Een dodelijke schreeuw, opgegraven uit de modder van de geschiedenis

Miklós Radnóti, Het schriftje uit Bor (Uitgeverij van Oorschot, augustus 2021) 
 ISBN 978 9028 212473
 63 blz, prijs 17,50 euro 

Door Stefan van der Poel

Het hoort tot de bekende Hongaarse litanie: we hebben de mooiste gedichten maar buiten Hongarije kan niemand ze lezen. Moeiteloos wordt de klaagzang vervolgens uitgebreid met historische miskenning (Trianon), politieke tegenslagen (communisme) of buurvolken die de Hongaren altijd hebben dwarsgezeten (Duitsers en Russen). De eerste uitspraak stuit veelal op de minste weerstand. Wanneer je het lastige Hongaars niet beheerst, is het  moeilijk te beoordelen of de Hongaarse dichtkunst werkelijk op zo’n hoog niveau staat. Je zult het met vertalingen moeten stellen.

Nu is er relatief veel proza uit het Hongaars vertaald, maar dichtwerk blijft een lastiger genre: niet alleen de vertaling zelf, maar ook de financiering voor die kleine schare van belangstellenden. Dat nu Het schriftje uit Bor (Bori notesz in het Hongaars) van Miklós Radnóti (1909-1944) integraal is vertaald, ruim 75 jaar na de eerste publicatie in het Hongaars, mag dan ook bijzonder heten. En dan ook nog zo fraai uitgegeven. Alle complimenten voor uitgeverij Van Oorschot voor dit initiatief. De tekst is voorzien van een voorwoord van Orsolya Réthelyi, naast Arjan van Nimwegen één van de twee vertalers, en een nawoord van Arnon Grunberg. Het geheel is prachtig vormgegeven met bijzonder fraaie foto’s. Het ontwerp voor de omslag, al even mooi, is van de hand van Christoph Noordzij. Dat er wat extra materiaal nodig was om het geheel tot een boekje te maken is begrijpelijk: Het schriftje uit Bor omvat slechts tien, veelal korte gedichten. Daar is een onvoltooid gedicht aan toegevoegd met de titel ‘Fragment’, een gedicht dat hij schreef kort voor zijn laatste vertrek uit Boedapest. Het is kort na zijn dood door zijn vrouw Fanni Gyarmati uitgegeven.

Zelf bezat ik deze gedichten tot dusverre alleen in het Duits, opgenomen in een uit 1979 stammende bundel met de titel Gewaltmarsch verschenen bij Corvina Verlag te Boedapest. Het betreft zogenaamde Nachdichtungen van de Zwitser Markus Beller die een grote fascinatie voor Miklós Radnóti ontwikkelde.

Het is eigenlijk ondoenlijk deze gedichten los te koppelen van de tragische omstandigheden waarin Radnóti (eigenlijk Miklós Gatter geheten) ze destijds schreef. Grunberg noemt hem treffend een ‘schrijvende ter dood veroordeelde’. Wie als links-georiënteerde Jood volwassen werd onder het reactionair-fascistische bewind van de Hongaarse regent Miklós Horthy moest wel nare consequenties ervaren, zelfs wanneer je zoals Radnóti niet belijdend Joods was en net als zijn vrouw toegetreden tot de katholieke kerk. Radnóti was ook geen communist; zijn links-zijn bestond bovenal uit het innemen van een weloverwogen, kritische houding ten aanzien van het Horthy-regime. Zo publiceerde Radnóti postuum de jeugdgedichten van de jonge revolutionair Attila József (1905-1937), die al even ongelukkig was met de periode waarin hij leefde en in 1937 uit het leven stapte.

Radnóti vond in zijn korte leven tijd gedichten uit het Frans, Latijn en Duits te vertalen. Een bundel met vertaalde gedichten uit het Duits omvat onder andere de namen van Goethe, Schiller, Mörike, Rilke, Trakl en Brecht. Verder vertaalde hij enkele essays van Johan Huizinga naar het Hongaars (vermoedelijk uit het Duits). ‘Over een definitie van het begrip geschiedenis’ is één van die essays; daarin staat onder meer Huizinga’s beroemde definitie van geschiedenis: ‘de geestelijke vorm, waarin een cultuur zich rekenschap geeft van haar verleden.’

RADNÓTI MIKLÓS – AZ ELSŐ SZEGEDI KÉP (Szeged, 1930) – Petőfi Irodalmi Múzeum; Ltsz.: 3510

Het leven van Radnóti was getekend door de politiek die Hongarije onder leiding van Horthy in die jaren domineerde. Studeren werd hem lastig gemaakt door de zogenaamde Numerus Clausus-Wet uit 1920 (die het percentage Joden aan hogescholen en universiteiten in Hongarije bepaalde – overigens de eerste anti-Joodse wet na de Eerste Wereldoorlog in Europa). Hij kon zo niet in Boedapest blijven en daar studeren, maar moest uitwijken naar Szeged. Daarnaast werd hij geregeld voor het gerecht gesleept omdat zijn gedichten de goede zeden zouden bezoedelen. Publiceren werd na verloop van tijd steeds lastiger, Radnóti richtte zich daarom meer op vertalingen. Uiteindelijk werd hij ook in het leven zelf gedwarsboomd. Als Jood moest hij toetreden tot de levensgevaarlijke arbeidsbataljons en in 1944 werd hij naar de kopermijnen in Bor (Servië) gestuurd.

Met het oprukkende Rode leger in aantocht werden deze arbeiders opgejaagd richting Duitse grens. Iedereen die fysiek niet meekon, werd ter plekke doodgeschoten, hetgeen uiteindelijk ook rond 9 november 1944 met Radnóti gebeurde. Op 19 juni 1946 werd zijn lichaam gevonden in een massagraf te Abda, even ten noordwesten van de Hongaarse stad Györ. Het schriftje van Bor zat in zijn binnenzak. In vijf talen stond daarin het verzoek aan de vinder om dit schrift te bezorgen op een adres in Boedapest. Zijn vrouw kreeg het schriftje mee en noteerde vervolgens in haar dagboek: ‘Dit is wat er nu van hem overblijft, dit bericht uit het graf, en het besef van zijn onmetelijk lijden, waarmee ik niets kan dan mijn verstand verliezen en dom voor me uit staren, tot er langzaam een soort duizeligheid in mij begint te draaien.’

Alle gedichten zijn dus in 1944 geschreven, de eerste op 19 mei, de laatste op 31 oktober. De derde strofe uit het eerste gedicht (Fragment) luidt:

Ik leefde op de aarde in een tijd

waarin wie sprak zich beter kon verbergen

en zich in schaamte op zijn knokkels bijten,

het land grijnsde de gruwel tegemoet,

zwolg in zijn, dronken van vuil en bloed

Zijn laatste gedicht (Razglednica 4 – Servisch voor ansichtkaart), bestaat slechts uit één strofe en beschrijft de executie van één van zijn kameraden: een lot dat kort daarop ook hem zou treffen:

Ik stortte naast hem, zijn lijf rolde,

strak al, een gespannen snaar.

Nekschot – ‘Dus zo wordt jouw einde,’-

fluisterde het in mij, – ‘lig stil,

geduld nu, daaruit bloeit de dood.’-

‘Der springt noch auf,’- klonk boven mij.

Bloedmodder stolde op mijn oren.

Huizinga zou ongetwijfeld hebben ingestemd met het idee dat in deze gedichten een cultuur zich rekenschap geeft van haar verleden. Ook het publiceren en vertalen van deze gedichten vallen onder Huizinga’s definitie. Het woord ‘rekenschap’ is hier wellicht wat te formeel en daardoor misplaatst. Het schriftje uit Bor is eerder een dodelijke schreeuw, letterlijk opgegraven uit de modder van de geschiedenis.