Helden uit de middeleeuwen spelen sinds de roerige negentiende eeuw een belangrijke rol in de verhalencultuur van Zuidoost-Europa. Grote en snelle veranderingen doen verlangen naar oude structuren. Sinds de val van het communisme zijn het daarom de vooroorlogse monarchen die plots een mythische status hebben gekregen.
Een daarvan is de flamboyante koning Zog van Albanië, die het land regeerde van 1922 tot 1939 – toen de Italianen Albanië tot protectoraat maakten. Over koning Zog zijn vele sappige anekdotes te vertellen, de ene nog kleurrijker dan de andere.
Of al deze verhalen op waarheid berusten is de vraag: wie het lemma over Zog leest op Wikipedia krijgt het idee dat we hier te maken hebben met een steenrijke pasja uit de Donald Duck. Hoe dan ook, Zog heeft het als cultfiguur aanzienlijk verder geschopt dan vergelijkbare figuren uit het Interbellum zoals Alexander Karadjordjevic of tsaar Boris.
De Albanese koning haalde als running gag het Monty Python’s Flying Circus en stond model voor het personage van de koning van Syldavië in Hergé’s veelgeroemde ‘Balkan-Kuifje’ over de Scepter van Ottokar (zie Donau 2008/3 over Literatuur en Identiteit). Allicht heeft de in buitenlandse oren wat kolderieke, weinig vorstelijke klank van de naam ‘Zog’, bijgedragen aan zijn functie als tragikomische voetnoot in de twintigste eeuwse geschiedenis. Mogelijk was Zog inderdaad de klassieke rare koning van een mistig en mysterieus bergvolk. Of handelde hij inderdaad als dat sprookjesachtige personage van een flamboyante operettekoning.
[het volledige artikel kunt u lezen in Donau 2009/1]
Drs. Guido van Hengel studied Balkan history in Groningen, Jena and Belgrade and received his MA-title in 2006 for a thesis on the Ex-Yugoslavian historiography on Josip Broz Tito. Since then he worked as editor, publicist, translator and marketing manager. Guido is member of the board of Platform Spartak and former editor of Donau.
[terug naar Inhoud 2009/1]