Magazine over Midden- en
Zuidoost-Europa

966 woorden
4–6 minuten
Het vreemde en aangrijpende leven van Priţă Barsacu - Iulian Bocai
Iulian Bocai, Het vreemde en aangrijpende leven van Priţă Barsacu (De Geus, 2025)(Oorspronkelijke titel: Ciudata şi înduioşătoarea viaţă a lui Priţă Barsacu, 2018). Vertaald uit het Roemeens door Charlotte van Rooden.
ISBN: 978 90 445 4922 5
144 pagina’s, € 15,99


De jonge Roemeense schrijver en literatuurwetenschapper Iulian Bocai (1986) schreef twee bekroonde romans en een verhalenbundel. Zijn debuut Het vreemde en aangrijpende leven van Priță Barsacu is nu vertaald door Charlotte van Rooden. Donau-medewerker Casper Schaaf bespreekt de roman die een fascinerend inkijkje biedt in een armoedige Roemeense straat met zijn kleurrijke bewoners. ‘Langzaam raak ik ervan overtuigd dat het niet is wat het op het eerste gezicht lijkt, of in elk geval niet alleen.’


Het vreemde en aangrijpende leven van Priță Barsacu van de Roemeense schrijver Iulian Bocai houdt me al dagenlang bezig. Het boek is prettig geschreven en van een bescheiden omvang, dus ik las het vrij snel uit. Ik merk echter dat dit boek zich niet zo gemakkelijk laat afschepen. Langzaam raak ik ervan overtuigd dat het niet is wat het op het eerste gezicht lijkt, of in elk geval niet alleen.

Recensie door Casper Schaaf

Het vreemde en aangrijpende leven van Priță Barsacu – de titel verraadt het al – vertelt het verhaal van de jongen Priță. Een leven dat niet al te lang zal duren, zo leren we al in de openingszin: ‘Priţă Barsacu was dertien toen hij op het punt stond te sterven doordat het werpnet dat hij voor zonsopgang uit het water had proberen te halen, hem over de reling van de boot trok’. Bocai doet dit sterk, want zo zit je als lezer gelijk op het puntje van je stoel. Wie is die jongen, vraag je je meteen af? De schrijver trekt je mee het verhaal in, dat vervolgens keurig begint bij Priță’s geboorte. Als in een ouderwets avonturenboek of een roman van Charles Dickens geven de hoofdstuktitels al aan wat er gaat komen, zo ook in het eerste hoofdstuk: ‘Over Priță Barsacu’s geboorte en uit wat voor gezin hij komt’.  

De jongen Priță groeit op in een armoedig gezin in een armoedige straat. Een harde omgeving waar geweld en vandalisme welig tieren. Van kinderen die hier opgroeien wordt verwacht dat zij zich naar dit patroon zullen schikken en dit op hun beurt weer zullen doorgeven aan hun kinderen. Zo is het en – dat gevoel bekruipt je – zo zal het altijd blijven. Priță daarentegen is anders. Hij is intelligent en nieuwsgierig en ontwikkelt al op jonge leeftijd een fascinatie voor de natuur om hem heen. Terwijl zijn vader zoals zoveel mannen in de straat een uitvlucht zoekt in de drank en zijn moeder door alle stress geleidelijk haar verstand verliest, zoekt Priță troost in het categoriseren van insecten. Waar de wereld bij hem thuis en op school ieder moment kan ontsporen in geweld of gekte, biedt de natuur hem rust en zekerheid.

Bocai weet met humor en een laconieke vertelstijl te voorkomen dat het verhaal te zwaar wordt. Hij kiest vaak voor lange zinnen, waarin van alles gebeurt binnen dezelfde zin: stukjes plot worden onthuld, decor of personages worden neergezet, wat weer wordt afgewisseld met gedetailleerde en soms tamelijk uitvoerige opsommingen. Dit klinkt wat over the top, maar dat is het niet. Het voelt precies zoals het moet zijn en werkt verbazingwekkend goed. Het houdt de vaart in het boek – die lange zinnen hebben een grote, stuwende vertelkracht – en creëert een lichte, sprookjesachtige sfeer. De volgende zin illustreert dit fraai en is tevens een mooi staaltje van het vertaalvernuft van Charlotte van Rooden: 

De Bricegari, ‘de Messenslijpersstraat’, was in zijn geheel een straat van armoedzaaiers, en daar voorbij was helemaal niets, afgezien van een veld waarop zo’n driehonderd veldmuizen hun dagen sleten in het gezelschap van een stuk of tien steevast uitgehongerde bunzingen en hun nakomelingen, een onbepaald aantal stomme tortelduiven, een paar slangen – die Priță niet had kunnen tellen omdat Stanca, zijn partner bij het tellen van dieren, als de dood was voor slangen en iedere keer wanneer ze er eentje zag naar huis sprintte – en, zo hadden ze berekend, een stuk of tweehonderdvierendertigduizend vijfhonderdzesenzeventig regenwormen, ongeveer evenveel oorwurmen en een massa kleine kriebelbeestjes die nog minusculer waren dan de oorwurmen en vliegen, waarvan ze de naam niet kenden, maar die ze besloten te meten in biotonnen.

Door dit soort wervelende zinnen heb ik het boek vlot achter elkaar uitgelezen. Vanwege de geringe lengte van het boek én van Priță’s leven bleef ik echter ook wat verweesd achter. Aan Priță’s leven komt niet alleen letterlijk vrij abrupt een einde, dit wordt ook nogal kort en abrupt verteld, haast in een bijzin.

Dit doet vermoeden dat het Bocai om de kracht van zijn vertelling gaat, maar ook – en misschien nog wel meer – om de sfeer die hij neer wil zetten. Via Priță weet hij treffend een heel milieu te schetsen. Ondanks de armoede en kansenongelijkheid lukt het de schrijver onze aandacht te vestigen op de bijzondere mensen die er ook in de buurt te vinden zijn. Mensen met humor, met warmte, met zorgzaamheid en nieuwsgierigheid. Hiermee weet Bocai op originele wijze een slice of life te geven uit een stadje ergens langs de rivier de Olt in het zuiden van Roemenië. Uit kleine details merk je dat het verhaal in de postcommunistische tijd speelt, hoewel de sprookjesachtige sfeer en vertelstructuur het tegelijkertijd iets tijdloos geven. Iets dat doet denken aan het enkele jaren geleden eveneens door Charlotte van Rooden vertaalde Hartenvrouw van Iulian Ciocan.

Het vreemde en aangrijpende leven van Priță Barsacu biedt een fascinerend inkijkje in een armoedige Roemeense straat met zijn kleurrijke bewoners. Een straat zoals je die in talloze andere landen net zo goed zou kunnen aantreffen. Bocai is er op knappe wijze in geslaagd hier een bemoedigend en monter verhaal van te maken, waarmee hij het korte, zo abrupt beëindigde leven van Priță zin geeft.