De meester van perspectief en variatie: Karel Čapek in het Nederlands

Karel Čapek (1890-1938)
Karel Čapek (1890-1938)
Geschatte leestijd: 10 minuten

Donau-redacteur Charlotte van Rooden beschouwt het werk van Karel Čapek (1890-1938), een van de belangrijkste Tsjechische schrijvers van de twintigste eeuw. Ze bespreekt de drie voor het eerst in het Nederlands vertaalde kinderboeken en de heruitgave van de klassieker Oorlog met de Salamanders.

Karel Čapek had niet per se iets met kinderen, schrijft Edgar de Bruin, een van zijn vertalers, in het nawoord van het fraai uitgegeven kinderboek Dasja, oftewel het leven van een pup (Voetnoot 2019). Wel was hij er rotsvast van overtuigd dat je kinderen aan rijke taal moet blootstellen: ‘Als ik kleine kinderen van vier, vijf jaar en ouder zie, dan verbaas ik me over hun welhaast bezeten behoefte aan taal, over hun liefde voor woorden, over hoe gelukkig ze zijn als ze een nieuw woord ontdekken. Daarom vind ik dat de literatuur voor kinderen zich van de rijkste en sprankelendste taal moet bedienen. […] Daar draait voor mij de kinderliteratuur om. Kinderen zo veel mogelijk woorden en ideeën aanreiken en zo hun vermogen om zich uit te drukken aanwakkeren – vergeet niet: woorden zijn immers gedachten, het volledige geestelijke kapitaal.’ 

Door Charlotte van Rooden

Deze woorden zullen velen van ons doen denken aan onze beste kinderboekenschrijfster, Annie M.G. Schmidt, of aan het recente nieuws dat de leesvaardigheid van Nederlandse jongeren tot ver onder het gemiddelde van andere EU-landen is gedaald. Zelf wist ik niet dat Čapek naast literair werk, dystopische sciencefiction, journalistiek werk, reisverslagen en theaterteksten ook kinderliteratuur had geschreven, maar de drie kinderboeken die sinds kort in het Nederlands zijn uitgegeven, getuigen inderdaad van een vurige passie voor taal, die overtuigend vertaald is. Het woordplezier en taalgevoel spat van de pagina’s. Een klein voorbeeld is de (kindvriendelijke) Nederlandse scheldkanonnade van Edgar de Bruin in ‘Een tweede roverssprookje’ (op alfabetische volgorde en met onder andere de pareltjes ‘galgenbrok’, ‘jandoedel’, ‘klapsigaar’, ‘pepermuntvreter’ en ‘snotpegel’).

Uit de Nederlandse vertalingen van Irma Pieper, Edgar de Bruin en Kees Mercks blijkt de fantastische variëteit van het werk van Čapek en zijn broer Josef. Het meest recent verschenen de tien sprookjes die Karel samen met zijn broer Josef Čapek schreef, illustreerde en uitgaf (oorspr. 1932, vertaling en nawoord Edgar de Bruin), bij Stichting Voetnoot, mét de oorspronkelijke illustraties. Daarvoor publiceerde Voetnoot in 2019 en 2021 bovendien twee bijzondere uitgaves van Čapeks kinderboeken, eveneens vertaald door Edgar de Bruin en ook voorzien van werkelijk geweldige en oorspronkelijke illustraties van de twee broers.

Spel met perspectief

Vorig jaar verscheen bovendien bij de Wereldbibliotheek de vierde druk van de klassieker Oorlog met de Salamanders (oorspr. 1936, vertaling en nawoord Irma Pieper), die dezelfde passie voor taal en Čapeks spel met perspectief aan de dag legt. Beide komen goed naar voren in de soepelheid waarmee Pieper de uiteenlopende genres, stemmen, perspectieven en documentstijlen in het boek heeft vertaald. Al is hij niet geïllustreerd, deze uitgave blinkt bovendien uit dankzij de afwisselende, bonte vormgeving van de losse fragmenten van krantenknipsels en verslagen (en de bijbehorende voetnoten).  

In dit stuk bespreek ik de drie voor het eerst in het Nederlands vertaalde kinderboeken en de heruitgave van de klassieker Oorlog met de Salamanders. Deze boeken tonen allemaal Čapeks passie voor taal, de meerstemmigheid in zijn werk, en het wereldbeeld dat we als mensen verantwoordelijkheid dragen voor de anderen om ons heen. Ook de kinderboeken zijn, hoewel zeker vrolijker dan de bekende klassieker (een dystopie over de gevolgen van menselijke arrogantie en hebzucht) op hun eigen manier confronterend.

Dasja, oftewel het leven van een pupDasja, oftewel het leven van een pup (oorspr. 1933, Nederlandse vertaling en nawoord Edgar de Bruin, Voetnoot, 2019) volgt een heldere opbouw. In de eerste drie hoofdstukken worden – in fantastische taal en met veel inlevingsvermogen voor de kinderlijke lezer – de ontwikkelingsfases van de pup verhaald. In hoofdstuk vier laat Čapek in grandioze illustraties zien wat jonge honden de hele dag uitspoken. Vervolgens geeft hij advies over hoe je een foto kunt maken van een pup, wat fascinerend is als je je bedenkt hoe moeilijk dat moet zijn geweest in 1933. Gelukkig blijft hij optimistisch. ‘Het lukt wonderwel, vast door de verhaaltjes.’ Die deelt hij in het volgende hoofdstuk, ‘Verhaaltjes voor Dasja zodat ze stil blijft zitten’. In ‘Pas op voor de hond’, kan de jonge (of oudere) lezer genieten van het resultaat: foto’s van Dasja. Het boekje wordt afgesloten met een nawoord van Edgar de Bruin waarin hij wijst op de onderliggende tragiek: ‘Čapek verhult zijn lezertjes niet dat elk kind als het groot is het ouderlijk huis zal verlaten en dat dit ook pijnlijk is. Dit geldt eveneens voor de temperamentvolle Dasja: ook zij moet op een gegeven moment het huis uit.’ 

In Pudlenka, of… ik had een hond en een kat (oorspr. 1933, ook vertaald door Edgar de Bruin, Voetnoot 2021) doet de schrijver uit de doeken hoe hij zelf van katten en honden is gaan houden. Dat gaat niet vanzelf, maar is een vermakelijk, ontroerend avontuur. Čapek diept de relatie tussen hond en mens en kat en mens uit. Hij gaat in op de machtsverhoudingen, de verschillende soorten, het nationalisme achter hondenrassen (‘Europa, dit kerkhof van beschavingen, is ook het kerkhof van de hondenrassen’), het kapitalisme achter hondenfokkerij en kynologie, de ontwikkeling van de relatie dier-mens en de verplichte honden-vakken: ‘achtervolgen, aanvallen, je vijand in de nek grijpen, graven in bloembedden, alle voorwerpen meenemen, op alles kauwen wat niet beweegt,’; en de facultatieve vakken: ‘dansen, je staart proberen te pakken, op de schoot van mensen klauteren, door het hek naar de buren kruipen, enz.’ De schrijver deelt ook een aantal sterke meningen. Hij vindt onder meer dat te grote honden, ‘kalveren op hoge poten,’ niet in een flat of appartement mogen worden opgesloten.

Tere kinderhart

Pudlenka, of… ik had een hond en een katIn Pudlenka zitten een paar ontroerende, wellicht vrij zware passages voor het tere kinderhart. Als de schrijver met te veel puppy’s blijft zitten, zoekt hij iemand die de overtollige jonkies kan verzuipen. De gespierde en geharde betonstorters die voor zijn huis aan het werk zijn, kunnen het niet over hun hart verkrijgen, dus moet de jonge tuinman met de lieve ogen het doen. En hoewel het stuk over de onsterfelijke kat optimistisch lijkt, komt daar ook menig kattendood in voor. Het ontroerendst vind ik de aan het nawoord toegevoegde anekdote van Čapeks vrouw, Olga Scheinpflugová (1902-1968), die zoals de schrijver zijn huisdieren beschreef, op de laatste pagina’s de schrijver zelf in het voetlicht stelt. Tijdens een wandeling was hij afgedwaald en zoekgeraakt. Als ze hem weer vinden blijkt dat hij met een ‘reusachtige, schitterende kat’ om het leven van een ‘lelijke, piepende muis’ heeft gevochten. Scheinpflugová schrijft: ‘Het is geen vrolijk verhaal, maar het is Karel Čapek ten voeten uit: iemand die ook in de natuur de kant van de zwakkeren kiest.’  

9 sprookjes + 1 extraAlle tien de sprookjes in de rijk geïllustreerde bundel 9 sprookjes + 1 extra (oorspr. 1932, de Bruin, Voetnoot 2023) zijn vermakelijk. Het rijke Nederlands spettert van het papier en de illustraties maken het boek een must-have. Uiteraard geven de sprookjes verklaringen voor zaken in de echte wereld, zoals hoe de prachtige verzameling vlinders in het Nationaal Museum in Praag terecht is gekomen of waarom de Rode Zee rood is. Verder legt het hondensprookje uit waarom honden altijd kuilen willen graven en is het zwerversprookje een les in de geografie. De sprookjes, op zich een universeel genre, laten hier en daar ook de Tsjechische context doorschemeren en zijn dus bij uitstek geschikt om kinderen – geheel in lijn met de ambities van de schrijver – nieuwe woorden, ideeën en beelden aan te reiken. Mijn persoonlijke favoriet is het Postbodessprookje, waarin de postkabouters klaverjassen met brieven, die een bepaalde waarde hebben afhankelijk van de emoties die in de brief zijn gelegd. Zo hebben ‘kattenbelletjes die mensen elkaar sturen om de ander blij te maken’ de waarde van een boer. Kortom, de algemene opvoeding kan met de kinderboeken van Karel Čapek beginnen, goed ter lering ende vermaak.     

De recente heruitgave van Irma Piepers vertaling van Oorlog met de Salamanders kun je als sprookje voor volwassenen ook lezen voor je plezier, en morele of politieke opvoeding. Het boek werd voor het eerst in 2011 uitgegeven, inclusief nawoord. Daarin schreef de vertaalster dat het niet moeilijk is om ‘in tijden van klimaatverandering en de dictatuur van de kwantiteit’ in het verhaal over de Salamanders parallellen met de actualiteit te zien. Die parallellen zijn alleen maar sterker geworden door de toenemende geopolitieke spanningen, bewapening en oorlog in Europa.

Les in politiek

Het lezen van de klassieker (oorspronkelijk uitgegeven in 1936) is een les in politiek. Het is een moderne (‘postmodern avant la lettre’, volgens Pieper), complexe en confronterende versie van de Tovenaarsleerling waarin de mens ten onder gaat aan zijn eigen hebzucht en arrogantie. Het boek behandelt onderwerpen als kapitalisme en de klassenstrijd, kolonialisme en racisme, het dansen op de rand van de vulkaan, en zo nog wel meer thema’s die zowel in het interbellum als in de huidige tijd relevant zijn. In deze parodie veroordeelt Čapek de kortzichtigheid van de (hyper-)kapitalistische samenleving, die enkel uit is op gewin, en legt met zijn briljante perspectiefwisselingen de vinger op de zere plek: in hun omgang met de Salamanders laten de mensen al hun verantwoordelijkheid voor de ander (de dieren zelf, maar ook voor hun medemens) varen.  

Oorlog met de SalamandersOp een verre expeditie stuit Kapitein Van Toch (van wie iedereen aanvankelijk denkt dat het een Nederlander is) op bijzondere pientere, zo blijkt, en behulpzame beesten: opvallend grote, op hun achterbeen waggelende salamanders, die later verwant blijken aan het ooit omstreden fossiel uit het mioceen, de Andrias scheuchzeri, een uitgestorven reuzensalamander. Van Toch wordt gewaarschuwd niet naar het eiland te varen waar ze voorkomen, want daar zijn duivels, waarop hij monter reageert: ‘Er bestaan geen duivels, man. En bestonden ze wel, dan zouden ze eruit moeten zien als Europeanen.’  

Van Toch ziet potentieel in de Salamanders, maar wil hen niet zomaar uitbuiten (‘ook tegenover dieren moet je eerlijk zijn’), dus sluit hij een deal. Zij vissen voor hem parels uit de diepte en hij levert hun wapens om zich tegen hun natuurlijke vijand (de haai) te verdedigen. De kapitein besluit er een grotere onderneming van te maken. Dankzij een investering van de geldschieter Bondy kan hij de Salamanders verspreiden naar nieuwe eilanden en verre kusten, met als gevolg dat de parelindustrie zo’n ongelofelijke boom doormaakt, dat de eens zo begeerde stenen in waarde kelderen.  

Na de dood van kapitein Van Toch en de teloorgang van de parelindustrie zijn de investeerders van het bedrijf dat was opgezet voor de visserij door de Salamanders het erover eens dat de dieren, die gemakkelijk leren praten en onder water onder meer als dijkbouwers wonderen kunnen verrichten, ook voor andere industriële doeleinden geschikt zijn. Kapitein Van Toch had een visie gehad, benadrukken ze, maar hij had die beesten ook te zeer vertroeteld, te zeer gerespecteerd. Het blijven beesten. Het bedrijf besluit als Salamandersyndicaat verder te gaan, de intelligente wezens niet alleen te blijven kweken maar in feite de hele economie in te stellen op de S-trade (Salamanderhandel, niet te verwarren met de slavenhandel), waarin Salamanders kunnen worden verhandeld als ‘arbeiders van de zee’. Het initiatief berust op de arrogante notie van de maakbaarheid van de natuur; niet alleen de Salamanders zelf, maar ook de natuur willen de mensen beheersen. Al snel overtreffen de Salamanders de mensen met afstand in aantallen. 

Het tweede deel van het boek bestaat uit wetenschappelijke berichten, krantenartikelen, memoires, verslagen en economische rapporten, anekdotes over de verspreiding en de verdere ontwikkeling van het Salamandervolk. In tegenstelling tot andere romans van Čapek, waarin hij meerstemmigheid gebruikt om twijfel op te wekken (je hebt in dit geval de titel van het boek niet nodig om te weten waar deze onderneming op uit zal lopen), geven de multifocale berichten in Oorlog overtuigend kleur en diepgang aan de wereld waarin de dystopie zich ontvouwt en bieden een veelvoud aan perspectieven voor hoe die eruitziet, eruit zou moeten zien en eruit zal zien.

Gruwelijke details

Zo gaat het in het tweede deel onder meer over het geslachtsleven van de Salamanders, de (opvallende) vruchtbaarheid, de verschillende soorten Salamanders die worden gekweekt, de werkplaatsen waar ze worden ingezet, persoonlijke ontmoetingen met Salamanders, hun taalontwikkeling en opvoeding, initiatieven voor sociale wetgeving. Bijzonder pijnlijk is het verslag van de experimenten die op de Salamanders worden uitgevoerd om te kijken onder welke werkomstandigheden zij het best kunnen werken (ook op het droge, mits ze niet in de volle zon staan en af en toe nat gesproeid worden) waarin op zakelijke wijze wordt gerapporteerd aan welke kwellingen de dieren binnen het experiment zijn onderworpen om optimale kennis over hun lichaam te vergaren: ‘Er is geen ander dier dat elk mogelijk letsel zo trotseert als juist de Salamander. Wat dat betreft zou het een eersteklas, vrijwel onverwoestbaar oorlogsdier zijn; helaas staan zijn vredelievendheid en natuurlijke weerloosheid hem daarbij in de weg.’ Het rapport eindigt met gruwelijke details over het tragische einde van Salamander Hans, die door zijn onderzoekers wordt opgegeten.  

In deel drie wordt uit de doeken gedaan hoe dit onvermijdelijk uitliep op een alles vernietigende wereldoorlog met de Salamanders. In 1936, twee jaar voor zijn dood (op eerste kerstdag 1938, bijna drie maanden na de ondertekening van het Verdrag van München, waar Groot-Brittannië en Frankrijk Tsjecho-Slowakije uitleverden aan nazi-Duitsland), schreef Čapek dat tegen de Salamanders ‘ook de Duitsers niet opgewassen’ waren. Meneer Povondra, de portier van meneer Bondy, had kapitein Van Toch in een grijs verleden binnengelaten bij zijn baas, waardoor de Salamanderhandel als kleine onderneming kon beginnen. Povondra had eerder met een zekere trots (en opgeblazen gevoel voor eigenbelang) vastgesteld dat hij persoonlijk een rol had gespeeld in de wereldgeschiedenis, en daarom alle krantenknipsels, berichten en verslagen over de wezens verzameld. Als het front van de Salamanders uiteindelijk zelfs het voormalig door land ingesloten Bohemen bereikt, kan hij dan ook (‘Dit is het einde!’) niets anders dan verantwoording nemen voor het gebeurde. ‘En zo richt je, zonder dat je er ook maar iets aan hebt, de hele wereld te gronde…’

Holland

Het is opvallend dat er zowel in de kinderboeken als in Oorlog met de Salamanders vrij veel verwijzingen naar Holland (en in het laatste geval ook Nederlands-Indië) voorkomen. Irma Pieper wijst er daarnaast in haar nawoord op dat de versteende resten van Andrias scheuchzeri in het Teyler Museum te Haarlem liggen. In het boekje Prenten van Holland (Moldaviet 7, uitgekomen bij Voetnoot in de (her-)vertaling van Kees Mercks) staan de indrukken van Čapek van Nederland, waar hij in 1931 in het kader van een PEN-congres op bezoek was, geïllustreerd met kleine, simpele schetsjes van zijn eigen hand.  

Al met al mogen we de drie vertalers Tsjechisch en de uitgeverijen Wereldbibliotheek en Voetnoot dankbaar zijn voor de ontsluiting van het prachtige en uiterst gevarieerde werk van Karel Čapek. Eerder verscheen onder meer de trilogie Een doodgewoon leven, Meteoor en Hordubal bij de Wereldbibliotheek in de vertaling van Irma Pieper, waarin de Tsjechische schrijver speelt met perspectief en de lezer laat twijfelen aan de ‘de kenbaarheid’ van de mens. De Wereldbibliotheek publiceerde daarnaast recent nog Piepers vertalingen van Krakatiet en Leven en werk van de componist Foltýn. Het wordt ook duidelijk dat het Nobelcomité zeven keer een verkeerde beslissing heeft genomen door de voorgedragen Čapek niet de Nobelprijs voor de literatuur te verlenen.

Meer lezen? Zie hieronder een overzichtje van het nieuwere werk.

  • Karel Čapek, Een doodgewoon leven (oorspr. 1934, Nederlandse vertaling van Irma Pieper bij de Wereldbibliotheek 2008).  
  • Karel Čapek, Prenten van Holland (oorspr. 1932, Nederlandse vertaling en nawoord van Kees Mercks bij Stichting Voetnoot 2009).  
  • Karel Čapek, Krakatiet (oorspr. 1924, Nederlandse vertaling Irma Pieper bij de Wereldbibliotheek, 2016).  
  • Karel Čapek, Meteoor (oorspr. 1934, Nederlandse vertaling van Irma Pieper bij de Wereldbibliotheek 2017).  
  • Karel Čapek, Hordubal (oorspr. 1933, Nederlandse vertaling van Irma Pieper bij de Wereldbibliotheek 2019).  
  • Karel Čapek, Dasja. Oftewel het leven van een pup (oorspr. 1933, Nederlandse vertaling en nawoord Edgar de Bruin voor Stichting Voetnoot, 2019). 
  • Karel Čapek, Leven en werk van de componist Foltýn (oorspr. 1939, Nederlandse vertaling van Irma Pieper bij de Wereldbibliotheek 2021). 
  • Karel en Josef Čapek, Pudlenka of… Ik had een hond en een kat (oorspr. 1933, Nederlandse vertaling en nawoord van Edgar de Bruin bij Stichting Voetnoot 2021).  
  • Karel en Josef Čapek, 9 sprookjes + 1 extra (oorspr. 1932, Nederlandse vertaling van Edgar de Bruin bij Stichting Voetnoot 2023)  
  • Karel Čapek, Oorlog met de Salamanders (oorspr. 1936, Nederlandse vertaling en nawoord van Irma Pieper 2011, 4de druk 2023).
Charlotte van Rooden
Over Charlotte van Rooden 2 Artikelen
Charlotte van Rooden is historica en literair vertaler uit het Roemeens en uit het Duits. Ze heeft twee romans vertaald van auteurs uit de Republiek Moldavië en werkt momenteel aan een vertaling van een nieuwe roman uit het Roemeens. Daarnaast heeft ze een non-fictie boek vertaald uit het Duits voor Atlas Contact en vertalingen van korte verhalen en fragmenten gepubliceerd in Terras, Deus Ex Machina, Kluger Hans, en PLUK. Ze werkte als docente Nederlandse taal en cultuur aan de Universiteit van Boekarest en is freelance vertaler.