Neutraliteit maakt je irrelevant

Interview

Een wake voor Amnesty (fotocollectie Spaarnestad)

Christie Miedema bestudeerde de manier waarop Amnesty International tijdens de Koude Oorlog achter het IJzeren Gordijn opereerde. Dat leverde belangrijke inzichten op in hoe het concept mensenrechten evolueerde.

Publieksacties voor politieke gevangenen in andere landen, het gold in de jaren zeventig en tachtig als een beproefd concept. Zozeer dat niemand er vragen bij stelde. Dit was wat Amnesty International deed, waarmee de organisatie brede geloofwaardigheid en populariteit verwierf.

Mensenrechtenschendingen waren voor een lid van Amnesty International zaken die elders plaatsvonden. Die kon je aankaarten, op basis van neutraliteit en met een beroep op universele principes.

– interview door Joost van Egmond

Maar hoe maak je je druk om de toestand in El Salvador als zojuist je buurman is gearresteerd voor het verspreiden van illegale blaadjes? Die wezenlijke vraag kwam naar voren toen Amnesty echt internationaal werd en leden kreeg buiten haar vertrouwde basis in Noordwest-Europa. Het stelde ook de impliciete aannames waarop de organisatie was gebaseerd ter discussie.

Die dynamiek vormt de kern van Miedema’s boek Not a movement of dissidents. Het behandelt de vaak moeizame relatie tussen de traditionele basis van de organisatie, met zijn hoofdkwartier in Londen, en de nieuwe (aspirant)-leden uit Oost-Europa die aan de deur klopten. Miedema legt de focus van haar onderzoek op Polen, waar nieuwe leden snel opliepen tegen de grenzen die Amnesty zijn leden oplegde.

‘Amnesty deed vaak voorkomen alsof de regels altijd vast hadden gelegen’ vertelt ze. ‘Terwijl daar een enorme ontwikkeling achter lag. Het concept van een mensenrechtenorganisatie is vrij nieuw. Het is juist iets dat Amnesty heeft helpen definiëren.’

Neutraliteit boven alles

‘Wat je ziet is dat in die beginperiode in de jaren zestig Amnesty zich modelleert naar het enige voorbeeld dat beschikbaar is, namelijk het Rode Kruis. Maar dat concept is heel beperkt. Het argument was dat het effectiever was om zich alleen te richten op politieke gevangenen en op burgerrechten. Als je kijkt naar de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, dan is die veel uitgebreider, daar zitten ook sociale en economische rechten in. Maar Amnesty koos ervoor om zich echt alleen maar op een paar specifieke rechten te richten.’

‘Mijn punt is dat Amnesty in het begin eigenlijk geen mensenrechtenorganisatie was, omdat het concept mensenrechtenorganisatie nog niet bestond. Het hele beeld dat wij nu van een mensenrechtenorganisatie hebben, is pas ontstaan dankzij pioniers als Amnesty.’

Wat is dan het kenmerkende verschil met nu?

‘Die neutraliteit is losgelaten. Wat Amnesty in die beginperiode geprobeerd heeft is om mensenrechten neer te zetten als a-politiek concept. Als een wettelijke norm die vastligt. Maar ten eerste is de manier waarop mensenrechten zijn ontstaan, waarop ze zijn uitonderhandeld, al een heel politiek proces geweest. En vanaf het moment dat ze dan vastlagen is er ook constant politieke discussie over geweest.

Christie Miedema heeft een bijzondere interesse in Midden- en Oost-Europa, mensenrechten, sociale bewegingen en migratie. In 2015 promoveerde ze op de dissertatie Vrede of Vrijheid?, over Westerse linkse organisaties en hun contacten met de oppositie in Polen in de jaren tachtig. Daarnaast werkt ze voor Clean Clothes Campaign en op vrijwillige basis voor Amnesty Nederland en Libereco – Partnership for Human Rights. Ze schrijft op persoonlijke titel over Oost-Europa voor Donau en op haar weblog middenineuropa.

Natuurlijk is het in heel veel gevallen nuttig om te zeggen: ‘We hebben deze regels vastgelegd, en het is een wettelijke norm’. Dat kan je in sommige gevallen echt verder brengen. Ook de dissidenten in Oost-Europa deden dat. Ze wezen de staat op de verdragen waaraan ze zich hadden gecommitteerd en probeerden naleving af te dwingen. Dat is natuurlijk een prachtig verhaal. Maar je maakt het de kat niet wijs dat het niet politiek is om op die manier bezig te zijn in een totalitaire staat. Als narratief is het nuttig, maar zeggen dat mensenrechten a-politiek zijn, maakt ze nog niet per sé a-politiek.’

‘Toch heeft die houding Amnesty aan de ene kant veel gebracht. Na de desillusie van de jaren zestig waarin alles politiek was vonden veel leden het aantrekkelijk om iets te doen voor de wereld, gewoon mensen helpen, zonder dat het iets te maken heeft met ideologie. Maar het was ook een beperking. Amnesty heeft zich bijvoorbeeld nooit uitgesproken over de aard van de apartheid in Zuid-Afrika. Want ze mochten alleen wat zeggen over mensenrechtenschendingen, niet over politieke systemen of over regeringen.’

‘Dat is allemaal veranderd eind jaren tachtig en in de jaren negentig. Amnesty heeft het nu ook over sociaal-economische rechten bijvoorbeeld. En ze hebben de regel losgelaten dat je niet campagne mag voeren voor je eigen land. Die zogenoemde wooc-regel (work on own country) was ooit een van de uitgangspunten van de organisatie. Weer zo’n heel strenge regel die bedoeld was om het a-politiek te houden. In Polen is een aanvankelijk echt een organisatie ontstaan die zich op andere landen richtte. Nu mag dat wel. Je ziet dan ook de afgelopen vier jaar dat ze zich veel meer op hun eigen land gaan richten. Noodgedwongen. Maar de organisatie kan op die manier wel relevant blijven.’

Hoe ging Amnesty om met dat verschil in beleving tussen leden in zulke verschillende landen?

‘Je ziet dat aanvankelijk de regels strenger werden. De wooc-regel ontstaat pas echt in de jaren zeventig, ook onder invloed van de internationalisering van de organisatie. Dankomen er leden in Polen, de Sovjet-Unie, maar ook Zuid-Korea. Dat wierp de vraag op wat die mensen dan moesten doen binnen zo’n a-politieke organisatie.’

‘Dat principe werd ook heel paternalistisch verantwoord. Het verhaal werd dat deze leden beschermd moesten worden tegen hun overheid door ze niet op hun eigen land te laten werken. Dat is gebaseerd op een verkeerde inschatting. Als je je inzette voor Amnesty, dan was je al een onafhankelijke mensenrechtenactivist en liep je al het risico om gearresteerd te worden. Het argument dat je je vooral met Chili bezig hield maakte daarvoor niet zoveel uit. En dat zagen mensen in West-Europa veelal niet.’

‘Voor veel West-Europeanen was de motivatie om zich voor Amnesty in te zetten dat ze iets wilden doen voor mensen in andere landen. De meeste mensen daar waren in de situatie waarin ze zich dat kunnen permitteren. Dat was natuurlijk heel anders als je woont in een dictatuur als Polen in de jaren zeventig en tachtig waarin mensenrechtenschendingen begonnen zodra je buiten de deur stapte.’

‘Toch gingen Oost-Europeanen wel mee in dat model. Dat vond ik heel interessant. Dan zie je dat mensen in Polen in de jaren tachtig verklaringen over Chili en Zuid-Afrika gaan ondertekenen. Deels omdat ze weten dat hun westerse bondgenoten dat belangrijk vinden en deels omdat ze zelf ook wel zien dat mensenrechtenschendingen, waar dan ook, even erg zijn. Maar er is ook een groep die zich daar heel ongemakkelijk bij voelt. Die denken, we hebben in eigen huis nog wel wat op te lossen voor we ons met anderen gaan bemoeien.’

‘Voor die mensen heeft de verbreding van Amnesty een enorm verschil gemaakt. Wie zich opwindt over wat er direct naast de deur gebeurt, kan nu veel meer binnen de organisatie.’

Is dat een omwenteling die de Oost-Europese leden, met hun ervaring, hebben helpen bewerkstelligen?

‘Uiteindelijk denk ik dat die invloed gering is geweest. In ieder geval veel kleiner dan hij had kunnen zijn. De hints uit Oost-Europa dat hier een wezenlijk probleem lag, kwamen niet aan, daarvoor was de interesse in Oost-Europa te gering. De focus lag echt op rechtse dictaturen. Latijns-Amerika was vele malen belangrijker.’ Het zal ook ongemakkelijk moeten zijn geweest voor veel leden om aan dezelfde kant te staan als Reagan en Thatcher. Dat zal niet van doorslaggevende invloed zijn geweest, maar op de achtergrond speelde dat ongetwijfeld een rol. De mogelijkheid van het ontwikkelen van de organisatie in Oost-Europa werd in de internationale ledenvergaderingen tot in midden jaren zeventig überhaupt niet genoemd.’

‘Het is iets dat je vanaf de jaren zeventig geleidelijk zag veranderen, dat ze daarin flexibeler werden. Je zag een verschil ontstaan tussen de mensen met interesse in Oost-Europa en mensen die dat niet hebben. Sommigen begonnen zich te realiseren dat de regels waarmee Amnesty was opgericht, niet overal werken.’

‘Ik kan me voorstellen dat op gegeven moment duidelijk werd dat die regels meer hinderden dan de organisatie beschermden. Als je relevant wilt blijven, dan moet je het over je eigen land hebben, of over andere misstanden dan alleen politieke gevangenen. Als je ziet dat mensen huiszoekingen krijgen, geïntimideerd worden, op alle mogelijke manieren onder druk staan. Maar pas als ze gevangen worden gezet, dan kun je er iets mee. Hoe lang kun je dat aan je leden en aan jezelf verkopen?’

Heeft Amnesty dan die dissidenten tekort gedaan?

‘Dat is een heel moeilijke. De vraag is ‘wat kun je doen?’ Ik denk dat Amnesty gelijk had dat hun rol niet was om een beweging tegen het regime te steunen. Sommige dissidenten waren dat wel, in elk geval deels. Maar anderen waren echt gewoon mensenrechtenactivisten.’

‘Human Rights Watch sloeg een heel andere weg in, en dat maakt een vergelijking interessant. Zei zeiden: wij gaan ons volledig identificeren met deze mensen, we gaan geld naar hen smokkelen. Dit zijn onze partners, en in deze landen is de staat de vijand.’

‘Dat vind ik ook een moeilijk standpunt. Je maakt dingen heel politiek, terwijl die dissidenten in Oost-Europa  juist hadden gekozen voor een a-politiek mensenrechtenstandpunt. In dat opzicht pasten zij eigenlijk beter bij Amnesty, al werd juist daardoor de samenwerking ook moeilijker.’

‘Of ze het anders hadden moeten doen weet ik niet. Maar wat wel zo is, is dat toen zich uiteindelijk leden meldden, Amnesty te veel heeft getreuzeld. Ik kan meerdere momenten aanwijzen waarop ik denk; dat had anders gekund. Een voorbeeld is dat iemand namens de Amnesty-top naar Polen zou reizen om met de leden te praten. Ze werd negatief bejegend door de autoriteiten en vervolgens ging ze niet. Maar zij was Oostenrijks, ze had gewoon zonder visum naar Polen gekund om met de leden te praten. Dan denk ik; was gewoon gegaan. Had die mensen de aandacht gegeven. Dat is echt een gemiste kans. Want uiteindelijk duurde het daarna vijf jaar voordat er iemand van Amnesty naar Polen ging om daar met de leden te praten.’

Je bent zelf ook actief voor Amnesty. Wat merk je in je eigen ervaring van de sporen die deze wrijving heeft nagelaten?

‘Ik ben van na deze tijd, maar ik heb die ontwikkeling zelf ook doorgemaakt. Ik vond het aanvankelijk moeilijk dat mensenrechten binnen Amnesty zo verbreed werden. Ik kom uit dat klassieke westerse model dat de burgerlijke en politieke rechten centraal stelt. Pas later ben ik veel meer gaan zien dat mensenrechten helemaal niet deelbaar zijn. Dat je de één niet prioriteit kunt geven boven de ander. Wat dat betreft heeft de organisatie die verandering eerder doorgemaakt dan ik.’

Lessen voor Brussel?

De vergelijking dringt zich op met de Europese Unie, nog zo’n in het westen gewortelde organisatie die leeft bij haar regels, maar worstelt met de vraag hoe zich te verhouden tot de realiteit ten oosten van de Alpen. Laat het voorbeeld van Amnesty wellicht zien dat anderen ook politieker moet durven zijn?

Het is iets dat je ziet bij alle grote organisaties, denkt Miedema. ‘De regels zijn de gemene deler waar de meeste mensen zich in kunnen vinden. Het is dan makkelijker om maar gewoon vol te houden, al krijg je nog zoveel tekenen dat het in de realiteit niet werkt.’

Het is een starheid die voor grote problemen zorgt, maar aan de andere kant ook functioneert om de organisatie bij elkaar te houden. ‘Zodra je die regels loslaat, begint het politiek te worden. Dat brengt ook weer andere spanningen met zich mee.’

Dat is het pad waarop Amnesty International zich de laatste twintig jaar beweegt. ‘Het is veel politieker, en ook veel linkser. Amnesty maakt zich in bepaalde kringen nu onmogelijk met bijvoorbeeld het standpunt over abortus.’

‘Amnesty is een iconische organisatie geworden, in veel opzichten is ze synoniem met mensenrechten. Dat wil zeggen dat waar Amnesty zich mee bezighoudt, ook een enorme invloed heeft op het beeld dat mensen hebben van wat mensenrechten zijn. Dan kun je je niet beperken tot een niche. Het schept de verplichting om breder in te zetten.’

‘Soms moet je je druk maken om onderwerpen die niet zo simpel af te bakenen zijn als vrijheid van meningsuiting, en die politieker zijn, zoals discriminatie. Maar dat betekent niet dat het niet om mensenrechten zou gaan.’

Not a movement of dissidents. Amnesty International Beyond the Iron Curtain is in 2019 verschenen bij Wallstein Verlag in de reeks Schriftenreihe Menschenrechte im 20. Jahrhundert, Band 4279 pagina’s. Ook verkrijgbaar als e-boek.

Over Joost van Egmond 38 Artikelen
Joost van Egmond is journalist. Hij publiceerde ondermeer bij de NOS, Trouw, Time magazine, Nieuwsuur, Vrij Nederland, de Groene Amsterdammer en Bloomberg. Joost woonde en werkte in Belgrado van 2010 tot 2015. Hij begrijpt nogal veel van wat zich afspeelt in Zuid-Oost-Europa en treedt geregeld op als balkandeskundige. Schreef het hoofdstuk over Joegoslavië en Albanië voor Het Oostblokbloek (Nieuw Amsterdam 2014) Sinds 2016 is Joost hoofdredacteur van Donau.