De innerlijke ellende-steegjes van het 19e eeuwse Belgrado

Geschatte leestijd: 4 minuten
Nataša Mišković, Basare und Boulevards: Belgrad im 19. Jahrhundert 
(Böhlau Wien: Wenen, 2008); 420 blz. illustraties) 
Prijs: 39 euro

‘Nog altijd leven in ons de donkere hoeken, de geheimzinnige gangen, de blinde ramen, de vervuilde binnenplaatsen, de lawaaiige kroegen en de stille logementen. Wij lopen door de brede straten van de nieuw opgebouwde stad. Maar onze schreden en blikken zijn onzeker. Innerlijk leven wij nog altijd in de oude ellende-steegjes.’ 

  • Recensie door: Stefan van der Poel

Aan deze woorden van Franz Kafka moest ik regelmatig denken bij het lezen van ‘Basare und Boulevards. Belgrad im 19. Jahrhundert’ van Nataša Mišković. Kafka refereert aan de grote sanering van Praag in 1895 waarbij ook het oude Josefov (de Joodse wijk) op de schop ging. 

De grote sanering

Bij Mišković staan de ontwikkelingen in het 19e eeuwse Belgrado centraal, een eeuw die ze tot 1914 laat doorlopen. Belgrado beleefde tussen 1865 en 1870 haar sanering nadat de Moslims waren verdreven. En net als in Kafka’s citaat tracht Mišković aan te tonen dat de ‘uiterlijke’ stad dan wel op de schop ging, maar dat de muren van die ‘innerlijke’ veel robuuster bleken: de onderlinge verhoudingen, de waarden en mentaliteiten veranderden slechts zeer geleidelijk. Juist deze minder zichtbare aspecten tracht Mišković naar voren te halen, zo worden de persoonlijke ervaringen en meningen op mooie wijze gekoppeld aan de ‘grote geschiedenis’, waardoor een vorm van historische antropologie ontstaat. 

Naast uitvoerige wetenschappelijke literatuur en vele archieven (waaronder politie-archieven) bestudeerde ze tevens reisverslagen, literatuur en etnografische geschriften uit de tijd zelf. Haar deels Servische achtergrond zal hier zeker bij hebben geholpen. Het resultaat van al dit onderzoek leverde in 2002 een proefschrift op en ‘Basare und Boulevards’ is daar weer een bewerking van. Het is uitgegeven door het geschiedenisinstituut van de universiteit van Graz (Oostenrijk), ‘Abteilung Südosteuropäische Geschichte’. 

Mišković vult zo een leemte want sinds 1974 was er geen serieuze stadgeschiedenis van Belgrado meer verschenen. Daarbij was de driedelige ‘Istorija Beograda’ (1974) niet alleen ideologisch aan vervanging toe, maar ook slechts toegankelijk voor lezers die het Servo-Kroatisch machtig waren.

Niets verdwijnt helemaal

Bewust heeft Mišković er voor gekozen in haar titel geen lineair proces van europeanisering en modernisering te suggereren, dus geen: ‘Van bazaars tot boulevards’, maar ‘Bazaars en boulevards’. Het een kwam namelijk slechts ten dele in de plaats van het ander. 

Mišković laat zien hoe deze sinds 1521 Ottomaanse stad in de loop van de 19e eeuw is overgenomen door Serviërs die vanuit de omringende dorpen naar Belgrado trokken op zoek naar een beter bestaan. In de loop van de 19e eeuw wordt de moslimbevolking verdrongen door de christenen en vanaf 1860 simpelweg uit de stad verdreven. In 1878 is de Ottomaanse soevereiniteit definitief ten einde en worden de vele moskeeën en de Čaršija-bazaar afgebroken of vervangen. Het is in deze tijd dat Belgrado veranderde van een oriëntaals aandoend garnizoensplaatsje in een stad met brede boulevards die niet alleen uitnodigen tot flaneren, maar haar ook een Europees uiterlijk moesten geven.  

En met deze uiterlijke sanering volgde het aanmeten van een nieuwe identiteit (een mooi staaltje van ‘invented tradition’). De landelijke, verheerlijkte egalitaire levenswijze van de Servische christenen botste immers met de stedelijke, Ottomaanse erfenis en het streven naar Europeanisering. Op overtuigende wijze laat Mišković zien dat vanaf deze tijd de Kosovo-mythe begon te fungeren als ijkpunt binnen de nieuw te vormen identiteit. De mythe diende de gemeenschappelijke strijd tegen de Ottomanen te onderstrepen waarbij tevens de nog bestaande armoede en ellende beschouwd moesten worden als een relict uit de nare Ottomaanse tijd. Verder maten de (christelijke) Serven zich steeds meer een Slavische voortrekkersrol aan waarbij geheel Zuidoost Europa van, opnieuw, Ottomaanse invloed gezuiverd diende te worden en verenigd binnen één Slavisch rijk. En zo werd het Servische ‘wij-gevoel’ in de eerste plaats een ‘niet-moslim-wij-gevoel’. Vanaf 1878 was iemand Serviër wanneer hij/zij een christelijke naam droeg, lid was van de Servisch-orthodoxe kerk en de bijbehorende christelijke feestdagen vierde. 

De tijd om wraak te nemen voor de geleden nederlaag tegen de Turken (Kosovo – Slag bij het Merelveld 1389), was aangebroken. Niet alleen Moslims kregen het moeilijk, ook Joden en leden van andere christelijke niet-Servische minderheden leden onder beperkende maatregelen.

En zo komen we al akelig dicht bij de gewelddadigheden die we na de val van de muur in deze regio zagen plaatsvinden. (Toen Mišković aan haar proefschrift werkte, vielen NAVO-bommen op de Servisch hoofdstad.)

Belgrado wilde maar niet Europees worden

Maar hoe zeer men ook poogde zich te ontdoen van Ottomaanse relicten, op tal van vlakken bleef er dus ook continuïteit bestaan. Klederdracht, taal, gewoontes: ze hielden stand. Ook eindigden studenten, net als onder de Ottomanen, veelal in het leger of in de burocratie en was het de veel verheerlijkte landbouwbevolking (op het platteland bestond immers nog het ware, harmonieuze Servische leven) die de belastingen diende op te hoesten (wederom net als onder de Ottomanen). Ook de gezinssituatie wilde maar niet gelijken op die in het moderne Europa en bleef uiterst conservatief: familiebanden waren nauw, vrouwen oefenden slechts informele macht uit, de moederrol werd verheerlijkt en de moeder-zoon verhouding zouden wij heden ten dage als uiterst ongezond bestempelen.

Nee, de positie van vrouwen rond 1900 in Belgrado was niet bepaald benijdenswaardig. Mišković eindigt haar boek dan ook in mineur. Haar laatste regel luidt: ‘Sie aßen zuletzt, litten unter den hohen Gewalt- und Geburtenrate und übernahmen die zusätzliche Arbeit, wenn die Männer in die Stadt abwanderten oder ihre Sorgen im Suff ertränkten’.

Stefan van der Poel
Over Stefan van der Poel 23 Artikelen
Stefan van der Poel is universitair docent bij de vakgroep Geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen. Zijn belangstelling gaat vooral uit naar de Joodse en Midden-Europese geschiedenis. In 2004 promoveerde hij op Joodse stadjers. De joodse gemeenschap in de stad Groningen, 1796-1945.