Man, begin 30, leunt tegen de muur van een restaurant en kijkt al rokend naar het stadsverkeer op zo’n brede weg met afwisselend hoge en lage bebouwing aan weerszijden die je direct herkent van de Amerikaanse films en tv-series. Het is najaar, maar hij geniet van de zon en zijn sigaret. Tot een personeelslid van het restaurant naar buiten komt en hem professioneel-beleefd vraagt of hij alstublieft aan de rand van de stoep, daar waar ook al een paar andere mensen met een sigaret staan, verder wil roken. De man heeft even moeite te begrijpen wat het verzoek inhoudt, maar stemt dan, Engels met een vreemd accent sprekend, in en gaat bij het groepje staan. Het is een buitenlander, zoveel is duidelijk. Al snel zal blijken dat hij ook nog eens afkomstig is uit een land waar de lichamelijke schade van roken in het niet valt bij andere problemen, ook fysieke, die hun wortels in vroegere tijden hebben.
De man heet Miklós Dongó. Het is 2001 en hij is net aangekomen in Calgary, Canada, om bij een gymnastiekvereniging trainer van talentvolle pupillen te worden. De ontvangst is hartelijk, de rondleiding van de manager door het gymnastiekgebouw vol enthousiasme. Toch lijkt Miklós wat gereserveerd. Herinneringen aan zijn verleden dringen zich op.
White Palms is de derde internationaal uitgebrachte titel van de jonge Hongaarse regisseur Szabolcs Hajdu. In deze film, die twee jaar geleden in Cannes in première ging, heeft hij elementen uit zijn eigen leven en dat van zijn broer (de acteur die de volwassen Miklós speelt) aan elkaar verbonden. Een groot gedeelte van het verhaal over een sportman die worstelt met zijn verleden en bestaat uit flashbacks naar het Hongarije van begin jaren tachtig. De kijker ervaart van heel dicht bij (bereikt door het gebruik van de handheld-camera) hoe de jonge Miklós net als de andere jongens uit de gymnastiekgroep genadeloos afgebeuld wordt door een sadistische trainer. Eerder als regel dan als uitzondering gebruikt hij lijfstraffen om zijn pupillen tot kampioenturners te vormen. Ook thuis wordt Miklós niet met rust gelaten. Zijn ouders behandelen hem als een topatleet-in-de-dop, die op commando zijn ‘kunsten’ moet laten zien, onder anderen door voor een nietsvermoedende bezoeker in de smalle gang van het appartement als een aapje naar het plafond te klimmen. Voor zijn vader en moeder is hij geen kind, maar een prijshond: tussen de honderden medailles en bekers die het appartement sieren is geen foto van Miklós zelf te zien, anders dan in zijn turnpak.
Uiteindelijk komt hij in opstand en vlucht. Maar de dwang, de druk om te winnen die zijn hele jeugd heeft beheerst, keert als een boemerang terug in Canada, waar hij de ongeïnspireerde Kyle naar de wereldkampioenschappen moet trainen. Miklós gaat uiteindelijk de strijd met zijn verleden aan keert daarvoor zelfs terug naar Hongarije.
White Palms is een psychologisch drama geplaatst in een sportsetting, maar zeker geen sportfilm, ondanks enkele lang uitgesponnen sportscènes. De worsteling met een jeugdtrauma van een man die sindsdien op zoek is naar vrijheid bij het uitoefenen van zijn talent, wordt direct voelbaar gemaakt voor de kijker. Ondanks dat je in de loop van de film inzicht in de psyche van Miklós denkt te hebben gekregen, verrast het einde. En toch ook weer niet.
Pieter van Leeuwen
[terug]