Sissi in fondanten Agfacolor

Essay

Door Thijs van Nimwegen

Het is eerste Kerstdag. Het leven in huis staat stil als water in een gracht – een beetje stinkend, en met scherpe uitsteeksels net onder de oppervlakte. Het vierde potje Monopoly is voorbij, de stol is op, het is de tijd voor de meubelboulevard of een lustmoord. Maar daar is hoop: de publieke omroep zendt een Sissi-film uit. Ze beginnen meestal rond een uur of drie, en zijn precies lang genoeg om dat doodse gat tussen de namiddag en het reddende borreluur te overbruggen. Ernst Marischka’s Oostenrijkse drieluik, geschoten tussen 1955-57, heeft zo al vele Kerstmiddagen gered: door een overdaad aan walsjes, lustsloten, Lederhosen en buitenproportionele crinolines, gecombineerd met een verhaal dat door de fenomenale traagheid geen enkele gedachteninspanning vereist wordt het brein tot een behaaglijke, schier gedachteloze soep teruggebracht. Sissi kijken is ontspanning en vergetelheid in fondanten Agfacolor.

Persoonlijk ben ik een groot fan van de Sissi-films. Dat heb ik waarschijnlijk van mijn oma. Na de Eerste Wereldoorlog als bleekneusje met de ‘kindertrein’ uit Hongarije naar Nederland gekomen, werd zij door het span kordate Hollandse zusters dat haar pleeggezin vormde, binnen een paar jaar van Mariska uit Budapest getransformeerd in een zeer Nederlandse Miep. De enige momenten dat haar Magyaars bewustzijn nog opspeelde was bij het kijken naar die beroemde scene aan het einde van deel twee, waarin Sissi (de toen 17-jarige Romy Schneider) na de kroning van haar echtgenoot Franz Joseph (blonde Karlheinz Böhm) tot király (koning) van Hongarije, het verzamelde volk een seconde of tien in het Hongaars toespreekt – en wildenthousiast wordt toegejuicht.

Het aardige van de Sissi-films is dat het verhaal net voldoende afwijkt van het leven van de historische Sissi (eigenlijk Sisi) – de koosnaam van Elisabeth Amalie Eugenie, Herzogin in Bayern, later keizerin van Oostenrijk-Hongarije (1837-1898) – om alle scherpe kantjes te verwijderen, maar net te weinig om tot een volledig sprookje te verworden. Zo was de kroning van keizer Franz Joseph I in 1867 niet een langverwachte uitkomst voor het Hongaarse volk, maar een moeizaam bereikt en matig gewaardeerd compromis na jarenlang gesteggel in de nasleep van de Hongaarse revolutie van 1848. De Ausgleich (Hongaars: Kiegyezés) betekende bovendien een dodelijke belediging voor de overige etnische groepen in het rijk en hun edelen, die zich gepasseerd voelden door de uitverkiezing van de Hongaren. De dubbelmonarchie, toch al een kruitvat vol opkomende nationalistische gevoelens, zou uiteindelijk mede door die etnische spanningen haar eigen graf graven.

Sissi en Franzl hebben het zwaar

De meerwaarde van Sissi’s ijveren voor Hongaarse gelijkheid op regeringsniveau is dus op zijn minst voor discussie vatbaar. In de film is het een bewijs van haar natuurlijk gevoel voor rechtvaardigheid, tegen de kille berekening van haar schoonmoeder Sophie (Sophie Friederike von Bayern, gespeeld door Vilma Degischer) in, die de delegatie van de legendarische Graaf Gyula Andrássy (Walther Reyer) op een officieel bal schoffeert. Alleen Sissi kan de boel nog redden, door de woedende graaf ten dans te vragen (“Damenwahl! Damenwahl!”) op het moment dat hij wil vertrekken. Hij is zo onder de indruk van de junge Kaiserin dat hij haar in de volgende film (Schicksalsjahre einer Kaiserin, waarin Sissi bovendien nog wat andere opstandige types met haar charmes onschadelijk maakt) de liefde verklaart. Daar kan natuurlijk geen sprake van zijn: Sissi bidt hem alles wat hij heeft gezegd te vergeten en keert onmiddelijk van haar Hongaarse landgoed Gödöllö naar Wenen terug. In werkelijkheid is de relatie tussen Elisabeth en Gyula onduidelijk – ze waren zeer goede vrienden, en misschien wel meer, want het keizerlijke huwelijk ging na de razendsnelle productie van een reeks kinderen danig achteruit. Het gerucht ging zelfs dat Andrássy de werkelijke vader van de rampzalige kroonprins Rudolf was, die zich veel later, in een ook al uitgebreid geromantiseerd drama, samen met zijn minnares van het leven zou beroven.

Romy Schneider als Sissi

Al lang voor het zover was ging het niet best met Sissi. In de films reist ze naar Corfu om van een vage longkwaal te genezen, en klimt dan ook na een paar dagen zeelucht alweer monter over de klippen, als het hupse boerenmeisje dat Franzl in deel een van een Alp plukte. In werkelijkheid was de kwaal ook vaag – zo vaag dat het vermoedelijk psychosomatisch was. Elisabeth’s latere rondreizen – in de films een aaneenrijging van schilderachtige doorkijkjes en de betreurenswaardige boert van Oberst Böckl, Sissi’s commandant van de wacht – waren voornamelijk een vlucht voor ongrijpbaar lichamelijk en geestelijk onwelzijn. Daar kwam niet, als in Marischka’s idylle, een eind aan door krachtdadig ingrijpen van haar moeder Ludovika (Magda Schneider, ook in het echt de moeder van Romy) en een ontroerende hereniging met haar dochtertje, zo ontroerend dat zelfs de opstandige Venetiaanse adel de Habsburgse overheersing even vergeet.

De echte Elisabeth zou haar verdere leven blijven rondreizen, en dat haar boze schoonmoeder de opvoeding van de kinderen voor haar rekening nam kwam haar daarbij wel goed uit. Ze was het grootste deel van de tijd bezig met het bijhouden van haar uiterlijk – met name van haar taille, die nooit de vijftig centimeter mocht overschrijden – en hield zich daarom aan een zo rigoureus dieet dat ze vaak de uithongering nabij was. Ze raakte geobsedeerd met Griekse mythen, leerde oud- en Nieuwgrieks, liet zich uren per dag uit Homerus voorlezen, en noemde zichzelf Titania, naar de elfenkoning uit A Midsummer Night’s Dream. Naar model van haar grote voorbeeld, Heinrich Heine, begon ze met het dichten van Nordseelieder. Na de dood van haar geliefde Rudolf liet ze op Corfu het ‘Achilleion’ bouwen, een romantische droom van een Grieks-klassiek gebouw. En ondertussen bleef ze maar rondreizen, door Spanje, Portugal, Malta, Algerije, Turkije, Egypte, Marokko.

Hoewel de relatie met Franz Joseph op het einde van haar leven weer wat warmer (zij het platonisch) werd, kwam het nooit meer helemaal goed met Sissi. Haar uiteindelijke dood was tragisch van willekeur. De Italiaanse anarchist Luigi Lucheni was van plan de Franse graaf Philippe d’Orléans in Genève te vermoorden, maar toen hij ontdekte dat Philippe niet in de stad was en Elisabeth wel, besloot hij zich met haar te behelpen. Sissi en haar (Hongaarse) consorte hadden eerst niets door nadat een ongeschoren man onbeleefd tegen hen aan was gebotst. Pas aan boord van het schip dat haar weer verder op reis zou voeren begon de keizerin zich steeds slechter te voelen. Lucheni had een vijl recht in haar hart gestoken – het strakke korset dat ze aanhad hield het bloeden tegen. Toen men het uittrok, stierf ze op slag – ‘Wat is er met me gebeurd?’ waren haar laatste woorden. Geen happy end.

Het is natuurlijk een beetje flauw om de Sissi-films zo langs de meetlat van de geschiedenis te leggen. Ze zeggen waarschijnlijk meer over de situatie van het vlak-naoorlogse Oostenrijk, dan over die van de dubbelmonarchie. Economisch en politiek vermorzeld, beschaamd en internationaal nauwelijks meer meetellend zochten de Oostenrijkers maar al te graag hun heil bij een era uit de vaderlandse geschiedenis die zoveel eleganter, machtiger en sprookjesachtiger leek te zijn. In 1955, het jaar dat de eerste film werd uitgebracht, had Oostenrijk nog maar net zijn souvereiniteit van de geallieerden terug gekregen. Sissi staat daarmee in de traditie van de Heimatfilme – een even snel opgekomen als verdwenen reeks vluchten uit de werkelijkheid, in Zwitserland en Duitsland vertegenwoordigd door de Heidi-serie en producties met chocoladezachte titels als Grün ist die Heide.

Toen het Wirtschaftswunder aan het einde van de jaren ’50 een feit was, verdween ook dat escapistische verlangen. Romy Schneider zou niet zo gemakkelijk van Sissi afkomen als de Oostenrijkse cinema. Ze voelde zich voor eeuwig getypecast: ‘Die Sissi pappt an mir wie Griesbrei,’ schimpte ze erover. Haar latere vertolking van Elisabeth, in Luchino Visconti’s Ludwig (over Sissi’s nog veel mallere neef, koning Ludwig II), was dan ook een soort afrekening. Ze zette een oneindig melancholischer, verscheurder, complexer keizerin neer, die de vermeende krankzinnigheid van de koning van Beieren als een van de weinigen om hen heen herkent als wanhoop. Schneiders eigen leven zou later op een bizarre manier parallel lopen met dat van Elisabeth: ook zij begon na de vroegtijdige dood van haar zoon emotioneel in te storten. Of haar dood – het gevolg van alcohol en slaappillen – zelfmoord of een ongeluk was, is nooit opgelost.

In Marischka’s historische fantasie is van al deze historische en toekomstige narigheid uiteraard niets te merken. Elke Kerst weer vervullen de Sissi-films de rol die ze moesten vervullen in de Duitstalige wereld van de jaren ’50: iets zoets en liefelijks zijn, om heerlijk bij weg te dromen en de grauwe regendag van de werkelijkheid te vergeten. De Hongaren blijven fier, fel en machtig, Franz Joseph wordt nimmer de oorlogszuchtige snorrebaard van de foto’s, Sissi gaat nooit dood en Oostenrijk-Hongarije valt niet uiteen. Gelukkig maar.

Nagenieten op http://www.sissi.de, met heel veel foto’s.