De historicus die de Oekraïners een eigen geschiedverhaal gaf

Een Oekraïense postzegel ter ere van historicus Mychajlo Hroesjevsky uit 1995

Ruslands president Vladimir Poetin vindt dat de Oekraïners en Russen één volk zijn en Kiev de moeder aller Russische steden is. Zijn naamgenoot, de Kievse vorst Vladimir, bekeerde in 988 wat hem betreft Rusland tot het christendom. Ook de meeste Russen zien Oekraïne als een stuk van hun land, de Oekraïense onafhankelijkheid na 1991 hebben ze nooit helemaal serieus genomen. Dat is niets nieuws, al in het Russische tsarenrijk werd met een imperiale blik naar Oekraïne gekeken, als ‘Klein-Rusland’ kreeg het een ondergeschikte plaats. Ook prominente historici schreven in die geest.

Mychajlo Hroesjevsky verwierp deze zienswijze. De Oekraïense historicus werd in 1866 geboren in Cholm (nu Chełm in Polen) als zoon van een leraar en groeide op in een hoofdzakelijk Russischtalige omgeving in de Kaukasus-regio, toen ook deel van het Russische rijk. Maar het besef een Oekraïner te zijn werd hem met de paplepel ingegoten.

Door Marc Jansen

Dr. Marc Jansen (1946) is gespecialiseerd in het hedendaagse Rusland en Oekraïne. Hij schreef diverse boeken waaronder het onlangs verschenen Grensland: Een geschiedenis van Oekraïne.

Op zijn twintigste ging Hroesjevsky geschiedenis studeren aan de universiteit van Kiev, eveneens onder Russisch bewind maar sterk beïnvloed door het oplevende Oekraïense nationale gevoel. De professoren van wie hij college kreeg werden daardoor meegesleept en hij zette hun werk voort. In 1894 werd hij zelf hoogleraar in de Oekraïense geschiedenis aan de universiteit van Lemberg, Lviv voor Oekraïners. Dat hoorde toen bij het Habsburgse rijk, waar de Oekraïense natiegedachte meer ruimte kreeg dan in Rusland. Hij zette zich er aan het schrijven van wat – naast een hele reeks andere boeken en artikelen – zijn levenswerk zou worden, de tiendelige Geschiedenis van Oekraïne-Roes dat tussen 1898 en 1936 verscheen.

Eigen nationaliteit

Op grond van uitgebreid bronnenonderzoek bestreed hij daarin de rechtstreekse connectie die in Rusland werd gelegd tussen ‘Roes’ en het vorstendom Moskou. Roes was de staat met Kiev als hoofdstad die vanaf eind negende eeuw het gebied ten noorden van de Zwarte Zee beheerste. Het vorstendom Moskou kwam pas in de veertiende eeuw op en ging begin achttiende eeuw over in het Russische keizerrijk.

De bewoners van Roes hadden volgens Hroesjevsky een eigen nationaliteit. Zij waren ‘Roetheniërs’, van wie de latere Oekraïners afstamden. Hij vond ze veel westerser en cultureel ontwikkelder dan de toekomstige Russen, die volgens hem sterk waren beïnvloed door de Mongolen of Tataren die twee eeuwen over hen hadden geheerst.

Na de verovering van Kiev door de Mongolen begin dertiende eeuw werd Roes in zijn ogen niet voortgezet door Moskou, maar door het vorstendom Galicië dat vervolgens opging in het sterk onder Roetheense invloed staande vorstendom Litouwen. Pas toen Litouwen in 1569 een unie met Polen sloot, kwam aan deze invloed een einde. Maar nu hadden de vrije kozakken die zich rond de benedenloop van de rivier de Dnepr hadden verzameld de erfenis overgenomen. Hun hoogtepunt bereikten zij midden zeventiende eeuw, toen ze onder leiding van hun ‘hetman’ Bohdan Chmelnytsky de Polen versloegen.

Voor Hroesjevsky was dit een tijd van nationale en religieuze bevrijding. Maar Moskovië bracht de kozakken onder zijn controle. Het eigende zich ook de naam (‘Rusland’) en het erfgoed van Roes toe. ‘Klein-Rusland’ werd Moskous vazalstaat. De westelijke ‘Roetheense’ gebieden bleven in handen van Polen, tot ze na de Poolse delingen van eind achttiende eeuw aan het Habsburgse rijk toevielen.

Loyaliteit

Toen in 1914 de Eerste Wereldoorlog uitbrak, stonden het Habsburgse en het Russische rijk en dus ook de Oekraïners in beide rijken tegenover elkaar. Hroesjevsky besefte dat zijn verblijf in het land van de vijand koren op de molen zou zijn van de anti-Oekraïense beweging in Rusland en besloot terug te keren naar Kiev. Maar de Russische autoriteiten waren niet overtuigd van zijn loyaliteit en arresteerden hem onmiddellijk om hem te verbannen naar Simbirsk. Via Kazan kwam hij tenslotte in Moskou terecht, waar hij het begin van de revolutie van 1917 meemaakte. Hij spoedde zich naar Kiev en kreeg daar al gauw een eminente rol in de Oekraïense revolutie. Hij schopte het tot voorzitter van de leidende ‘Centrale Rada’, was dus zeg maar de eerste president van het sinds de jaarwisseling van 1917-1918 onafhankelijke Oekraïne. Hij sloot zich aan bij de radicale partij van de socialisten-revolutionairen, die een vorm van agrarisch socialisme propageerde. Maar toen hetman Pavlo Skoropadsky in april 1918 met Duitse steun een staatsgreep pleegde en de Rada naar huis stuurde, was de parlementaire fase van de Oekraïense revolutie voorbij.

Hroesjevsky trok zich uit de actieve politiek terug. Begin 1919 emigreerde hij naar Centraal-Europa, terwijl hij scherpe kritiek uitoefende op de bolsjewieken, hun verovering van het grootste deel van Oekraïne en de manier waarop zij daar binnen een mum van tijd hun nietsontziende vorm van socialisme probeerden in te voeren.

Etalage voor het buitenland

Was het Oekraïne-beleid eerst sterk Moskou-centrisch, in de jaren twintig zag de bolsjewistische regering in dat er alleen een toekomst voor de Sovjet-Unie was als de Oekraïners en andere niet-Russen zich er thuis voelden. Hun talen kregen nu bescherming en ze werden veel meer dan in het Russische tsarenrijk gebruikelijk was bij het regionale bestuur betrokken. Dit oekraïniseringsbeleid was mede bedoeld als een etalage voor het buitenland, bijvoorbeeld om de sympathie te wekken van de miljoenen Oekraïners in het na de Eerste Wereldoorlog herrezen Polen.

Veel voorheen kritische emigranten besloten onder deze omstandigheden naar de Sovjet-Unie terug te keren en een van hen was in maart 1924 Hroesjevsky. Hij werd een gerespecteerde figuur in de Sovjet-Oekraïense historische wereld, kreeg de afdeling voor Oekraïense geschiedenis binnen de Oekraïense Academie van Wetenschappen onder zijn leiding en kon zijn wetenschappelijke werk voortzetten.

Het was een heel vruchtbare periode in zijn leven, al moest hij de nodige compromissen sluiten en bleef vooral de geheime politie een oogje op hem houden. Eind jaren twintig al sloeg de stemming weer om. Marxistische scherpslijpers namen Hroesjevsky als nationaal, ‘burgerlijk’ historicus onder vuur, maakten hem zelfs uit voor ‘fascist’. In maart 1931 werd hij gearresteerd. De straf viel mee, verbannen naar Moskou kon hij daar doorwerken. Hij overleed op 25 november 1934 tijdens een vakantie in Kislovodsk in de Noordelijke Kaukasus, volgens zijn biograaf, de Harvard-historicus Serhii Plokhy, ‘onder verdachte omstandigheden’. Hij kreeg nog een eervolle begrafenis en de uitgave van zijn werken werd niet direct gestaakt. Daaraan kwam pas een einde na de arrestatie van zijn dochter Kateryna op het hoogtepunt van de stalinistische terreur in 1938; zij verdween naar de Goelag.

Voortaan stond in de heersende geschiedopvatting Rusland weer centraal. Er kwam een Sovjet-Russische imperiale ‘geschiedenis van de volkeren van de USSR’: een in naam vriendschappelijke volkerenfamilie met de Russen als ‘oudste broer’. De Oekraïners moesten genoegen nemen met de positie van jongere broer, al was er voor hun Sovjetrepubliek binnen dit kader wel een royalere plaats dan voor de Klein-Russische provincies in het tsarenrijk. In 1939 werd zij als resultaat van het Molotov-Ribbentroppact uitgebreid met de voorheen Poolse provincies Galicië en Volynië, een hereniging die Hroesjevsky vast zou hebben toegejuicht. Na 1991 werd Hroesjevsky in het onafhankelijke Oekraïne opnieuw een gerespecteerde figuur.

Toch is zijn doel niet volledig bereikt. De huidige oorlog in het oosten van Oekraïne hangt samen met de meningsverschillen tussen Moskou en Kiev over de soevereiniteit en historische rol van Oekraïne. Die maken duidelijk dat Hroesjevsky met zijn Oekraïense geschiedverhaal de meeste Russen en zeker hun president nog altijd niet heeft kunnen overtuigen.