De eerste schoten van de Eerste Wereldoorlog

Impressie van de Habsburgse intocht in Belgrado in december 1914

Het openingsschot van de Eerste Wereldoorlog werd in juli 1914 gelost in Belgrado. Het was een aarzelend begin, maar de Europese grootmachten hadden zich tegen die tijd klem gemanoeuvreerd. De oorlog kon eigenlijk al niet meer anders dan uitgroeien tot het grootste conflict dat de mensheid ooit had gezien.

door Joost van Egmond

Dit artikel verscheen in 2014 in dagblad Trouw/De Verdieping als aflevering in een serie over de Eerste Wereldoorlog

De Habsburgse ambassadeur Wladimir Giesl von Gieslingen had zijn koffers al gepakt toen het Servische antwoord hem bereikte. Twee etmalen eerder had hij namens de regering in Wenen de Serviërs een eisenlijst gestuurd, met maatregelen ter genoegdoening na de moord op aartshertog Franz Ferdinand. Servië had volgens de Habsburgers schuld aan die aanslag.

Het was een onmogelijk ultimatum, bedoeld om Servië ofwel compleet te vernederen, danwel om afgewezen te worden. Servië zou ondermeer alle ophitsing tegen de Habsburgers moeten stoppen en zijn leger zuiveren van iedereen die Wenen niet welgezind was. Bovendien moest het land Habsburgse veiligheidsdiensten op zijn grondgebied toelaten om ‘subversieve elementen’ aan te pakken. Winston Churchill noemde het later ‘het meest schaamteloze document ooit in zijn soort’.

Ridderlijkheid

Bijna koos Servië de vernedering. Het land wilde een oorlog met het tien keer grotere keizerrijk vermijden, en tijd winnen voor onderhandelingen. Veel punten werden direct ingewilligd. Maar niet alles. Premier Nikola Pašić bezorgde zijn repliek persoonlijk bij Giesl. De ambassadeur herinnerde zich later ‘een droevige gewichtigheid’ in de ogen van de premier. Hij noteerde Pašić’ woorden: ‘Een deel van uw eisen hebben we ingewilligd. Voor de rest plaatsen we onze hoop in uw loyaliteit en ridderlijkheid als Oostenrijks generaal.’

‘Ons prestige is diep gezonken. Angst voor rekenschap bestaat hier niet meer’

Maar Giesls loyaliteit lag elders. Hij had zich in berichten aan Wenen al uitgebreid beklaagd over de haat en minachtiging jegens de Habsburgers in Servië. Het land was een broedplaats van Zuid-Slavisch nationalisme dat de eenheid van het Habsburgse Rijk in gevaar bracht. De aanslag op Franz Ferdinand door een groep Bosnische studenten met contacten in Servië dreef de moeizame relatie tussen de grootmacht en het snel opkomende staatje naar het kookpunt.

Wenen was gewaarschuwd voor een kettingreactie. Rusland zou een aanval op Servië hoog opnemen: ‘U zet Europa in brand!’, waarschuwde de Russische minister van Buitenlandse Zaken Sazonov al dagen tevoren. Maar de Habsburgers, gedekt door onvoorwaardelijke steun van hun bondgenoot Duitsland, hadden hun zinnen gezet op een confrontatie met Servië.

Giesl zelf was ervan overtuigd dat Servië de les moest worden gelezen: ‘Ons prestige is diep gezonken. Angst voor rekenschap bestaat hier niet meer.’ Na het onderhoud met  Pašić had Giesl genoeg gezien en hij vertrok een half uur later uit Belgrado. Het zou oorlog worden.

Hoofdstad aan het front

Ver hoefde Giesl niet te reizen. Zijn residentie lag nog geen tweehonderd meter van de Servisch-Habsburgse grensrivier de Sava. Tegenwoordig is de Servische hoofdstad uitgedijd tot ver over de linkeroever, maar destijds was dit drassige gebied deel van het Habsburgse Rijk. Het maakte van Belgrado een grensstad, direct bereikbaar voor de Habsburgse kanonnen. De hoofdstad werd algemeen als onverdedigbaar beschouwd.

Austria has chosen warDe Servische regering had de bui al zien hangen. Toen Wenen zijn oorlogsverklaring stuurde, per gewone post, zat premier Nikola Pašić met zijn ministers al in Niš, 200 kilometer naar het zuiden. Het Servische leger was ook uit Belgrado teruggetrokken.

Toch was er nog tot het laatste moment hoop dat de oorlog vermeden kon worden. Velen vertrouwden op de koortsachtige internationale diplomatie die Wenen op andere gedachten moest brengen. De dag passeerde in Belgrado in ieder geval rustig. Pas toen uit Niš het bericht van het naderend onheil de hoofdstad bereikte, sloeg de paniek toe. Opgewonden jonge krantenverkopers renden door de stad met het laatste nieuws: ‘De oorlog is verklaard!’

‘Mensen probeerden zo snel mogelijk de stad te verlaten’, zegt Vladimir Dulović, een historicus die een rondleiding organiseert door Belgrado over de Eerste Wereldoorlog. ‘Het nieuws van de Oostenrijkse oorlogsverklaring bereikte Belgrado vanuit Niš, aan het einde van de middag van 28 juli. Die avond zaten de uitgaande treinen vol. Mensen klommen op het dak om mee te kunnen.’

De eerste schoten in wat toen nog niet de Eerste Wereldoorlog heette waren gericht op die treinen. Oostenrijkse soldaten konden prijsschieten; het station ligt pal aan de Sava. Doden vielen er toen nog niet, maar de schrik zat er in.

‘Velen vertrokken daarna met paard en wagen, over de weg’, vertelt Dulović. ‘Het waren chaotische taferelen. Overal in de stad klommen mensen op de karren. Sommige boeren rekenden woekerprijzen om stedelingen een paar kilometer verder te brengen.’

Aarzelend begin

pantserschepen bestoken de stad
pantserschepen bestoken de stad

De verdediging van Belgrado was overgelaten aan een ratjetoe van milities: vrijwilligers, douaniers en scholieren. Ze organiseerden zich pas op het laatste moment, maar verzetten zich onverwacht heftig. Wekenlang speelden ze een kat-en-muisspel met het Habsburgse leger. Maar ook Wenen had in haast tot de oorlog besloten en grondig voorbereid was de invasie niet. Het leger nam de tijd en beperkte zich die eerste uren vooral tot verkenningspatrouilles met zogeheten monitorboten, een militaire innovatie uit die tijd. Het waren gepantserde schepen, ondoordringbaar voor het lichte kaliber kogels dat de Serviërs tot hun beschikking hadden. Zo konden ze rustig de rivier op-en-neer varen, bij vlagen onder vuur genomen door de Serviërs.

‘Ieders haar stond overeind, de harten stonden stil en het bloed bevroor in de aderen’

Tot midden in de nacht vrijwel alle ruiten van Belgrado sneuvelden: ‘Een verschrikkelijke explosie deed de huizen op hun grondvesten schudden’, schrijft Sveta Milutinović, een chroniqueur van die eerste dagen. Direct daarop volgden schoten. ‘Ieders haar stond overeind, de harten stonden stil en het bloed bevroor in de aderen.’ De verdedigers hadden de spoorbrug over de Sava opgeblazen, de enige verbinding tussen beide oevers in die tijd.

Het was de eerste van vele explosies. Het Habsburgse leger besloot de stad murw te bombarderen en nam Belgrado genadeloos onder vuur. De laatste achtergebleven bewoners van de rivieroever zochten een goed heenkomen.

Ook het beroemde Hotel Moskou werd geraakt
Ook het beroemde Hotel Moskou werd geraakt

Sveta Milutinović schreef later: ‘In de wijken die het meest waren blootgesteld aan granaten, bleven in de huizen alleen de katten over. Toen ze terugkwamen vonden de bewoners ze verwilderd, vel over been, woest en hongerig – in drommen keerden de verweesde dieren zich tegen hun voormalige eigenaren.’

Belgrado werd wekenlang gebombardeerd. Het conflict groeide in de tussentijd uit tot de Eerste Wereldoorlog. Op 1 augustus mengde Duitsland zich in de strijd met een oorlogsverklaring aan Rusland, drie dagen later vielen de Duitsers België binnen. Een lokaal conflict had Europa in vlammen gezet.

De eerste slachtoffers van de Eerste Wereldoorlog vielen aan de oever van de Sava, globaal in de buurt van het treinstation van Belgrado, waar Servische milities en Habsburgse pantserboten elkaar in de avond van 28 juli 1914 onder vuur namen. Mythe of niet, een overlevering wijst de eerste twee met vrij grote precisie aan.

Op de stadsbegraafplaats van Belgrado, in de sectie voor Oostenrijk-Hongaarse oorlogsdoden, staat nog altijd een monument voor de Hongaarse soldaat Istvan Balogh. Balogh verliet even de beschutting van zijn pantserboot om aan te leggen voor een schot, en werd zelf getroffen.

Gedenkplaat voor Dušan Đonović. 'Eerste slachtoffer van de Eerste Wereldoorlog'
Gedenkplaat voor Dušan Đonović. ‘Eerste slachtoffer van de Eerste Wereldoorlog’

De eerste dode aan Servische kant viel vrijwel tegelijkertijd onder de verdedigers van het station. De zestienjarige scholier Dusan Djonovic kreeg al na enkele dagen een overlijdensbericht als ‘eerste slachtoffer van onze grote oorlog’ in de krant Politika: ‘Zodra Oostenrijk de oorlog verklaarde, nam Dusan Djonovic een geweer op en meldde zich als vrijwilliger. Hij wist dat hij viel voor het hele Servische volk, getroffen door een Oostenrijkse kogel van de overkant van de Sava, terwijl hij de vrijheid van Belgrado verdedigde.’ Inmiddels hangt er ook een herdenkingsplaat in de handelsschool in de oude stad van Belgrado waar hij studeerde.

Djonovic en Balogh waren wellicht de eersten om te sneuvelen. Ruim negen miljoen soldaten zouden hen volgen.

Joost van Egmond
Over Joost van Egmond 43 Artikelen
Joost van Egmond is journalist. Hij publiceerde ondermeer bij de NOS, Trouw, Time magazine, Nieuwsuur, Vrij Nederland, de Groene Amsterdammer en Bloomberg. Joost woonde en werkte in Belgrado van 2010 tot 2015. Hij begrijpt nogal veel van wat zich afspeelt in Zuid-Oost-Europa en treedt geregeld op als balkandeskundige. Schreef het hoofdstuk over Joegoslavië en Albanië voor Het Oostblokbloek (Nieuw Amsterdam 2014) Sinds 2016 is Joost hoofdredacteur van Donau.