Oost-Europa blijft ver weg

In de jaren zeventig en tachtig kregen Utrechtse eerstejaarsstudenten Sociale Geografie een formulier voorgelegd met daarop in alfabetische volgorde de namen van twaalf grote steden verspreid over Europa. Ze moesten de steden rangschikken naar hun afstand over de weg tot Amsterdam, zonder gebruik van externe hulpmiddelen zoals kaartjes in zakagenda’s – smartphones waren er toen nog niet – of te overleggen met studiegenoten. De naar hun mening dichtst bij Amsterdam gelegen stad kreeg een 1, de stad met de op één na kortste afstand een 2, enzovoort.

Door Ben de Pater, Thijs Konijnendijk, Leo Paul en Egbert van der Zee

Ben de Pater en Leo Paul zijn als hoofddocenten Sociale Geografie verbonden aan de Universiteit Utrecht. Onder hun redactie verschenen bij Perspectief Uitgevers studieboeken over West-Europa en Midden- en Oost-Europa. Egbert van der Zee en Thijs Konijnendijk waren eveneens docenten geografie. Egbert is nu promovendus aan de Katholieke Universiteit Leuven, Thijs onderzoeker bij DTZ Zadelhoff. Een uitgebreide versie van dit artikel verscheen in het vaktijdschrift Geografie, een uitgave van het KNAC. Jaargang 23, nummer 3, maart 2014

IJzeren Gordijn

De uitkomsten van het Utrechtse onderzoek toonden duidelijke patronen, die door de jaren heen opmerkelijk constant waren. Steden in Zuid-Europa (Barcelona, Rome, Lissabon, Athene, Istanbul) werden te dichtbij gelegd, steden in Oost-Europa (Praag, Boedapest, Kiev, Moskou) te ver weg. Berlijn, waar Oost en West in één stad samenkwamen, was een twijfelgeval. Vaak werden Praag en Wenen ‘omgedraaid’. Hoewel Wenen meer dan 200 autokilometers verder weg lag dan Praag, plaatsten de meeste studenten de Oostenrijkse hoofdstad dichter bij Amsterdam dan de Tsjechoslowaakse.

De verklaring leek voor de hand te liggen: het IJzeren Gordijn. Plaatsen in de communistische landen lagen in de beleving verder weg dan steden die behoorden tot het democratische en kapitalistische Europa. Ten tijde van de Koude Oorlog was het Oostblok een grauwe, armoedige en onvrije wereld, een potentiële vijand van het Westen. West-Europeanen situeerden die ver weg omwille van de eigen gemoedsrust. Zuid-Europa daarentegen werd destijds meer en meer ontdekt door vakantiegangers. Mediterraan, zonnig, met fraaie stranden en zee, en sinds het overlijden van enkele dictators grotendeels democratisch. In de beleving schoof het zuiden dichter bij Nederland.

De IJzeren Gordijn-verklaring werd in ruimere kring bekend door het artikel ‘Distance perception within Europe’ van Cees Eysberg, destijds docent in Utrecht, in het vaktijdschrift Journal of Geography (1985). Hij analyseerde de uitkomsten van de oefening waaraan tussen 1977 en 1981 in totaal 760 studenten hadden meegedaan.

De oefening in Utrecht is ook na 1981 herhaald, maar niet elk jaar want de verrassing was er een beetje af. De exercitie in 1987 gaf wederom de bekende resultaten: Oost-Europese steden te ver weg, Zuid-Europese te dichtbij. Een tijdelijke uitzondering was Kiev, toen 100 kilometer noordwaarts in Tsjernobyl in 1986 een kernreactor ontplofte. Even kwam Kiev in de beleving dichterbij te liggen, maar dat effect verdween in de jaren daarna. Ook in 1990, een jaar na de val van de Berlijnse Muur, en in 1995, zes jaar na afloop van de Koude Oorlog, bleek dit patroon nog te bestaan. Blijkbaar ijlde de tweedeling van Europa in de beleving na. Op zich niet verbazingwekkend. Eerstejaars in 1995 hadden minstens twee derde van hun leven doorgebracht in een door een IJzeren Gordijn verscheurd Europa.

Toen we het onderzoek herhaalden in 2004, verwachtten we dat Oost-Europese steden in de beleving dichterbij waren komen te liggen. De studenten waren opgegroeid in een postcommunistisch Europa; acht landen uit Midden- en Oost-Europa waren eerder dat jaar toegetreden tot de Europese Unie. De patronen in de mentale kaart bleken echter onveranderd. Een verklaring ontbreekt; we hebben studenten niet gevraagd naar hun beeld van Oost-Europa. Misschien werden de landen nog steeds gezien als grijs, corrupt, arm en vervuild – geen gebied om voor je plezier naartoe te gaan en daarom in de mentale ruimte op afstand geplaatst?

Anno 2013

In 2013 vulden 155 eerstejaars wederom het formulier in. Om zeker te zijn dat de volgorde in afstanden over de weg ongewijzigd is gebleven, hebben we de kilometerafstanden van 1977 vergeleken met die van 2013, vastgesteld met Google Maps. Behalve bij Parijs zijn de afstanden over de weg enkele tientallen kilometers gekrompen. De rangorde is echter onveranderd. Waarschijnlijk zijn afstanden over de weg anno 2013 wel minder relevant geworden, omdat tegenwoordig meer wordt gevlogen. En de verschillen in vliegtijden voor veel steden zijn minimaal. Zo zijn Boedapest, Barcelona en Rome vanuit Schiphol in twee uur of iets meer te bereiken. Ook de verschillen tussen Moskou, Istanbul en Athene zijn klein: ze bevinden zich allemaal op ruim drie uur vliegen van Amsterdam. De verschillen in afstand over de weg zijn aanmerkelijk groter.

De veranderingen blijken minimaal. Praag is in de mentale ruimte na 1989 naderbij gekomen, maar ligt in 2013 gemiddeld nog steeds verder weg dan Wenen. Ook Kiev ligt in de beleving wat dichterbij – misschien omdat het Nederlands elftal in 2012 zijn EK-wedstrijden in Oekraïne speelde– maar nog altijd verder weg dan in werkelijkheid. Het onderzoek vond plaats voor de recente onrust in Oekraïne. De geschatte afstand tot Moskou is zelfs toegenomen. Alle steden in Zuid-Europa liggen in de mentale ruimte aanzienlijk dichterbij dan in de feitelijke geografische ruimte; bij alle steden in Oost-Europa is het omgekeerd. Er is in de loop van meer dan dertig jaar weinig veranderd. Mental maps veranderen blijkbaar niet gemakkelijk.

Misschien hangt dat samen met de steden en landen die studenten op vakantie hebben bezocht. Kiezen studenten sinds jaar en dag vooral Zuid-Europese bestemmingen, en ervaren ze die daardoor als dichterbij dan plekken waar ze nooit zijn geweest? Gegevens over vroegere jaren hebben we niet, maar wel informatie die 145 studenten sociale geografie in Utrecht in 2011 en 2012 verstrekten over de plaatsen waar ze het afgelopen jaar hun vakantie(s) en weekenduitstapjes doorbrachten. Europese landen aan de Middellandse Zee worden veel meer bezocht dan de landen in Oost-Europa. Kuststreken als de Cote d’Azur, de Costa del Sol en de Costa Blanca zijn heel populair, evenals Toscane, Provence en de Alpen (en dichter bij huis de Ardennen, Eifel en de Vlaamse steden). In het weinig bezochte Oost-Europa zijn vooral de hoofdsteden in trek. Boedapest, Praag, Parijs en Berlijn worden, waarschijnlijk dankzij stedentrips en interrailvakanties, het meest aangedaan van de twaalf steden uit de lijst. Mediterrane steden blijven daar ruim bij achter.

Toch leidt de populariteit van Boedapest en Praag er niet toe dat hun gepercipieerde plek in de rangorde samenvalt met de feitelijke. Boedapest is zowel in 1977-1981 als in 2013 nummer 7 (feitelijk nummer 5). Praag is wel wat dichterbij gekomen (ruwweg van nummer 5 naar 4), maar heeft haar juiste plaats 3 (nog) niet bereikt. Ze ligt in de beleving verder weg dan Wenen, hoewel maar één student de Oostenrijkse hoofdstad bezocht tegenover zestien de Tsjechische hoofdstad. Eysberg suggereerde in zijn artikel dat studenten zich onvoldoende realiseren dat Oostenrijk wel dichtbij ligt, maar Wenen door haar ligging in het uiterste oosten van het land relatief ver weg is. Het omgekeerde gold voor het toenmalige Tsjechoslowakije. Dat klonk ver weg en studenten zullen zich toen niet gerealiseerd hebben dat de hoofdstad van dat land zich relatief dicht bij Amsterdam bevond, aldus Eysberg. Maar in het huidige Tsjechië ligt de stad wel centraal.

Gepercipieerde afstanden in Europa in 1977-1981, 2004 en 2013. Gegevens uit 1977-1981: Eysberg 1985.
Gepercipieerde afstanden in Europa in 1977-1981, 2004 en 2013. Gegevens uit 1977-1981: Eysberg 1985.

Een andere verklaring voor het verder weg plaatsen van Oost-Europese steden ligt misschien in de kaarten waarmee studenten zijn opgegroeid. Een correcte weergave van de topografie van de aardbol op een tweedimensionale kaart is niet mogelijk. Door vertekeningen is de wereldkaart niet geschikt om afstanden in te schatten. De Winklerprojectie, die in de Bosatlas veel wordt gebruikt, overschat bijvoorbeeld afstanden sterker naarmate je verder van de evenaar afkomt. Afrika en Zuid-Europa worden te klein, Groenland, Noord- en Oost-Europa te groot weergegeven. Afstanden vanaf Amsterdam naar Noord- en Oost-Europa lijken op de kaart dus langer dan die naar Zuid-Europa. De opkomst van Google Maps versterkt dit beeld. De Mercatorprojectie die de Google-applicatie gebruikt, vertekent de werkelijkheid nog sterker dan de Winklerprojectie. Misschien is het effect van deze projecties dat noord-zuidafstanden structureel worden onderschat. Onderzocht hebben we dat niet; het raadsel is voorlopig nog niet opgelost.