Oorlog in je hoofd

Foto: Andrej Isakovic

Tien jaar na het einde van de oorlogen in voormalig Joegoslavië woedt de strijd in Servië nog in honderdduizenden hoofden. Emotionele problemen zijn dermate wijdverspreid dat niemand aan de gevolgen ontkomt. ‘Deze oorlogen zullen nog een paar generaties voortduren.’

Milan en Dušanka zijn Kroatische Serviërs. Ze vluchtten hals-over-kop naar Servië voor de opmars van het Kroatische leger in 1995. Sindsdien wonen ze in een vluchtelingenkamp. Een barakje van vier bij vier meter doet dienst als keuken, woonkamer en slaapkamer.

Ze spreken voor velen door de laconieke manier waarop ze over hun oorlogservaringen praten. Te veel aandacht maakt hen oncomfortabel. Milan kan anekdotes vertellen, maar zijn gevoelens niet. Dat doet Dušanka voor hem. En andersom, alsof ze tegen elkaar opbieden:

-‘Ze heeft twee zelfmoordpogingen gedaan.’

-‘Hij schreeuwt in zijn slaap en wil er niet over praten.’

Milan: -‘Ik ga vissen, dat is mijn therapeut. We praten hier niet over onze moeilijkheden.’

Foto: Andrej Isakovic

Het beeld van Servische oorlogsveteranen is onherroepelijk gevormd door de rechtszaken voor het Joegoslaviëtribunaal in Den Haag; fanatieke nationalisten pleegden de grofste oorlogsmisdaden. Wie niet zelf betrokken was bij genocide of ‘etnische zuivering’ heeft toch op zijn minst heel wat uit te leggen. Ze zijn ‘daders’ in de ogen van de wereld. Ook een zachtaardige man als Milan.

Aandacht voor de trauma’s van de honderdduizenden Servische veteranen is daarom zeldzaam, ook in Servië zelf. Het is een olifant in de kamer waar beter over kan worden gezwegen. Stereotype berichten over zelfmoorden en familiedrama’s zijn zo ongeveer alle aandacht die het probleem krijgt.

Milan voldoet in niets aan het typische beeld van de Servische veteraan. Hij was leraar biologie op een middelbare school in Kroatië. Als reservist voor het Joegoslavische leger kwam hij in 1991 in de burgeroorlog terecht. Het leger verliet hij, maar de herinneringen zijn moeilijker af te schudden. De gevechten, het Kroatische interneringskamp waar hij twee maanden vast zat. Hij probeert er gauw een grap van te maken, maar zijn ogen dwalen af.

Onzichtbaar

Nergens in Europa vindt je zoveel mensen met een oorlogstrauma als in het voormalig Joegoslavië. De burgeroorlogen van de jaren negentig brachten miljoenen onder de wapens, en de straatgevechten en etnische zuiveringen lieten ook geen burger ongemoeid. Oorlogstrauma is hier niet iets dat een beperkte groep beroepsmilitairen treft, zoals in Nederland. Het is een integraal onderdeel van de samenleving. En nergens wordt het syndroom zo verwaarloosd als in Servië.

Oorlogstrauma’s zijn bekend geraakt onder de noemer posttraumatische stressstoornis (ptss), een syndroom dat ‘ontdekt’ werd onder Amerikaanse veretanen uit Vietnam. De voornaamste kenmerken zijn het herbeleven van traumatische gebeurtenissen, het vermijden van prikkels die tot zo’n herbeleving kunnen leiden en een algemene overgevoeligheid. Zo’n 15 tot 30 procent van alle oorlogsveteranen lijdt op enig moment aan de aandoening, schat de Wereldgezondheidsorganisatie. Bij velen verdwijnt dit over de jaren, maar volgens een onderzoek van de Servische overheid heeft ruim 8 procent van de veteranen anno 2010 ptss.

Een goede lekendefinitie van ptss is ‘iemand die niet om kan gaan met zijn oorlogservaringen’, zegt Miloš Antić van het Traumacentrum in de stad Novi Sad. De psycholoog leidt dit onafhankelijk instituut, dat in de tien jaar van zijn bestaan een solide band opbouwde met duizenden veteranen en hun families. Jammer genoeg is het ook één van de weinige plaatsen waar veteranen terecht kunnen.

Het gebrek aan hulpverlening maakt de problemen deels onzichtbaar. Hoeveel oorlogsveteranen in Servië moord of zelfmoord plegen, ligt zorgvuldig verstopt in een gebrek aan registratie, maar de cijfers in buurlanden spreken boekdelen. Kroatië telde in de afgelopen vijftien jaar 2100 zelfmoorden van veteranen, in Bosnië waren het er alleen al in de oostelijke stad Tuzla 500. En er is geen enkele reden om aan te nemen dat de getallen voor Servië lager zijn, zegt Antić. Integendeel, Servische veteranen hebben een slechtere maatschappelijke positie dan in buurlanden, wat doet vermoeden dat het er wel eens meer kunnen zijn.

‘De media staan niet op de stoep als een vrouw ons belt dat haar man met een bom in de woonkamer zit, en we weten te voorkomen dat hij zelfmoord pleegt’, zegt Antić. ‘En ze zijn er al helemaal niet als mensen in stilte lijden.’ Hij schat het aantal mensen dat acuut hulp nodig heeft op 500.000, in een land met acht miljoen inwoners.

De lijst met problemen is lang: Werkloosheid, verslaving aan drugs of alcohol, huiselijk geweld. Hun fysieke gezondheid is nadrukkelijk slechter. Of het nu is veroorzaakt door ptss of niet, veteranen scoren in onderzoeken op alle welzijnsfactoren slechter dan de gemiddelde Serviër.

Rehabilitatie van oudstrijders speelt in alle landen die opkrabbelen na een oorlog. Wat Servië tot zo’n speciaal geval maakt is de duizelingwekkende schaal en onbespreekbaarheid van oorlogstrauma’s. Hierdoor legt de veteranenkwestie een enorme hypotheek op de toekomst.

Veteranenland; inwonertal 0

Ljudevit was voor de oorlog forensisch expert bij de Servische politie. Een weinig spannende, wetenschappelijke baan. Tot 1991, toen hij de slag om Kroatische stad Vukovar meemaakte. Het was een van de grootste bloedbaden uit de oorlog. Servische troepen namen de strategische stad bij de grens straat voor straat in, ten koste van duizenden mensenlevens. Leger en paramilitairen konden de stroom lijken niet meer aan en vroegen hulp van de Servische politie. Ljudevit kreeg de order om twee maanden bij te springen bij de identificatie van de slachtoffers.

‘We zagen tientallen lijken per dag, Kroaten en Serviërs. Ieder lichaam is een verhaal, je vindt hun bezittingen en die vormen het verhaal in je hoofd. Op een dag konden we voor een oude man zijn dochter identificeren. Hij groef de fles brandewijn op die hij had bewaard voor haar huwelijk en bood die ons aan. Als ze toch nooit zou trouwen was dit de beste gelegenheid om hem op te drinken, zei hij. Die dingen zijn zwaarder dan het werk zelf.’

Na twee maanden keerde Ljudevit terug met een hel in zijn hoofd. De eerste dag dat hij zich op zijn werk meldde werd hij apart genomen door de man die hem had gestuurd. Hij maakte duidelijk dat deze missie nooit bestaan had. Servië had volgens de officiële lezing niets met de oorlog in Kroatië te maken. Hij was dan ook niet gestuurd en had niets gezien. Dat was dat. Geen handdruk, geen koffie.

Foto: Andrej Isakovic

Volgens de officiële lezing was Ljudevit twee maanden ‘zoek’. Zelfs foto’s, waarop hij in Vukovar te zien is naast de minister van Defensie, hebben die lezing nog niet aan het wankelen kunnen brengen.

Het verhaal van zijn verdwijning is zo potsierlijk dat er even een grijns doorbreekt op zijn sombere gezicht. ‘Zelfs bij de Servische politie kun je niet twee maanden afwezig zijn zonder reden. Waarom hebben ze me niet ontslagen?’

Na zijn terugkeer was Ljudevit twee jaar lang permanent dronken. Hij belandde met ptss in een psychiatrische inrichting. Een baan heeft hij sindsdien niet meer, wel een dagtaak: hij voert al vijftien jaar rechtszaken om erkend te krijgen dat hij in Vukovar heeft gewerkt. Binnenkort roept hij de toenmalige minister van Defensie op als getuige.

Losers’

Servië ontkent het bestaan van gigantische groepen oorlogsveteranen, voornamelijk om politieke redenen. Ze vochten in conflicten waarbij Servië officieel niet betrokken was. Zowel de oorlogen in Kroatië van 1991-1995 en die in Bosnië (1992-1995) werden gevochten via tussenpersonen. Militieleiders, zoals de beruchte Vojislav Šešelj, die wordt berecht door het Joegoslaviëtribunaal in Den Haag, vochten met Servische vrijwilligers. In Bosnië werd een Bosnisch-Servisch leger opgericht, onder leiding van generaal Ratko Mladić. Serviërs die daarvoor vochten, krijgen ook geen erkenning als veteraan. Slechts enkele specifieke ‘manoeuvres’ van het Joegoslavische leger begin jaren negentig hebben het officiële predikaat oorlogshandeling.

Zelfs het conflict in de zuidelijke provincie Kosovo was officieel een politieactie, hoewel er zwaar werd gevochten. Een oorlog werd het volgens de Servische autoriteiten pas toen de NAVO bombardementen uitvoerde boven Servië, in de lente van 1999.

Deze uiterst selectieve berekening brengt het land al op 400.000 veteranen, schat het ministerie van Sociale Zaken. De echte doos van Pandora gaat open wanneer de vrijwilligers in beeld komen. Miloš Antić van het Traumacentrum zucht: ‘Voor ons is een veteraan iemand die tijdens een gewapend conflict een wapen vast hield. Daarvan tellen wij er in Servië vandaag de dag 800.000, oftewel tien procent van de bevolking.’

Deze groep is even divers als hun aantal groot is. Sommigen meldden zich aan uit pure nationalistische overtuiging om de Servische broeders in Kroatië en Bosnië te verdedigen. Anderen waren juist vluchtelingen uit die gebieden, door militieleiders geprest om terug te gaan, soms onder regelrechte marteling. Het grootste deel zat tussen die extremen in. Ze voelden de groepsdruk om zich aan te melden als vrijwilliger, of ontvluchtten werkloosheid. Of ze werden, zoals Ljudevit, klem gezet door hun werkgever.

Wat ze allemaal gemeen hebben is een totaal gebrek aan erkenning sinds hun terugkeer. ‘Het was een nachtmerrie. Ik voelde me het ongeliefde kind, het kind dat je niet meer wilt kennen’, zegt veteraan Ivan.

Antić: ‘Wat we steeds terug zien in sessies met veteranen uit andere landen is het grote verschil in erkenning tussen Servië en de rest. In Kroatië en Bosnië kunnen veteranen praten over hun ervaringen. Hier kunnen ze dat niet.’

Negering door de overheid is slechts de eerste barrière. Veteranen vallen in alle opzichten tussen wal en schip. Progressieve Serviërs hebben nooit iets met de oorlog te maken willen hebben en kunnen geen begrip opbrengen voor strijders van een leger dat zo is besmet door oorlogsmisdaden. En de mensen die zich wel kunnen identificeren met de strijd hebben een ander groot obstakel om te symphatiseren met veteranen: ze hebben de oorlog verloren.

Vladan Beara is psycholoog aan het Traumacentrum en schreef een boek over veteranen. ‘Serviërs hebben een groot probleem om zin te geven aan hun oorlogsinspanningen. Joegoslavië is uiteen gespat, Kosovo is verloren. Alles waar ze voor vochten is weg, en op de koop toe worden ze nagewezen als oorlogsmisdadigers.’

Hij noemt een voorbeeld dat hij meermalen zag in zijn praktijk. ‘Veel veteranen uit de jaren ’90 zijn jaloers op hun grootvader, die erkenning heeft als verzetsstrijder in de Tweede Wereldoorlog. Dan zegt opa doodleuk: ‘Wij hebben de oorlog tenminste gewonnen. Jullie zijn een stel losers.’ Zoiets komt ongelooflijk hard aan.’

Eenzelfde afwijzing treedt op bij progressieven, zegt Beara. Een internationale hulporganisatie wees een paar jaar geleden een verzoek om subsidie van het Traumacentrum af met de woorden ‘veteranen zijn allemaal oorlogsmisdadigers en ze lijden niet half zo zwaar als ze verdienen’.

Het maakt dat Servische veteranen constant in de verdediging zitten, ongeacht hun rol in de oorlog. ‘Eigenlijk heb ik niets slechts gedaan’, zegt forensisch expert Ljudevit met een stem die duidelijk maakt dat hij zichzelf moet overtuigen. De meesten zwijgen het liefst, ze zijn argwanend en lopen op zijn zachtst gezegd niet met hun verleden te koop.

‘Veteranen zijn overtuigd dat ze niet zullen worden begrepen als ze hulp vragen’, zegt psychiater Željko Špirić, verbonden aan de Servische militaire medische academie. ‘Ze ontwijken hun trauma’s omdat ze bang zijn dat de film in hun hoofd weer wordt afgespeeld en ze voelen zich afgewezen. Dat maakt het erg moeilijk ze te bereiken.’

Doorgeven

Toen Ivan zich in 1991 aanmeldde om te vechten in Kroatië bestond de term transgenerationeel trauma niet. Ivan had er wel een: ‘Mijn familie waren echte Joegoslaven, overtuigde antifascisten. Mijn grootvader zat in de Tweede Wereldoorlog bij de partizanen, het communistische verzet. Hij sprak nooit over die periode.’vet1 (3)

‘Toen de oorlog uitbrak, had ik net mijn diploma. De wereld stond voor me open en ik zocht naar een ervaring om mijzelf te leren kennen. Ik vond mijn grootvaders dagboeken en ik las over de strijd tegen de fascisten, en over de Kroatische nazi’s die zijn dorp hadden platgebrand. Ik haalde het in mijn 19-jarige hoofd om dat recht te zetten…’

Het bracht Ivan aan het front bij de Kroatische stad Zadar. Hij wil er over vertellen, dat ziet hij als zijn bijdrage aan de maatschappij, maar het is moeilijk. Hij kijkt er bij weg, naar de muur van het drukke café dat hij voor dit gesprek heeft uitgekozen: ‘Het leek in niets op wat mij had voorgesteld, ik ben mijn illusies kwijtgeraakt.’

Therapeuten zien het onverwerkt verleden als één van de belangrijkste oorzaken van de oorlogen van de jaren ’90. Zoals Ivan waren er velen, en iedere verhandeling over de oorlog verwijst terug naar de Tweede Wereldoorlog.

Waar ontstellend genoeg nauwelijks aandacht voor is, de logische consequentie van deze theorie: dat de veteranen van nu op hun beurt een nieuw trauma hebben om door te geven aan hun kinderen.

‘Kinderen van getraumatiseerde veteranen zijn vaak conservatief, op het radicale af’, zegt Miloš Antić. ‘We zien ook veel gevallen van paranoia onder kinderen, echtgenoten én ouders.’

Een groot probleem bij het doorgeven van trauma is dat er geen wetenschappelijk onderzoek naar is gedaan in Servië. De aanwijzingen stapelen zich op, maar het blijft bij voorbeelden. Volgens Vladan Beara ia het fenomeen ook nauwelijks te meten: ‘Goed, je hebt een getraumatiseerde veteraan. Hij drinkt, slaat zijn familie, heeft wapens in huis. Wat zijn de effecten op zijn kinderen? Op de buren? Het dorp? Op deze manier is op zijn minst de helft van de Servische bevolking betrokken bij de gevolgen van de oorlog. Maar welk effect dat heeft weten we niet.’

Intussen zijn veel van de huidige pubers opgegroeid met de donderwolk van de oorlog boven hun jeugd. Zeker op het platteland komt het geregeld voor dat ze niemand kennen die geen familieleden verloor. Besproken wordt het meestal niet. Het is de donkere kant van de familiegeschiedenis, waar de kinderen naar moeten gissen.

Tekening uit het boek van Boris Djurovic
Tekening uit het boek van Boris Djurovic

Psycholoog Boris Djurović heeft veel met kinderen van veteranen gewerkt: ‘Het is een totale storing in de communicatie tussen een veteraan en zijn familie. Je komt thuis met al die ervaringen, en je kunt ze niet uiten. De familie heeft een volstrekt andere periode doorgemaakt, één die in het teken stond van wachten. Dat gaat niet samen. Zo wordt een veteraan een vreemde voor zijn gezin.’

Djurović probeert de stilte te doorbreken met een kinderboek. Het is het sprookje van een ridder die na de oorlog niet uit zijn harnas kan komen. Voor kinderen is dit een eerste stap om de problemen in hun familie te overdenken en ze bespreekbaar te maken. Er is grote belangstelling voor het boekje, het is zelfs in het Nederlands vertaald en wordt hier gebruikt bij de hulpverlening, maar vooralsnog is de Nederlandstalige oplage groter dan de Servische.

‘We proberen het nu in scholen te introduceren’, zegt Djurovic. ‘Het familietrauma wordt genegeerd, maar het is net zo echt. De oorlog zal zo bezien nog een paar generaties voortduren. De kinderen moeten hier mee leren leven, het een plek leren geven.’

Een getraumatiseerd land

Het is glad ijs, maar kun je zeggen dat Servië een collectief trauma heeft? Zonder in ‘de psyche van het Servische volk’ te treden, zeggen de psychologen die ik sprak dat de oorlogservaring een belangrijke factor is in de Servische samenleving vandaag. Alleen al het aantal betrokken leidt tot die conclusie. Ieder trauma is een individueel geval, maar miljoenen individuele gevallen maken een samenleving.

‘De agressie is overal’, zegt Beara. ‘Van het geweld rond de gay pride parade in Belgrado afgelopen oktober, tot films en muziek. Veel mensen vluchten in radicalisme. Het is een rustgevend, simpel wereldbeeld. Al ons leed is terug te voeren op De Ander. Die is slecht en wij zijn goed. Het probleem is dat De Ander een prima leven lijkt te hebben. Dat leidt tot enorm veel frustratie.’

Die frustratie keert terug in de manier waarop veel Serviërs reageren als het oorlogsverleden ter sprake komt. Met name het proces van toetreding tot de Europese Unie zorgt voor pijnlijke confrontaties. ‘Brussel’ dringt aan op excuses voor Srebrenica, op de arrestatie van Ratko Mladić, op een betere relatie met Kosovo…

Van de spreekwoordelijke taxichauffeur tot politieke leiders, iedereen heeft er moeite mee om deze stappen te nemen. Niet eens zozeer uit ideologische overtuiging, maar omdat velen het gevoel hebben dat ze eruit gepikt worden, terwijl De Ander overal mee weg komt.

‘We gaan er kinderachtig mee om’, vindt Beara. ‘Wat dat betreft is het goed dat we onder druk worden gezet. We zouden die confrontatie het liefst vermijden.’

Toch verergert die buitenlandse druk ook het probleem. Mensen worden gesterkt in hun overtuiging dat Serviërs steeds overal voor opdraaien. Een vluchteling uit Kroatië legde me dat dit voorjaar haarscherp uit, toen het Servische parlement steggelde over een motie om de genocide in Srebrenica te veroordelen. ‘Ik word nu geacht excuses te maken voor Srebrenica, wat een gruwelijke misdaad was. Maar intussen is de dag waarop ik uit Kroatië ben verjaagd daar een nationale feestdag, en dat land staat op de drempel van EU-lidmaatschap. Als wij om erkenning vragen voor ons leed, krijgen we stilte.’

Beara hoort zulke klachten geregeld: ‘Psychologisch is dit een enorme aanslag op iemands gevoel voor rechtvaardigheid. Alle slachtoffers willen erkenning voor wat hen is aangedaan. Dat is extreem belangrijk voor een goede verwerking.’

Mystiek

De enige manier om de cirkel van stilte en frustratie te doorbreken is praten, en dat is nu net het moeilijkste. Dragana probeert dat met haar neefje. Zijn vader, haar broer, werd in 1995 als 21-jarige Kroatische Serviër geronseld en naar het front gestuurd om de Kroatische opmars tegen te houden. Hij sneuvelde in de eerste uren van de gevechten. Waarschijnlijk, want zijn lichaam is nog steeds niet gevonden. Zijn familie en zwangere vriendin vluchtten naar Servië, waar de jongen opgroeit.

‘We hebben hem vanaf het begin de waarheid verteld over zijn vader. Hij moet ermee opgroeien, en er niet ineens op latere leeftijd mee geconfronteerd worden.’ Het blijkt extreem moeilijk. ‘Ik praat hier nooit met anderen over. En hij wil juist met mij over zijn vader praten. Jaren geleden vroeg hij me of zijn vader een slechterik was, want in de film zijn het altijd de slechterikken die dood gaan. Dat soort vragen brengt me een week van slag, en het wordt steeds moeilijker nu hij ouder wordt. Ik ben bang voor wat zijn puberteit gaat brengen.’

Moeilijk als het is, Dragana praat tenminste. Ook Ljudevit en Ivan. Zij gaan voor het Traumacentrum de dialoog aan met jongeren, op scholen en in vrijetijdscentra. Het helpt beide kanten. ‘In zo’n omgeving kan ik erover praten’, zegt Ljudevit. ‘Met mijn familie ben ik nog niet zo ver.’

Ivan: ‘Ik wil mijn verhaal vertellen zonder pretenties, ze een echt beeld geven van hoe een oorlog is. Die pubers willen altijd eerst weten wat voor wapens ik had, of ik Kroaten gedood heb. Die illusies over de onoverwinnelijke strijder komen vaak regelrecht uit de film. Maar verhalen over de pijn van oorlog brengen ze terug naar de realiteit.’

‘Jongere generaties hebben nog steeds een idealistisch beeld van de oorlog’, zegt Miloš Antić. ‘Die mystiek wordt niet doorgeprikt. En dat is waar veteranen een belangrijke constructieve rol kunnen spelen. Je ziet dat de kinderen enorm onder de indruk zijn als ze met een eerlijk verhaal worden geconfronteerd. Dat helpt ze ook weer om met de veteranen in hun eigen familie om te gaan.’

Het dialogenprogramma van het traumacentrum in een succes, vooral door de oprechtheid waarmee veteranen hun verhaal vertellen. ‘Het is als een dokument’, zegt Ivan. ‘Wat die jongeren nodig hebben is informatie. Iedereen die over oorlog praat heeft een grote verantwoordelijkheid. Ik weet nu wat oorlog is, en het is pure stront. Dat wil ik duidelijk maken. Maar veel mensen geloven nog steeds liever in de grote verhalen.’

Die hardnekkige mystiek die nog steeds rond de oorlog hangt, raakt hem diep. Het stemt hem ook weinig optimistisch: ‘Ik heb een volstrekt normale jeugd gehad. Ik groeide niet op in geweld, deze jongens wel. En als wij al in staat waren om deze dingen te doen, hoe gaat het dan zijn voor hen?’

‘Openheid nodig voor verwerking’

Jos Weerts, het hoofd van het Kennis- en onderzoekscentrum van het Nederlandse Veteraneninstituut, heeft trainingen gegeven voor de hulpverlening aan Servische veteranen. De situatie in Servië is interessant als vergelijkingsmateriaal voor de positie van veteranen in Nederland: ‘De psychische problemen zijn heel herkenbaar, die zijn overal dezelfde.’
Het grootste verschil is de verregaande miskenning, zegt Weerts. ‘Het idee dat alle veteranen licht ontvlambare criminelen en oorlogsmisdadigers zijn is in Servië wijdverbreid. Dat is in Nederland gelukkig niet zo. Er moet erkend worden dat veteranen mensen zijn die hun werk hebben gedaan in opdracht van de regering, van de maatschappij, en daar een zekere mate van waardering voor verdienen.’
Toch ziet hij een nadrukkelijke parallel met Nederlandse veteranen uit Indonesië. ‘Ik houd veteranen in Servië altijd voor hoe Indië-veteranen 30 á 40 jaar zonder erkenning leefden, totdat ze zichzelf organiseerden en aandacht vroegen. Die maatschappelijke openheid over het verleden is van groot belang, ook voor de individuele verwerking van de veteranen.’
Dit artikel verscheen in 2011 in een aangepaste versie in Vrij Nederland
Over Joost van Egmond 34 Artikelen
Joost van Egmond is journalist. Hij publiceerde ondermeer bij de NOS, Trouw, Time magazine, Nieuwsuur, Vrij Nederland, de Groene Amsterdammer en Bloomberg. Joost woonde en werkte in Belgrado van 2010 tot 2015. Hij begrijpt nogal veel van wat zich afspeelt in Zuid-Oost-Europa en treedt geregeld op als balkandeskundige. Schreef het hoofdstuk over Joegoslavië en Albanië voor Het Oostblokbloek (Nieuw Amsterdam 2014) Sinds 2016 is Joost hoofdredacteur van Donau.