Geschatte leestijd: 16 minuten
Jeanne (Jenny) Merkus (Batavia, 11 oktober 1839-Utrecht, 1 februari 1897) stond bekend als een sociaal hervormster, filantrope en avonturierster voor de millennialistische zaak. Geïnspireerd door tijdgenote Florence Nightingale verzorgde ze tijdens de Frans-Duitse Oorlog van 1870-1871 zieken en gewonden met het Rode Kruis en tijdens de Commune van Parijs zou Merkus naar verluidt hebben gestreden aan de zijde van de linkse opstandelingen. Gedurende die tijd spande ze zich ook in voor de Italiaanse Risorgimento. Als lid van het Herzegovijnse vreemdelingenlegioen kreeg ze een reputatie in de internationale media als de Jeanne d’Arc van de Balkan. Antropoloog René Grémaux ging op zoek naar het enige en verloren gewaande portret van Merkus — een spoortocht die bijna net zo onnavolgbaar was als het leven van Jeanne Merkus zelf. Hier volgt zijn verslag.
Onstuimig en veelbewogen zijn nogal zwakke bewoordingen voor het met reizen, avontuur en spanning doordesemde leven van de in 1839 op Java in een zeer welgestelde notabele familie geboren en 57 jaar later berooid in Utrecht gestorven Jeanne Merkus. Vanaf haar vierde zonder vader, en enkele jaren daarna helemaal wees, werd de kleine, een der jongsten van een kinderrijk gezin, verder opgevoed door een oom, die in Amsterdam dominee van de Waalse kerk was. Ze was nog een bakvis toen ze de Maagd van Orléans, de Franse nationale heldin en latere heilige als lichtend voorbeeld, als persoonlijk levensmodel omarmde. Niet veel later verwierf ook Florence Nightingale haar grote en blijvende achting.
Door René Grémaux
Wat de laatste als verpleegster bij de Krimoorlog van 1853-56 gepresteerd had, deed de inmiddels eveneens in de verpleging getrainde Jeanne dunnetjes over in Parijs tijdens het Pruisische (Duitse) beleg van 1870-71. Moedig stond ze gewonden en andere behoeftigen met verbandmiddelen, geld en stichtelijke teksten bij. Toen in het voorjaar van laatstgenoemd jaar in de Franse hoofdstad de Commune uitbrak, ging ze niet alleen voort met het lenigen van materiële en geestelijke noden, maar zette ze ook de eerste duidelijke schreden op haar eigen militante loopbaan door zich te spiegelen aan de vele vrouwen-strijders onder de Communards, met als boegbeeld de nog steeds bekende Louise Michel. Wellicht was Jeanne ten tijde van dit kortstondige sociaal-anarchistische experiment zelf een der zogeheten Amazones de la Seine.
Na de in bloed gedrenkte val van de Commune keerde Jeanne terug naar de Rivièra en bezocht wederom Italië. Het Risorgimento, de bevrijding en eenmaking van dat land onder Cavour, Victor Emanuel, Mazzini en vooral Garibaldi, genoot haar grote sympathie. Op 19 juli 1870 verklaarde Frankrijk – daartoe uitgelokt – Pruisen de oorlog, na de Duitse overwinning bij Sedan, begin september, gaf Napoleon III zich over aan de Duitsers, 4 september werd de Franse republiek uitgeroepen, Frankrijk laatste bondgenoot paus, medio september 1870 begin Italiaanse omsingeling van Rome, 20 september 1870 werd overgave stad getekend, 9 oktober 1870 Rome ingelijfd door Italië en hield het eeuwenoude pauselijke koninkrijk op te bestaan. In Frankrijk, waar ze toen verbleef, nam ze met protestants genoegen kennis van het einde van de wereldlijke macht van de bisschop van Rome, over het in vervulling gaan van het lang verbeide Roma capitale! (sinds 1865 had Florence dienst gedaan als regeringszetel), de bekroning van de Italiaanse staatkundige eenwording.
Ter ere van wat haar antipapistische ogen zagen als de bevrijding van de Eeuwige Stad, wilde ze een jaar later uitgerekend daar “een gebouw tot Gods verheerlijking” doen verrijzen. Gebruikmakend van de val van de katholieke theocratie gonsde het in Rome meteen van allerlei bedrijvigheid van protestanten, vrijmetselaars en andere antipapisten. Kort na haar aankomst moest de mystica in Jeanne echter gehoor geven aan een influistering van gene zijde, die haar bouwplannen richting Jerusalem verwees. Na een lange en niet ongevaarlijke reis door het Midden-Oosten kocht Jeanne, inmiddels zonneklaar geheel in de ban van de eindtijdtheologie, via een inheemse stroman in 1873 even buiten de Jaffa-poort een bunder grond voor de oprichting van haar levenswerk. Het zou een groot gebouw worden waarin talrijke ware volgelingen van de Heer Zijn aanstaande wederkomst konden afwachten en de gelukzalige dageraad van het duizendjarig Vrederijk bijwonen.1Over Merkus als eindtijd alarmiste, zie speciaal Rie Hilje Kielman, In het laatste der dagen. Eindtijdverwachting in Nederland op de drempel van de moderne tijd (1790-1880). Delft: Academische uitgeverij Eburon, 2017, 661-666. Alles op haar kosten.
Diep in de buidel
Jarenlang diep in de buidel tasten voor allerhande verheven doeleinden – van armenzorg en gewondenverpleging tot evangelisatie en sociale hervorming – deed haar middelen danig slinken. Na de enorme aderlating die het zo dadelijk te bespreken Balkan-avontuur uit 1875-76 met zich bracht, werd haar financiële situatie steeds nijpender. De tot voor kort gevierde voorvechtster van de Slavische zaak werd onder de christelijke bevolking van die landstreken in diskrediet gebracht en viel ten prooi aan verguizing en vergetelheid.
Daarentegen leden de Turkse machthebbers in Palestina, en moslims meer in het algemeen, veel minder aan collectief geheugenverlies. Onder hen bleef het besef springlevend dat Jeanne het had bestaan om de wapens op te nemen tegen het rijk van de sultan. De eigendomstitel van haar christelijke bouwproject werd betwist en wat volgde was een reeks geldverslindende en zenuwslopende juridische procedures, iets waartegen Jeanne financieel niet lang bestand was, en waaraan ze uiteindelijk ook persoonlijk bezweek. Haar nooit afgebouwde project viel ruim een eeuw na de aankoop in 1873 ten prooi aan de slopershamer.
In de hoedanigheden van filantroop, gewondenverzorgster en strijder beleefde ze op de grenzen van het Oosten, zoals men die streken toen wel noemde, haar finest hour. Na haar aankomst in Herzegovina van december 1875 bereikte de onversaagde gouverneur-generaalsdochter, die voor deelname aan het mannelijke krijgsbedrijf zich toepasselijk kleedde, stormenderhand de status van een herboren Jeanne d’Arc, om acht maanden later, door roddels en gekonkel geveld, als een halve staatsvijand Servië te moeten verlaten.
Dat Jeanne’s carrière in den vreemde veelal als een duizelingwekkende achtbaan verliep, was al langer bekend. Naar nu pas blijkt, waren echter de wederwaardigheden van het enige authentieke portret dat destijds op de Balkan van haar gemaakt is, een tot zeer onlangs verloren gewaand olieverfschilderij, minstens zo onnavolgbaar.
Joyeuse entrée
Reeds als Merkus’ aankomend biograaf leerde ik uit kranten en andere oude geschriften over dit schilderij. In maart 1876 werd ze door met de Turken onder een hoedje spelende Oostenrijkers gevankelijk uit opstandig Herzegovina weggevoerd. Na aankomst in Linz herkreeg ze de vrijheid, die ze gebruikte om schielijk naar Belgrado door te reizen, waar ze in patriottische kring al langer een begrip was. Bijgevolg viel de Amazone van de Herzegovijnse opstand in Servië’s hoofdstad een warm onthaal ten deel.
Het prinsdom was zich toen juist langzaam aan het voorbereiden om samen met het kleine en stamverwante Montenegro de Turkse machthebbers definitief uit de aangrenzende gebieden te verdrijven. Beschrijvingen van haar joyeuse entrée in Belgrado’s hoogste kringen geven inzicht in de totstandkoming van het portret. In het oudst bekende krantenbericht over de schilderplannen, verschenen in een dagblad uit Belgrado van begin april, staat te lezen:
Zoals we vernemen, ontstond onder de inwoners van Belgrado het idee om haar portret te laten schilderen ten behoeve van het Nationaal Museum. Een van de meest vooraanstaande Servische schilders zal deze taak op zich nemen, en om de noodzakelijke kosten te dekken, worden er reeds bijdragen ingezameld door de daartoe bevoegde heer Živko M. Jovanović, ambtenaar van het Ministerie van Justitie. Eventueel te veel ontvangen bijdragen zullen ten goede komen aan de weeskinderen van de Herzegowijns-Bosnische opstandelingen.2Vidovdan, 4.4(23.3).1876, p.2.
Of zoals een Duitse krant later meldde:
Onder schrijvers en professoren vindt het idee ingang om haar levensgrote portret te laten tentoonstellen in de schilderijengalerij van het Nationaal Museum. Een speciale delegatie heeft haar verzocht om voor de beroemde lokale schilder Stefan Theodorovich, aan wie dit werk is toevertrouwd, te poseren.3Allgemeine Zeitung (Augsburg) 25.4.1876, p.1733 (p.1) (Übersicht) Frl. Merkus; p 1739 (p.7): Serbien. Belgrad 17. April.
In een Nederlandse terugblik heette het:
[M]ej. Merkus [ontving] een deputatie met den Burgemeester van Belgrado aan ‘t hoofd; de vleiende en hartelijke aanspraak van een dezer afgevaardigden (Mr. Malditch) behelsde het verzoek, om den beroemdsten schilder van Servië (Mr. Fodorovitch) te veroorloven haar portret te maken, dat in het Nationaal museum, tusschen de helden van den vrijheidsoorlog, een plaats verdiende. Het antwoord van onze landgenoote luidde even bescheiden als eenvoudig.4Het Nieuws van den Dag (Amsterdam), 11.8.1876, p.2. De heldin der Herzegowina.
Toen de in 1875 gestarte periode van opstand en oorlog drie jaar later ten einde was gekomen, meldde een Oostenrijks geschrift hoe ‘haar olieverfportret in het Nationale Museum had gepraald te midden van andere volksheldinnen’.5Illustrirte Geschichte des Orientalischen Krieges von 1876-78. Für das Volk bearbeitet von Moritz B. Zimmermann, A. Hartleben’s Verlag, Wien, Pest & Leipzig, 1878, 199, waar letterlijk staat: ‘ihr Oelbild sah man im National-Museum neben anderen Volksheldinnen prangen’.
Gewapend met tenminste enige kennis van dit soort moeilijk weerlegbare gegevens toog begin jaren zestig van de vorige eeuw een medewerker van de Nederlandse Ambassade naar het op een steenworp gelegen Nationale Museum (Narodni muzej) om daar navraag te doen. De Joegoslavische speelfilm Nevesinska puška (Het Geweer van Nevesinje) was toen namelijk in voorbereiding, met als thema de in de zomer van 1875 uitgebroken grote Herzegovijnse opstand.
Nederlandse heldin
In deze spectaculair opgezette rolprent was een niet onbelangrijke rol weggelegd voor de Nederlandse heldin, iemand over wie regisseur en scriptschrijver eigenlijk bitter weinig wisten. Hun naar Nederland verzonden noodkreet bereikte behalve een rubriek in De Telegraaf ook Haagse ministeriële burelen, waar de heer Felix Koopstra werkzaam was, toevallig een nazaat van een van Jeannes zussen. Het is vooral aan deze onderzoeker te danken dat de filmmakers in Zagreb op de valreep toch nog enige betrouwbare informatie ten aanzien van Jeanne ontvingen, onder andere dat het Nationaal Museum in Belgrado een portret van haar moest hebben.
Het schilderij, een werk van de alom bekende en geprezen Servische kunstenaar Stevan Todorović (1832-1925), kon wellicht meer houvast bieden. Helaas verklaarden museummedewerkers het bewuste werk niet te hebben en al evenmin te kennen. In het laatste decennium van de twintigste eeuw poogde schrijver dezes het gezochte portret daar alsnog te vinden, hetgeen niets opleverde. Conservatoren en kunsthistorici van naam, onder wie iemand met Todorović als specialisme, betwijfelden of het schilderij ooit had bestaan en toonden zich ervan overtuigd dat het zich zeker niet in de verzameling van het Nationaal Museum bevond.
De tegenwerping dat het misschien een ongesigneerd of verkeerd gedocumenteerd werk betrof, dat uitgerekend een voor niet ingewijden moeilijk als vrouw te herkennen persoon uitbeeldde, kreeg geen gehoor. Argeloze ogen zouden het in de traditionele mannendracht van Herzegovina/Montenegro gehulde krijgshaftige individu, de tenue waarin zij zich in Belgrado had aangediend en waarin zij de deelnemers van de daar te harer ere gehouden massale fakkeltocht had toegesproken, niet licht als uitheemse vrouw herkennen, maar eerder aanzien voor jongeling uit genoemde streken zonder gezichtsbeharing, zo argumenteerde ik tevergeefs.
Ongewisheid
De knagende ongewisheid over dit portret, überhaupt het enige schilderij dat van haar bij leven gemaakt lijkt te zijn, had zich wellicht tot in het oneindige voortgezet, ware het niet dat een paar jaar geleden jaargang 1876 van het Russische weekblad Pčela (de Bij) online verscheen, met in een aflevering van juni de langgezochte beeltenis van juffrouw Markus, actieve deelnemer (deyatel´) aan de Slavische opstand, zoals ze daar heet. De grafische weergave van Todorović’ olieverfportret ten dienste van reproductie in het tijdschrift werd uitgevoerd door Mihailo Borisavljević, een bursaal uit Servië die in Rusland kunsten studeerde, maar dat voorjaar vermoedelijk was teruggekeerd naar zijn geboortegrond vanwege de nakende oorlog met Turkije.
Waar ik was blijven uitkijken naar het verloren portret, doch immer binnen Todorović’ zeer omvangrijke oeuvre en dat van andere mannelijke schilders uit die tijd, kon kunsthistorica Irena Ćirović, in Belgrado een proefschrift voorbereidend, met de prent uit Pčela in de hand het schilderij in de collectie van het Nationaal Museum traceren als de sinds jaar en dag steevast aan Mina Vukomanović-Karadžić (1828-1894) toegeschreven Jonge Montenegrijn (Mladi Crnogorac).6Irena V. Ćirković, Slike žena u srpskoj umetnosti druge polovine XIX veka. Beograd: Univerzitet u Beogradu, Filozofski fakultet, Odeljenje za istoriju umetnosti, 2022, 86-90, 300 (cyr.) (online)
Bestemd voor vertoning in een eregalerij presenteerde schilder Todorović een lichtelijk geïdealiseerd beeld van de in mannenkleding gehulde heldin, met in de gordel een trendy Lefaucheux pistool uit Luik. Graficus Borisavljević, werkend voor het blad uit Sint-Petersburg, tekende Jeanne echter in scherp realistische trekken, doch liet onderin de voorstelling vreemd genoeg het wapen weg. Zijn weergave van haar uiterlijk is meer in overstemming met de weinige ooggetuigenverslagen uit de toenmalige pers, zoals bijvoorbeeld in een Praags blad uit de tweede helft van maart:
Een niet oninteressante figuur is de veelgenoemde Nederlandse Johanna Merkus. Ze is ongeveer 32 jaar oud, heeft mannelijke trekken, een dikke, sproeterige neus en aufgeworfene lippen. Haar gitzwarte haar, waar al wat grijs tussendoor komt, is kortgeknipt en ze draagt het Herzegowijnse mannenkostuum. Ze heeft zwarte ogen waarmee ze grimmige blikken werpt.7Bohemia, 26.3.1876, p.2. Politische Tageschronik […] Triest, 23. März.
En een van eind juli daterend bericht, met flinke vertraging weergegeven in een Amsterdamse krant, schetst haar nóg ongunstiger. Haar sokkel was toen al flink aan het wankelen gebracht zodat de pers ook meende te kunnen afdingen op haar actieve deelname aan krijgshandelingen.
De korrespondent van het weener Fremdenblatt […] maakt […] een weinig vleijend portret van de dochter van wijlen een gouverneur-generaal van Nederlandsch-Indië. Jufvrouw Merkus, die zich bij de bosnische opstandelingen heeft aangeloten, – schrijft hij – draagt de kleederen van een montenegrijnsche jongen, namelijk een wijden pantalon, een groene bunda, die van voren wordt zaamgehouden door een rooden gordel, waarin een revolver steekt, waaruit zij echter nog geen schot gelost heeft, en een paar nette rijlaarzen. Als hoofddeksel draagt zij eene geborduurde montenegrijnsche muts, waaruit vlechtjes kort zwart haar komen kijken. Haar gelaatstrekken zijn onbeduidend. Zij heeft een zoogenaamd ,,mopsgezigt” en ook in hare manier van spreken – met den korrespondent sprak zij duitsch – is niets opmerkenswaardig.8Amsterdamsche Courant, 17.8.1876, p.1 – citaat is uit Fremden-Blatt, 3.8.1876, p.1-2. Im Hauptquartier (Von unserem Spezial-Korrespondenten). Badovince an der Drina, 29. Juli.
Anders dan Todorović, geeft Borisavljević haar al wat grijze haren, eveneens neemt de toeschouwer bij hem ook de wat gezwollen wangen en de iets te dikke lippen waar. Wat de aangehaalde beschrijvingen niet vermelden, maar andere wel, is de op een onbepaalde verte gerichte blik, en die is hier door Borisavljević beter gevangen dan in Todorović’ origineel. Kenmerkende verschillen als deze wekken sterk de indruk dat Borisavljević’s weergave ook op eigen observatie berustte, en niet slaafs het voorbeeld van de meester volgde.
Samen met Katarina Ivanović en Todorović’ half-Griekse echtgenote Poleksija, geboren Ban, vormde Mina Vukomanović-Karadžić, dochter van de beroemde Servische taalhervormer en etnograaf Vuk Stef. Karadžić, de enige vrouwen die de negentiende-eeuwse Servische schilderkunst kende. Binnen Mina’s getalsmatig geringe opus gold de Jonge Montenegrijn als een van de beste werken in olieverf op doek. Kennelijk geschiedde de toeschrijving zonder mitsen en maren; argwaan bestond in kunsthistorische kringen naar het schijnt niet of nauwelijks. Het schilderij was ergens tussen 1945 en 1965, ondanks stilistische en schildertechnische verschillen, gevoegd bij Mina’s drie authentieke olieverfportretten voorstellende (echte) Montenegrijnse mannen, die het museum al sinds de eeuwwisseling in bezit had. Deze werken dateerden van ongeveer 1850, dus het vierde werd ook in dat tijdkader geplaatst.
Portrettengalerij
Ten gevolge van Jeannes ontluisterende vertrek uit Servië in augustus 1876 zal haar portret wel snel aan publieke vertoning onttrokken zijn, om vervolgens zoek te raken of erger, zo dacht ik lange tijd. Ofschoon het lot van het schilderij in de eerste twee decennia van zijn bestaan vooralsnog onbekend is, vinden we het rond die eeuwwisseling in de portrettengalerij van het overigens toen nog elders gevestigde Nationale Museum, en wel in de gang, de ereplaats gereserveerd voor grootheden. Behalve van belangrijke figuren uit de vaderlandse geschiedenis hingen daar ook portretten van de Oostenrijkse keizerin Maria Theresia, van Peter de Grote en van andere Russische tsaren. Voorwaar geen bescheiden plaats voor de Nederlandse.
Dit alles blijkt uit de allereerste museumcatalogus, die jammer genoeg alleen een summiere opsomming bevat. Todorović wordt daar als auteur aangemerkt en de afgebeelde als Merkusova. Het nu herondekte of liever gezegd ten slotte weer correct geïdentificeerde portret vertoont duidelijke sporen die erop wijzen dat het vroeger voor een deel bedekt is geweest door een brede lijst met een ovale opening. Meestal was een dergelijke omlijsting, ter onderstreping van de bijzondere status van de afgebeelde, verguld en van ornamenten voorzien.
Jonge Montenegrijn
Nader onderzoek zal uitwijzen wanneer en onder wat voor omstandigheden de door Todorović’ geportretteerde doodleuk een nieuw bestaan begon als Jonge Montenegrijn, niet langer als werkstuk van een man maar als een door vrouwenhand geschilderd product. Op de een of andere wijze moet er een grote omslag hebben plaatsgevonden die de continuïteit van beheer doorbrak. Onoplettendheid is de meest voor de hand liggende oorzaak, bijvoorbeeld ten gevolge van chaotische verhuistoestanden, verlies en/of verwisseling van label en documentatie, wijziging van collectie-beleid of onverwacht wegvallen van een goed ingewerkte conservator.
Hoe het ook zij, hedendaagse Servische museumdeskundigen, kunsthistorici en -critici mogen de handschoen oppakken en zich overgeven aan pijnlijk zelfonderzoek door zich af te vragen hoe deze weergaloze tweevoudige geslachtsverwisseling kon geschieden en minstens zestig jaar onopgemerkt blijven. Dit alles nota bene binnen een en dezelfde doorgaans achtenswaardige en betrouwbare instelling en met betrekking tot een belangrijk werkstuk uit het oeuvre van twee in aanzien staande en in het algemeen goed bestudeerde kunstenaars.
Met haar als tijdelijk bedoelde verkleding gooit Jeanne anderhalve eeuw na dato een knuppeltje in het Servische hoenderhok, zoveel is zeker. Een beetje reuring veroorzaken in het land dat haar zo stiefmoederlijk behandelde, dat is Jeannes nagedachtenis zeker gegund. In de tussentijd mag de Nederlandse natie zich verheugen deze altijd met de waas van geheimzinnigheid omhulde verloren dochter, een van de zeldzame landgenotes uit de negentiende eeuw die in den vreemde méér van zich deden spreken dan thuis, eindelijk in vol ornaat en in kleur voor zich te zien.
René Grémaux (1952) is een Nederlandse antropoloog en Balkandeskundige. Hij heeft als docent gewerkt aan de Universiteit van Belgrado. Grémaux is bekend van zijn onderzoek naar en publicaties over de Balkan. Hij is onder andere co-auteur van de biografie Mystica met kromzwaard: Het opzienbarende leven van Jenny Merkus (1839-1897), samen met Wim van den Bosch. Daarnaast heeft hij ook gepubliceerd over lokale geschiedenis, waaronder over Bossche beeldend kunstenaars.


