Journalist en Donau-redacteur Marjolein Koster neemt je mee in haar ontmoetingen met de nieuwe generatie Bosniërs, die navigeren tussen discriminerende wetgeving en nationalistische retoriek.

2.248 woorden
10–14 minuten
Gevangen in vrede. Bosnië en Herzegovina 30 jaar na de oorlog is verschenen bij Uitgeverij Houtekiet. Prijs: € 24,99.

Te vaak wordt er over vrede onderhandeld zonder dat de mensen die met die ‘vrede’ moeten gaan leven daar iets over te zeggen hebben.

Ik neem je even mee naar Dayton, de Verenigde Staten, 21 november 1995. De dag waarop na bijna vier jaar van geweld officieel een einde komt aan de oorlog in Bosnië en Herzegovina, de dag waarop het Verdrag van Dayton getekend wordt. Een voor een komen de leiders van de betrokken landen het Hope Hotel binnen. Eerst Slobodan Milošević, de president van Servië, daarna Alija Izetbegović, de president van Bosnië en Herzegovina, en als laatste Franjo Tuđman, de president van Kroatië. Ze schudden de hand van de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, Warren Christopher, en nemen plaats achter een lange tafel met daaroverheen een donkerrood kleed. Achter hen staan de vlaggen van verschillende landen – vooral westerse landen en Rusland – die betrokken waren bij het vredesproces.

Warren Christopher neemt het woord. Hij benadrukt dat deze onderhandelingen werden gezien als de laatste kans om vrede te grijpen. “Onze gezamenlijke inspanningen hebben het mogelijk gemaakt dat de mensen in Bosnië voor het eerst in vier jaar Nieuwjaarsdag in vrede doorbrengen.” Het akkoord kwam er na drie weken onderhandelen, dat de presidenten hier nu gedrieën naast elkaar zitten, zou een signaal zijn van hun vastberadenheid om op de weg van vrede te blijven.

Zwarte mappen met daarin de kopieën van het vredesakkoord worden voor de presidenten op tafel gelegd. Allemaal pakken ze een pen uit hun binnenzak en bijna simultaan zetten ze hun handtekening op het papier. Ook afgevaardigden van de VS, de Europese Unie, Frankrijk, Groot-Brittannië, Duitsland en Rusland tekenen – als een soort getuigen – het verdrag. De zaal applaudisseert, de presidenten staan op en schudden elkaar de hand. Het is Milošević die als eerste mee klapt met de aanwezigen, Izetbegović en Tuđman volgen. Alle drie staan ze er een beetje onwennig bij.

Opnieuw neemt de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken het woord. Velen geloofden niet dat deze dag er ooit zou komen. En zonder president Clinton, zonder zijn visie en leiderschap was dit akkoord er ook niet geweest, claimt de minister. Maar natuurlijk krijgen ook de presidenten van de betreffende landen een compliment voor hun inspanningen. Nu rest alleen nog de implementatie van het akkoord. Hij zegt het alsof het niets is. Het belangrijkste punt uit het akkoord is dat Bosnië en Herzegovina als soevereine staat blijft bestaan en erkend wordt door de buurlanden. De hoofdstad Sarajevo zal één stad worden en niet meer verdeeld worden door afgesloten bruggen en checkpoints. De partijen zullen hun legers terugtrekken en met het tekenen van dit verdrag verplichten de partijen zich ertoe te zullen meewerken aan het onderzoeken en vervolgen van oorlogsmisdaden. Er moeten vrije en democratische verkiezingen komen en er zal een uitgebreid programma van wederopbouw plaatsvinden. Een internationale vredesmacht, in de vorm van een Hoge Vertegenwoordiger en militaire missies, zal dit alles overzien.

De Amerikaanse minister besluit: “De overeenkomst van vandaag wist de schrijnende herinneringen aan het verleden zeker niet uit, noch garandeert zij dat het maatschappelijke weefsel van Bosnië zich gemakkelijk zal herstellen. Maar toch: het is een overwinning voor ons allemaal. (…) De overeenkomst is een overwinning voor iedereen die gelooft in een multi-etnische democratie in Bosnë en Herzegovina.”

Omslag 'Gevangen in vrede' - Marjolein Koster

Wanneer ik in het archief duik om te kijken en luisteren naar wat de media over deze dag te melden hadden, kom ik ook een radioreportage tegen waarin een verslaggever langsgaat bij een asielzoekerscentrum in Waddinxveen, dicht bij Gouda. Daar lijken Bosnische vluchtelingen nauwelijks geïnteresseerd in wat er op tv gebeurde. De presentator leidt de reportage in: “Een overeenkomst die vrede zal brengen, daar geloven ze al lang niet meer in.” Over naar de verslaggever, die beschrijft hoe de groep erbij zit, opeengepakt in een kamertje van pakweg drie bij vijf meter. Er zijn niet genoeg stoelen, waardoor mensen ook op bed moeten zitten. Er wordt stevig gerookt en het is er bloedheet, maar ook genoeglijk, zegt de verslaggever. CNN staat aan en de Bosnische vluchtelingen kijken naar de beelden van feestvierende mensen in Sarajevo die een champagnefles ontkurken. Hoewel je misschien ook in dit kleine kamertje blijdschap zou verwachten, is dat niet het geval. Er zijn nog te veel onopgeloste zaken. “Een vrouw hier in de kamer maakt een afkeurend gebaar”, zegt de verslaggever en hij vertaalt de woorden van de vrouw. “Laat ze alsjeblieft ophouden met die flauwekul. Sarajevo, dat is nu een tweede Berlijn geworden, dus waarom zouden we feestvieren?” Een andere jongen in de kamer is ook sceptisch en verwacht niet dat mensen die uit hun woningen zijn verdreven, kunnen terugkeren naar het gebied dat door dit akkoord nog steeds in handen van de agressor is, waarmee hij verwijst naar de Bosnisch-Servische autoriteiten. “Maar misschien kunnen we over een jaar of twee wel weer samen leven. Want dat is Bosnië.” Op de achtergrond hoor ik het vertrouwde geluid van Bosniërs die verhit met elkaar discussiëren. Want natuurlijk zijn ze het niet allemaal met elkaar eens. Op het moment dat het vredesakkoord daadwerkelijk getekend wordt, is het stil. “Geen euforie, geen droefenis. Vooral gelatenheid en afwachting”, besluit de verslaggever.

* * *

Dit is geen boek over de oorlog in Bosnië en Herzegovina, maar over de ‘vrede’ die daarna kwam. Mijn eerste kennismaking met het land is in de zomervakantie van 2012, als ik samen met Eline, een jeugdvriendin uit mijn geboortedorp, op Interrail-trip ben door Europa. Met één treinkaartje drie weken lang van hoofdstad naar hoofdstad. We zijn op dat moment allebei begin twintig, zitten volop in het studentenleven en kijken met nieuwsgierigheid naar de wereld om ons heen. Welke treinen we zouden gaan pakken, besluiten we nogal willekeurig. Vanuit Utrecht richting het oosten en dan vooral naar plekken die we niet kennen en er op de foto’s mooi uitzien. Zo komen we ook in Sarajevo terecht. Ik wist niet veel over de geschiedenis van deze regio. Ik herinnerde me wel een Bosnisch gezin dat bij ons in het dorp kwam wonen toen ik nog een kind was, maar wanneer en waarvoor ze precies gevlucht waren, wist ik eigenlijk niet. Ik dacht vooral: die oorlog is verleden tijd. En dat is hij ook. Wie nu op vakantie wil naar Bosnië, kan met een gerust hart vertrekken. Het geweld is gestopt, dat gevaar is geweken. Maar als je er eenmaal bent, zal je hoe dan ook met – de herinnering aan – die oorlog geconfronteerd worden.

Het treinstation van Sarajevo is onze toegangspoort tot Bosnië: een imposant gebouw met enorme betonnen welvingen aan het plafond. Aan de muren hangen nog steeds vergeelde posters met advertenties die lijken alsof ze uit de jaren negentig komen. Het gebouw is eigenlijk veel te groot voor het slechts handjevol aantal treinen dat er dagelijks aankomt en vertrekt. Op het plein voor het station wacht een wat oudere man die ons met zijn minibusje naar het hostel brengt dat we geboekt hebben. De vrouw achter de balie, Ismeta heet ze – ik schat haar rond de vijftig jaar – verwelkomt ons met een hartelijkheid die ik als Nederlandse niet gewend ben. Een dikke knuffel, een volle boezem tegen me aan. “Jullie zijn nu mijn dochters”, zegt ze. Misschien is het niet precies zo gegaan, maar ik koester een warm gevoel als ik aan dat moment terugdenk. En dat warme gevoel voor Bosnië heeft mijn lichaam sindsdien nooit meer verlaten.

In die paar dagen die we in de stad doorbrachten, heeft Sarajevo een onuitwisbare indruk op me gemaakt. Het hostel lag recht tegenover Baščaršija, het oude centrum uit de Ottomaanse tijd. Midden op het langwerpige, driehoekige plein staat de Sebilj, een publieke drinkfontein die zich vooral karakteriseert door de achthoekige houten structuur en de groenachtige koepel die bovenop het stenen voetstuk staan. Volgens een lokale legende zal iedereen die van het water uit de fontein drinkt, terugkeren naar Sarajevo. Ik bleef maar staren naar de bergen die het centrum van Sarajevo omarmen en genoot van de eindeloze wandelingen langs de Miljacka-rivier met haar historische bruggen. Elke dag aten we het verse brood van de pekara’s, de bakkerijtjes die talrijk aanwezig zijn in de stad. Maar wat me vooral bijbleef waren de mensen en hun verhalen.

Ik herinner me een bezoek aan het historisch museum, waar een permanente tentoonstelling is over de belegering van Sarajevo. Drie jaar, tien maanden, drie weken en drie dagen lag de stad onder vuur. Meer dan 11.500 mensen werden gedood, waaronder 1.601 kinderen. Het is de langste belegering van een stad in de moderne geschiedenis. In het museum zag ik krantenknipsels uit allerlei landen, voorpagina’s van kranten die ik ken, met foto’s in kleur. Foto’s van gewonde mensen en doden op straat. Maar ook veel foto’s van alle culturele activiteiten die tijdens de belegering doorgingen. De verkiezing van Miss Belegerd – opkoljenog – Sarajevo in 1993. Een missverkiezing zoals ik ze uit populaire films ken, met prachtig opgemaakt vrouwen in badpak, maar dan in een stad waar tegelijkertijd granaten op afgevuurd worden. Beelden van het moment waarop de deelneemsters gezamenlijk een banner vasthouden met daarop de tekst ‘Don’t Let Them Kill Us’, gingen de wereld over. Hetzelfde geldt voor beelden van het concert van Iron Maiden, de cellist Vedran Smailović die op de ruïnes van de bibliotheek speelde, de opening van een theater dat nog steeds bestaat, het Ratni Teater – letterlijk het ‘Oorlogstheater’. En foto’s van vrouwen die op hoge hakken over de Sniper Alley rennen om de kogels te ontwijken. Je menselijkheid behouden in tijden van oorlog is een vorm van verzet.

Er is één verhaal dat me meer dan alle andere is bijgebleven. Op 9 november 1993 werd een basisschool geraakt door een granaat, een lerares en drie leerlingen werden hierbij gedood. Drieëntwintig andere kinderen raakten gewond. Op de foto’s liggen de kleurpotloden tussen de plassen bloed. Die kinderen zijn mijn leeftijdgenoten, dacht ik op dat moment. Dit zijn de mensen met wie ik diezelfde week in het café koffie of bier dronk. Ogenschijnlijk is geen verschil tussen hen en mij, maar zij hebben wel een vreselijke oorlog meegemaakt. Ik kon en kan nog steeds niet bevatten hoe dat moet geweest zijn, hoe je daarmee leert omgaan. Ik raakte gefascineerd door het idee dat de landen van het voormalige Joegoslavië nog niet bestonden toen ik in 1990 geboren werd. Dat er in de straten waar ik doorheen slenterde nog recent dingen gebeurd zijn die voor haar bewoners levensveranderend zijn geweest. Dat zich hier een belangrijke geschiedenis heeft afgespeeld terwijl ik twee uur vliegen van hier in Nederland in de zandbak speelde. En toch wist ik er maar zo weinig van. Het verleden hier is te recent voor de geschiedenisboeken, maar te lang geleden om er nog over te lezen in de krant.

In de jaren na dit eerste bezoek bleef Sarajevo mij naar zich toetrekken, telkens keerde ik terug. Het is mijn tweede thuis geworden en dat warme gevoel van de omhelzing is altijd gebleven. Na mijn studie begon ik als journalist in Bosnië en in andere Balkan-landen te werken, vooral voor Nederlandse media, soms ook Vlaamse of Bosnische media. Een paar jaar later verhuisde ik zelfs voor een tijdje naar Sarajevo. Ik maakte vrienden, ontdekte de beste restaurants, nam taallessen en reed het hele land door, op zoek naar verhalen om te publiceren. Stukje bij beetje leerde ik meer over Bosnië en hoe het land en de mensen dertig jaar na de oorlog en de genocide vast zitten in een onmogelijk politiek systeem dat verschillen benadrukt en vooruitgang blokkeert.

De ruim drie en een half jaar durende oorlog met meer dan honderdduizend slachtoffers en 2,2 miljoen ontheemden, waarvan ook tienduizenden in Nederland en België terechtgekomen zijn, werd beëindigd door Dayton. Maar het akkoord heeft ook nieuwe problemen gecreëerd. Het land is sinds 1995 opgedeeld in twee entiteiten: de Federatie Bosnië en Herzegovina, kortweg de Federatie, waar met name Bosniakken en Bosnische Kroaten wonen en de Republika Srpska – waar ik nog steeds geen goede Nederlandse vertaling voor heb gevonden en die ik dus in het Nederlands ook maar zo blijf noemen. Daar wonen vooral Bosnische Serven. Een van de bijlagen van het akkoord is de nieuwe grondwet, waarin de politieke structuren zijn vastgelegd. Zo zijn er landelijk drie presidenten: een Bosniak, een Bosnische Kroaat en een Bosnische Serf. Er is een parlement op landelijk niveau, met afgesproken quota voor de etniciteit en/of woonplaats van de vertegenwoordigers. Beide entiteiten hebben een beperkte mate van autonomie, met eigen presidenten en premiers, parlementen en ministeries, met vrijwel overal opnieuw die afgesproken etnische quota en vaak hun eigen publieke diensten, zoals post, telefonie en staatsnutsbedrijven. Een paar maanden na Dayton wordt de Federatie opgedeeld in tien kantons die ook weer eigen bevoegdheden krijgen, bijvoorbeeld op het gebied van onderwijs, cultuur, politie en het energiebeleid. In 1999 werd daarnaast nog besloten dat er een apart district kwam: Brčko. Het grenst aan Kroatië, net niet aan Servië, en het onderbreekt Republika Srpska als doorlopend gebied. Brčko heeft een vorm van zelfbestuur en er is een gedeelde soevereiniteit van beide entiteiten. Ik raak zelf nog geregeld de tel kwijt, en dat bedoel ik letterlijk. Bosnië heeft drie presidenten, 13 premiers, zo’n 180 ministers en ruim 700 parlementsleden. De ratio van volksvertegenwoordigers en ambtenaren ten opzichte van de bevolking van slechts 3,1 miljoen is enorm, meer dan drie of vier keer hoger dan wat politicologen als ideaal zien (afhankelijk van welke laag van de overheid je meeneemt om de berekening te maken). Dat zorgt niet alleen voor een enorme financiële druk op het systeem, het creëert ook een vruchtbare bodem voor corruptie.


Marjolein Koster avatar