch talent, zijn enorme werktempo en het gemak waarmee hij onder alle omstandigheden kon schrijven (veelal zwaar beneveld temidden van vrienden in een café). Maar Von Sternburg graaft ook dieper en overtuigt in zijn typering van Roth als een uiterst onzeker en onrustig persoon, niet in staat daadwerkelijke relaties aan te gaan, vluchtend in de alcohol, vaker van land wisselend dan van overhemd.
Het levensverhaal van Roth illustreert op dramatische wijze de geschiedenis van zijn tijd. Geboren als Galicische Jood, in wat toen nog een oostelijke uithoek van het Habsburgse Rijk vormde, ervaart hij niet alleen de Eerste Wereldoorlog en de neergang van een keizerrijk, maar tevens de opmaak tot een nieuwe wereldoorlog. Enkele maanden voor het uitbreken van die laatste oorlog, op 27 mei 1939, sterft Roth te Parijs. Hij is dan nog geen 45 jaar en heeft zich letterlijk dood gedronken.
De scènes die zich drie dagen later rond zijn graf afspelen, passen in de lijn van zijn leven: de aanwezige priester is onzeker of er een katholieke mis gehouden kan worden (er is geen doopakte), monarchisten gedenken in hem een waar strijder voor de Habsburgse zaak, terwijl de communist Egon Erwin Kisch een boeket rode anjers op zijn kist werpt.
Elias Canetti (1907-1994) is bijna tweemaal zo oud geworden als Roth en was zo ruim in de gelegenheid zijn biografen voor te zijn. Hij schreef niet alleen drie autobiografische werken (Die gerettete Zunge, Die fackel im Ohr en Das Augenspiel), maar liet tevens in zijn testament nauwkeurig vastleggen wat er met zijn (literaire) nalatenschap diende te gebeuren. Opvallend aan deze autobiografische werken is echter dat de auteur grotendeels buiten beeld blijft – Hanuschek spreekt zelfs van een ‘autobiografie zonder autobiografisch subject’. Zijn schriftelijke nalatenschap werd ondergebracht bij de Centrale Bibliotheek te Zürich, de stad waar hij zijn laatste jaren sleet in de nabijheid van zijn dochter. Testamentair liet hij noteren dat er binnen tien jaar na zijn dood geen biografie mocht verschijnen. Het werk van Hanuscheck, dat in 2005 in het Duits werd gepubliceerd – houdt zich dus keurig aan deze eis. Dit betekent echter niet dat hij volledige inzage kreeg in de 150 dozen die in Zürich te vinden zijn. Twintig dozen blijven namelijk gesloten tot 2024 – ook dat is door Canetti zo geregeld – en juist die dozen bevatten zijn correspondentie en dagboeken. Hanuscheck zal het allemaal tandenknarsend hebben ondergaan.
Canetti zat, zoveel is duidelijk, niet te wachten op een biografie – zijn grootste angst bij de uitreiking van de Nobelprijs (1981) was dat de druk van een biografie alleen maar zou toenemen. Zelf was Canetti overigens een groot liefhebber van biografieën – hij las er in ieder geval vele. Zijn grootste wens was om ‘voortdurend van gedaante te wisselen’ en zo altijd aan zichzelf te ontsnappen. ‘De mens is een metamorfosebeest’, aldus Canetti.
Geboren in het Bulgaarse Roetsjoek (het tegenwoordige Ruse) in een sefardisch joods gezin, wordt hij grootgebracht in het Ladino (een mengeling van oud Castilliaans en Hebreeuws). Canetti heeft een Ottomaans paspoort (pas in 1908 werd Bulgarije een onafhankelijk koninkrijk) en was zo net als Roth getuige van de ondergang van een groot rijk. Voor de culturele elite van Roetsjoek gold Wenen als hèt centrum – voer je de Donau op, dan voer je naar Europa. Het is dan ook niet verwonderlijk dat ook Canetti in Wenen studeerde.
Sven Hanuscheck, die eerder een biografie wijdde aan Erich Kästner, staat een ‘documentaire biografie’ voor ogen, waarin hij ‘de binnenkant van Canetti’s publicatiegeschiedenis’ wil tonen. Dit alles aan de hand van de bronnen (de 130 dozen) waartoe hij toegang had. Meer dan Von Sternburg blijft Hanuscheck op afstand, hij observeert slechts. De soms bizarre uitlatingen en gedragingen van Canetti leiden nauwelijks tot een kritische interpretatie.
Ondanks de vele overeenkomsten in de levens van Roth en Canetti, hebben ze elkaar nooit ontmoet. In beide biografieën kom je de naam van de ander dan ook maar één keer tegen (en dan nog indirect). Gaandeweg ontwikkel je meer sympathie voor de Galicische dronkenlap die uiteindelijk van zijn stoel tuimelt, dan voor de wat zelfingenomen praatjesmaker die zelfs zijn eigen graf uitkiest (naast dat van James Joyce in Zürich). Terwijl je bij Roth voortdurend het idee hebt dat de dood hem op de hielen zit, lijkt Canetti welhaast overtuigd eeuwig te leven. Decennia gaan voorbij zonder dat hij ook maar iets publiceert – aan [cursief]Masse und Macht[einde cursief] werkt hij maar liefst 34 jaar. Zelf houdt hij het er liever op dat hij een laatbloeier is (zo werd hij pas op zijn 67ste vader). Slechts op enkele heldere momenten is Canetti zich van zijn opgeblazen gedrag bewust, zoals in het volgende (ongepubliceerde) gedicht:
Schreeuwlelijk
Grote woorden
Hou je mond
Hou eindelijk
Je mond
Op 14 augustus 1994 zwijgt hij dan eindelijk. Aan zijn graf geen wilde taferelen zoals bij Roth – ook deze ceremonie had hij namelijk keurig geregisseerd. Aanwezig waren slechts enkele naaste familieleden die kort wat voorlazen uit zijn werk.
Zo zijn het twee fascinerende levens en twee prachtige biografieën.
STEFAN VAN DER POEL