
Peter Vermeersch, Polsslag. Hoe één popsong Oost-Europa hoop geeft (De Bezige Bij, 2025). ISBN-10: 9403184116, 204 blz., € 23,99
Een zee aan vrolijke mensen, gekleed in wit en rood en één lied dat de massa hoop geeft. Peter Vermeersch neemt ons in zijn boek Polsslag mee naar de hoopvolle dagen van de zomer van 2020: toen het geweld tegen Belarusische demonstranten al wel had toegeslagen, maar de verandering nog afdwingbaar leek.
Verandering – “Peremen” – is ook de titel van het lied dat daar steeds weer weerklonk. Verrassend genoeg niet een lied uit het brede protestrepertoire van Belarusisch zingende bands, maar een Russischtalig nummer van meer dan drie decennia oud. Een fascinerend uitgangspunt: hoe werd dit nummer tot één van de voornaamste soundtracks van de gefaalde Belarusische revolutie van 2020? Een contrast ook, aangezien die revolutie zoveel heeft gedaan voor de herleving van het Belarusisch. Daarmee is “Peremen” misschien het beste voorbeeld van de complexiteit van Belarus sinds 2020.
Peter Vermeersch volgt de geschiedenis van het lied, van de musici die het in 2020 vertolkten tot Victor Tsoi van de band Kino – de oorspronkelijke auteur en zanger van het nummer – en daarmee terug naar de einddagen van de Sovjet-Unie. Met zijn beeldende taalgebruik laat hij de lezer onderduiken in zowel de moedeloosheid van die jaren, als de chaos van de jaren negentig en de hoop en het geweld van de recente jaren in Belarus.
Vermeersch’ persoonlijke reiservaringen en zijn taalgebruik maken Polsslag meer dan een historisch onderzoek en voegen kleur toe. In plaats van de lezer voor wie het woord “samizdat” onbekend is, droogjes uit te leggen als zelf uitgebrachte, vaak dissidente publicaties, schetst Vermeersch “een schaduwwereld van schrijfmachines, flinterdun papier en het verbeten overtypen van clandestiene literaire meesterwerken.” Even effectief en zoveel mooier. Zijn hoofdonderwerp is echter de muziek, die in de Sovjet Unie haar eigen subcultuur kende en waar het nummer “Peremen” uit voortkwam: «Wat het carbonpapier betekende voor boeken, was het cassettebandje voor de muziek.”
Vermeersch wil daarbij veel vertellen, en moet ook veel toelichten: wie een boek wil schrijven voor een groot publiek moet er helaas van uitgaan dat veel van wat er in Oost-Europa sinds de late jaren van de Sovjet-Unie en zelfs de afgelopen vijf jaar gebeurd is onbekend of vergeten is. Daarbij maakt hij grote stappen door de geschiedenis. Je door Vermeersch met de hand laten meevoeren in zijn bloemrijke betoog is daarbij vermoedelijk de beste strategie.
Vermeersch neemt de lezer mee naar het Belarus van 2020 en sindsdien, naar de alternatieve Sovjet/Russische muziekscene van de jaren tachtig en maakt omwegen via de ontreddering van de in Rusland en de Sovjet-Unie geïnteresseerde West-Europese intellectuelen sinds de grootschalige invasie van Oekraïne door Rusland. Zo bevat Polsslag ook zijn eigen verwerking van de consequenties van februari 2022.
Dit is niet Vermeersch enige persoonlijke uitstapje. Sommige passen naadloos in zijn verhaal: zijn indrukken van Minsk uit de rustige jaren die aan 2020 voorafgingen als een land dat geen ostalgie kent omdat het is blijven steken in de Sovjettijd, zijn ontmoetingen met Belarusen in ballingschap en zijn worsteling met de vraag hoe Belarusische politieke gevangenen op dit moment het beste ondersteund kunnen worden. Andere persoonlijke bespiegelingen zijn waarschijnlijk bedoeld als couleur locale, maar voelen soms als zijpaden: zijn eigen ervaringen als student in het Rusland van de jaren negentig, de vraag of en met wie je nog Russisch kunt praten na 2022 en de opvang van vluchtelingen en emigratie-ervaringen van Russen die Poetin zat zijn.
Vermeersch is op zijn best in de beschrijving van subculturen en binnenwerelden: de Sovjetkeukens en huiskamerconcerten waarin Kino ontstond of de worsteling van Belarusische musici na 2020 met de vraag of en wanneer te emigreren – tot het te laat is. Daarnaast zitten er interessante overkoepelende bespiegelingen in zijn boek: de vraag of een mislukte revolutie ook een vorm van voorbereiding kan zijn, alsook zijn kanttekeningen over het Russische kolonialisme en hoe velen in West-Europa zich te lang door die op Rusland gefocuste blik hebben laten leiden. In dat kader is het ontzettend lovenswaardig (want helaas niet gebruikelijk), dat Vermeersch overal de Latijnse versie van Belarusische namen gebruikt.
In navolging van Vermeersch sta ik me hier een persoonlijke noot toe. Ik had mij graag mee laten voeren voor Vermeersch en de recenserende Centraal-Oost-Europa-historicus in mijn hoofd willen uitzetten die bleef vragen: waarom dit deel van de geschiedenis eruit lichten, waarom dat weglaten? Ik wens de lezer minder bijgedachten en meer overgave om van Vermeersch’ associatieve tocht door vier decennia Centraal-Oost-Europa toe.
De realiteit is echter dat, als iemand die Belarus al jaren nauwgezet volgt, Polsslag naast een reeks vragen over keuzes, voor mij ook een opvolging van vertrouwdheid en herkenning is. Ik bezocht Minsk in dezelfde jaren van dooi als Vermeersch, ik ontmoette veel van dezelfde activisten en musici in ballingschap als hij, ik ken de ruimte waar hij ansichtkaarten aan politieke gevangenen schrijft en dezelfde twijfel of de kaart ooit aan zal komen. Deze zomer nog schreef ik over dezelfde musici die hij in zijn boek centraal stelt. Daarom lees ik zijn boek anders dan iemand voor wie die wereld onbekend is, terwijl het waardevolle van Vermeersch’ boek juist is dat hij een wereld toont die voor vele mensen onzichtbaar blijft. Het “Belarus van de geest”: in ballingschap met de concerten van geëmigreerde musici voor kleine groepen Belarusen in den vreemde. Geen volle stadions of pleinen, maar wel intiemer contact tussen band en publiek dan zij ooit eerder zijn gekomen. Ik realiseer me dat ik, de buitenstaander die net als Vermeersch geëmotioneerd bij die concerten aanwezig was, eigenlijk niet tot zijn publiek behoor en het misschien niet volledig op waarde kan schatten – hoe zeer ik er ook van genoten heb.
Ondanks dat herken ik Vermeersch’ boek als een ontzettend waardevolle introductie tot Belarus sinds de neergeslagen revolutie van 2020. Hij brengt een onterecht te snel in de vergetelheid gezakte recente geschiedenis terug voor Nederlandstalige lezers. En daarnaast is het een spannende geschiedenis van, al dan niet dissidente, popmuziek in Centraal-Oost-Europa. Mijn aanbeveling zou zijn: laat je door Vermeersch’ beeldende taalgebruik meevoeren om een land en cultuur te leren kennen die onterecht te weinig bekendheid geniet.
Zijn eigen zinnen zijn meestal onovertroffen. Toch wordt Vermeersch afgetroefd door de Belarus die tijdens zijn eerdere bezoek aan Minsk opmerkte: “Dit land heeft alle nostalgie van mij gestolen”. Dat land wil je toch leren kennen?
