recensie
Souvenirs sur Panaït Istrati, recueillis par Juliette Pary
George Ionesco
Ed. Heros Limite, Genève 2026
€12
verkrijgbaar bij de uitgeverEen week na zijn dood, op 24 april 1935, verschijnt in het Franse literaire tijdschrift Marianne een eerbetoon aan Panaït Istrati (1884-1935), de schrijver uit Brăila die door Romain Rolland (1866-1944) ooit de ‘Gorki van de Balkan’ werd genoemd. In haar in memoriam laat journaliste Juliette Pary (1903-1950) Istrati’s trouwe vriend in Parijs aan het woord, George Ionesco (1893 – ?). Onlangs verschenen zijn volledige door Pary opgetekende herinneringen. Vriend George schetst in dierbare momenten van vriendschap het chaotische leven van deze veel gelezen, maar nu grotendeels vergeten schrijver.
Het is kerst 1913 als de berooide Panaït Istrati de werkplaats van zijn landgenoot George Ionesco (oorspronkelijk Ionescu) in de Parijse wijk Étoile voor het eerst komt binnenvallen. De negentwintig jarige Panaït heeft dan al een heel leven achter de rug. Als kind van een onbekende Griekse schipper en ‘een wasvrouw’ groeit hij op in een arme uithoek van Brăila, de in die jaren welvarende, multiculturele havenstad aan de Donau.
Het helse kabaal, de stank van de olie en het gekrioel van de ratten
Het centrum met de stadstuin, het beroemde theater en de ‘Koningsstraat’, ademt net als de Donauboulevard de grandeur van het Belle Epoque, maar rond de haven groeit het proletariaat waaronder vele verarmde boeren uit de Bărăgan en ontheemde migranten; ‘de brokstukken van allerlei nationaliteiten, die naar Brăila gekomen waren om fortuin te zoeken, verteerd door heimwee naar hun verre vaderland, maar ten slotte allemaal belandend op onze trieste kerkhoven…‘ Na een paar jaar lagere school vindt Panaït werk in de Griekse taveerne van ‘Kir Leonidas’ in de rivierstraat en in de havens: ‘tussen de massa straatarme arbeiders, dokwerkers, kruiers en loopjongens; in het helse kabaal, de stank van de olie en het gekrioel van de ratten’.
Een zwerftocht door ‘de Oriënt’
Rond de eeuwwisseling leert hij in Boekarest het socialisme kennen, wat hij vanaf dat moment ook inzet in de Donuahavens. In 1907 begint Panaït in Constanţa als ‘stoker’ aan boord van een oceaanstomer aan zijn jarenlange zwerftocht door ‘de Oriënt’. Piraeus, Alexandrië, Beiroet, Jaffa, Damascus, Constantinopel, Smyrna en Marseille.
Ruim een jaar na zijn omzwervingen ontmoet hij Georges. Drie maanden lang dromen ze samen van zijn schrijverschap, reizen en de revolutie, maar Panaït kan zijn geluk niet vinden. Zijn Frans is slecht, het eten bevalt hem niet, in de stad voelt hij zich een vreemde en nooit is er geld genoeg. Na vier maanden keert hij terug naar Brăila, in een poging zich te vestigen trouwt hij en begint een varkensboerderij.
Maar plotseling, zeven jaar later, in de herfst van 1920, staat hij opnieuw bij George op de drempel. Dit keer blijft hij drie maanden. Maar ook nu vindt Panaït er geen geluk. Zijn moeder is dood, zijn huwelijk mislukt, zijn gezondheid zwak en zijn schrijverschap wanhopig. Die winter reist hij door naar Nice waar hij op nieuwjaarsdag 1921 half doodgebloed in de stadstuin wordt gevonden met een brief aan zijn held Romain Rolland op zak. De Nobelprijswinnaar van 1915 herkent in de brief de hand van een groot schrijver, ontfermt zich over Istrati en moedigt hem aan om zijn werk met de wereld te delen.
Het was iets intiems, iets, onbevlekts, dat gaf hem de nodige kracht
En dan, op ‘5 mei 1922, een vrolijke lentedag, komt hij mijn werkplaats binnen met een grote bos seringen…’ “Voilà, daar staan we weer, oog in oog” zegt hij en omhelst me.’ Een jaar van innige vriendschap volgt. ‘Hij – un homme dévasté – ‘vond rust bij ons twee [George en zijn vrouw Martha]; het was iets intiems, iets, onbevlekts, dat gaf hem de nodige kracht’; ‘wij hadden iets groots met elkaar’.
Dat George hem voortdurend ondanks zijn nukken en ontrouw financieel bleef ondersteunen zal ook geen geringe rol hebben gespeeld. In het ‘rustige jaar van hun vriendschap’ voltooit Panaït zijn beroemdste boeken: ‘Kyra Kyralina’ en ‘Oncle Anghel’. Om het werk te vieren gaan ze kort daarop naar Nice, maar Panaït begint, zoals wel vaker, ruzie te maken. Gebrouilleerd nemen de twee afscheid.
Kyra Kyralina
‘De vurige wind over de vlakte, een nieuwe Gorki van de Balkan, de meanderende Donau, een onweerstaanbare, geniale verteller’, schrijft Rolland in 1923, als Kyra Kyralina verschijnt. In de roman die zich -net als zijn andere werk – grotendeels afspeelt aan de Donau, vertelt Istrati een oud verhaal als een ballade: een vrouw van een noodlottige schoonheid, Kira Kyralina, wordt op een dag ontvoerd naar het harem van ‘een rijke Arabier’. Na een avontuurlijke zoektocht vermoorden haar broers haar ontvoerder en brengen Kira terug naar Brăila, waar ze met haar grote liefde trouwt.
De sprookjesachtige vertelling over de harems in het verre ‘Turkenland’ en de ware liefde aan de Donau maken Istrati op slag beroemd. In hoog tempo verschijnen in de jaren daarop Istrati’s volgende boeken. Verhalen over moedige helden strijdend tegen het onrecht van de wereld: Haidouken tegen de Turken, moeders tegen de armoede en proletariërs tegen de ‘havenmeisters’. Zijn sociaal realisme maken Istrati een ideale afgevaardigde van de Franse Arbeidersklasse om in 1927 de jubilerende Sovjet Unie te bezoeken. Dit is ‘het enige land ter wereld dat rijk is aan grote ideeën; de drager van de schepping’ citeert de Pravda de schrijver bij aankomst in Odesa.
Aankomst in Odesa (Istrati met bontmuts en valies) 1927
Op de verkeerde weg
Al tijdens de strak geregisseerde reis (‘een opeenvolging van afschuwelijke parades en eindeloze toespraken vol holle frasen’) begint Istrati’s geloof in het Arbeidersparadijs te wankelen. Na zijn tweede reis verliest hij ook zijn laatste vertrouwen in de Arbeidersstaat. Overal waar hij komt, ziet hij hoe de nieuwe heersende klasse de massa tot zwijgen dwingt door systematische repressie, armoede en bureaucratie. Doodsbange, graatmagere boeren bewerken het land, in de straten van Kyiv bedelen 14 jarige prostitués, in Samara hoort hij hoe de miljoenen doden van de Kazachstanse hongersnood worden verzwegen.
Verbitterd en doodziek keert Istrati terug. Een paar maanden later verschijnt ‘Op de verkeerde weg; zestien maanden in de Sovjet Unie’. De woedende afrekening met ‘het tot sekte verworden communisme’ maakt hem op slag tot de paria van de Franse arbeidersbeweging. Ziek van de TBC en de eenzaamheid keert hij terug naar zijn geboorteland.
Niemand zal je lippen kussen als ze bitter zijn
In zijn late werk begint Istrati te flirten met het Roemeens nationalisme. ‘…geen andere troost meer’, schrijft hij in het jaar voor zijn dood, ‘dan de woorden die mijn moeder ooit tot me sprak: ‘niemand mijn jongen, zal je lippen kussen als ze bitter zijn, alleen nog de lieve God.’
George heeft hij na de ruzie op het station van Nice nog één keer gezien, kort voor een zoveelste vertrek naar Roemenië. ‘Hij kwam weer naar de werkplaats. Ik keek hem aan en hij gaf mij zijn hand: “George, de dood komt.” Toen huilden we, et voilá, dat is hoe we ons hebben herpakt…’
De vergeten schrijver
Panaït Istrati werd tot halverwege de vorige eeuw in vijfentwintig talen gelezen, maar is nu grotendeels vergeten. In zijn stoere masculiene en sociaal-realistische proza wemelt het van de stereotypen: ‘wulpse’ vrouwen met kleurige rokken die zich geven aan stoere mannen, losbollige Grieken, harde Turken, heldhaftige Haidouken en ‘zigeuners’ in barre landschappen.
Maar wie daar doorheen kan kijken – en dat kost wel de nodige moeite – ziet vooral de jeugdige overmoed van een ontheemde ziel. Een jongen die zich een weg zoekt op de drempel van de nieuwe tijd. Het harde kapitalisme met de meedogenloze armoede en de steenrijke ‘havenmeisters’ en later de teleurstelling in de ontaarde socialistische revolutie drijven Istrati uiteindelijk in de richting van nostalgisch nationalisme:
‘Ik geloof dat de mens als idealist is geboren, maar dat de krachten van de sociale ‘vooruitgang’ deze kwetsbare veerkracht van ons streven naar het sublieme in de kiem smoren, in plaats van te helpen haar te ontwikkelen’ schrijft hij al in 1929. Met zijn kleurrijke nostalgische vertellingen uit de onbekende, exotische wereld aan de Donau, ver weg van de moderne wereld en haar grote ideeën, weet hij miljoenen lezers in het naoorlogse Europa te verleiden.
Casa Memorială
De oude stad van Brăila, achter de lege Donauboulevard, oogt zoals zoveel steden in deze uithoek van Europa als een afgebladderd decor van een jaren geleden gestaakt toneelstuk. De laan met acacia’s, waar Mihail Sebastian (1907-1945) zijn debuutroman over schreef, de vervallen hotels waar de steenrijke handelaars ooit verbleven, de stadsring vol villa’s en paleizen met barokke ornamenten, wankele balkons en portalen met Griekse zuilen en godenbeelden; de tuin met de stilstaande stadsklok en het grote Maria Filoti-theater met haar enorme glas in lood koepel; de oude tijd kan hier na de nodige restauratie ieder moment opnieuw beginnen. Istrati wordt geëerd met aanduidingen op de belangrijkste gebouwen uit zijn werk, een standbeeld en een ‘Casa memorială’.
De suppoost is eerder verbaasd dan verheugd als ik me, waarschijnlijk als enige bezoeker van die ochtend, er meld. Knorrig zoekt ze de kaartjes, vervolgens haar stempel. Sloffend gaat ze me voor. Knetterend springen de TL buizen aan in een kamer met zware gordijnen en houten vloeren. In vitrines liggen zijn pijp, bril, agenda en tabaksdoos. Brieven, foto’s en portretten van zijn talloze liefdes op terrassen in havensteden.
Ze wijst me op een vaasje: ‘Het enige wat hij nog had van zijn moeder’
Ze wijst me op een vaasje. ‘Het enige wat hij nog had van zijn moeder, hij heeft het altijd bewaard…’ Aan de wanden rondom hangen uitvergrote foto’s: Istrati met Nikos Kazantsakis op de boot naar Odesa, Istrati met gleufhoed en krant achter zijn driepootcamera op de Promenade des Anglais in Nice, Istrati met zijn laatste, piepjonge liefde op de stoep voor zijn huis ergens in deze stad.
Als ik mijn gastvrouw dankbaar toeknik en wil gaan, opent ze de deur van een zijkamer. ‘Kijk’ zegt ze, wijst en blijft bijna devoot op een afstand staan. Een klein houten bureau met een open boek, de kapstok met jas, gleufhoed en aktetas, halfhoge schoenen eronder. Een opmerkelijk klein bed met een vaalgroene sprei. Is dit… De suppoost knikt verlegen. ‘Speciaal uit Boekarest gekomen.’ Ik knik begripvol en maak een foto.
