In de marge van het socialistisch realisme: de literaire vertalingen van Ella Kazdová

Ella Kazdová

Geschatte leestijd: 27 minuten

De Tsjechische vertaler Ella Kazdová (1909–1982) heeft maar liefst negentien literaire vertalingen uit het Nederlands op haar naam staan. Wilken Engelbrecht beschrijft hoe politieke omstandigheden grote invloed hadden op het werk van de vertaalster van o.a. Godfried Bomans, Anton Coolen en Anne de Vries.

In de traditie van Tsjechische vertalers van Nederlandstalige literatuur in de twintigste eeuw springen er voor 1989 vier vertalers duidelijk uit. Dat zijn in het Interbellum Lída Faltová (1890–1944) en Rudolf Jordán Vonka (1877–1964), die zich als eerste Tsjechische vertalers specifiek op het Nederlands richtten,1Voor hun werk en levensbeschrijving zie Engelbrecht 2021b: 154–164 (Vonka) en 164–171 (Faltová). Voor Krijtová, zie het in memoriam door Ellen Krol (2016). en in de tweede helft van de eeuw Olga Krijtová (1931–2013), die zowel literair vertaalster, als ook universitair docente Nederlands bij de Karelsuniversiteit in Praag was en een indrukwekkend vertaaloeuvre heeft nagelaten.

Door Wilken Engelbrecht

De vierde vertaler, Ella Kazdová (1909–1982), wordt meestal vergeten. Toch heeft zij tussen 1947 en 1982 negentien literaire vertalingen op haar naam staan, wat een redelijk groot aantal is (zie bijlage). Er zijn nog tientallen andere vertalers bekend, maar die deden hooguit nu en dan eens een Nederlands boek erbij.2Voor een relatief compleet overzicht van de Tsjechische receptie in de periode 1945–2010, zie Smolka Fruhwirtová 2010. Voor een overzicht van de trends tussen 1846 en 2010, zie Engelbrecht 2013, met inbegrip van korte biografietjes van de belangrijkste vertalers. In deze bijdrage wordt op de betekenis van Kazdová voor de Nederlandstalige cultuur in Tsjechië ingegaan.

De jeugd van Kazdová

Ella’s afkomst wijkt af van die van de andere genoemde vertalers.3Het is vrij moeilijk om gegevens over Kazdová te vinden. De data over haar leven komen enerzijds uit filmencyclopedieën, anderzijds vooral uit haar eigen correspondentie met Antoon Coolen, Johan Fabricius en Anne de Vries die zich in de archieven in het Literatuurmuseum bevinden. Zie ook Engelbrecht 2021b: 253–254. Waar Faltová de dochter was van een kleine ondernemer in het dorpje Žerutky, Vonka’s vader een eenvoudige metselaar in Křinec was en Krijtová een arts als vader en een Duitslerares als moeder had, waren de ouders van Kazdová toneelspelers en filmsterren. Haar vader František V(ilém) Kučera (1879–1958) was zelfs een van de belangrijkste filmsterren aan het begin van de Tsjechoslowaakse filmindustrie en was eerste vicevoorzitter van de Organizace filmového herectva, de Tsjechische bond van filmacteurs. Daarnaast was hij een van de oprichters van het stedelijk theater in Kladno. Niet onbelangrijk voor de latere situatie van zijn dochter is dat hij in 1935 als gelovig katoliek mede-organisator was van de eerste grote nationale bijeenkomst van katholieken in het Praagse Strahov-stadion. Hij hielp tevens na afloop de beeldpublicatie Congressus Catholicus Pragensis als propaganda uit te geven (Mikulta – Scheinost 1936). Ook moeder Luise Hanková-Kučerová (1889–1963) was toneelspeelster.4Zie voor hun levensbeschrijvingen Kazda 2021 (voor František V. Kučera) en Teatrolog z.j.2. De meisjesnaam van Kuisa Hanková-Kučerová was Rohlenová, Hanková voegde zij als kunstenaarsnaam bij haar naam als getrouwde vrouw toe.

In dit gezin werd Ella geboren in Kladno op 1 december 1909 als Gabriela Kučerová. Een paar jaar later werd haar broer Otto Kučera (1913–1990) geboren. Film was in de nieuwe republiek Tsjechoslowakije booming business en ook een manier om de nieuwe staat naar buiten toe te presenteren, met name nadat Miloš Havel (1899–1968) samen met zijn broer ing. Václav Havel (1897–1979), de vader van de latere president Václav Havel, in 1931 maar Amerikaans voorbeeld de filmstudio’s in Barrandov opzette, studio’s die overigens nog steeds worden gebruikt.5

Afbeelding 1. Ella Kučerová als gravin Marita met haar vader als graaf (film, minuut 28:03)
Afbeelding 1. Ella Kučerová als gravin Marita met haar vader als graaf (film, minuut 28:03)
De eerste film Vražda v Ostrovní ulici [Moord in de Ostrovní straat] werd hier in 1933 opgenomen. De Duitse bezetter dwong de Havels om hun bedrijf te verkopen, dat vervolgens na de bevrijding in 1945 werd genationaliseerd. Na 1989 trachtte de familie Havel vergeefs om hun bedrijf terug te krijgen. Otto stapte in de voetsporen van zijn ouders, werd musicus met een eigen band en trad daarnaast een paar maal in films op.

Ella trad voorzover bekend slechts eenmaal in 1923 op in de stomme film Buď přípraven [Wees paraat], waarin zij de rol van gravin Marita speelde met spelersnaam Ela Kučerová. In de een uur durende film die grotendeels op slot Orlík van de vorstelijke familie Schwarzenberg was gedraaid (afbeelding). De film ademde de geest van de toenmalige republiek: propaganda voor de scoutbeweging, voor gezonde sport in de buitenlucht en voor een positieve rol van de hogere standen en wederzijdse hulp.

Diplomate en gerechtstolk

Ella besloot echter een heel andere richting uit te gaan. Talen trokken haar aan en na het eindexamen gymnasium in 1927 ging zij werken bij de persdienst van het Tsjechoslowaakse Ministerie van Buitenlandse Zaken. Vanwege haar kennis van het Duits en Engels werd zij in 1929 uitgezonden naar de Tsjechoslowaakse ambassade in Den Haag als opvolgster van Rudolf Jordán Vonka. In de periode tot 1934 dat zij hier was, leerde zij net als Vonka goed Nederlands, maar waar Vonka her en der in Nederland lezingen gaf, beperkte Ella zich tot haar werk bij de ambassade.6Anders dan Vonka die vaak voor Nederlands publiek sprak, heeft Kazdová geen enkel spoor nagelaten in de Nederlandse pers. De gegevens over haar loopbaan komen uit haar eigen correspondentie met Godfried Bomans, Antoon Coolen en Anne de Vries. Delen zijn gepubliceerd door Wout van Leersum (1993, passim) en Cees Slegers (2001: 472–476, 549, 555–556).

Na afloop van de uitzendingsperiode deed Ella in 1935 eindexamen Nederlands bij de Karelsuniversiteit, waarbij de oprichter van de neerlandistiek František Kalda (1884–1969) haar examinator was. Vervolgens ging zij als gerechtstolk werken, een job die ze ook na haar huwelijk in 1935 met de ingenieur en planoloog Ing. Jaromír Kazda (1894–1973) aanhield. In het officiële Bulletin van het Ministerie van Justitie stond zij van 1936 tot 1947 jaarlijks als gerechtelijk tolk-vertaalster voor de “Hollandse taal” vermeld.7In 1936 met haar meisjesnaam Gabriela Kučerová (Anoniem 1936: 57), in 1937 als Gabriela Kazdová geb. Kučerová (Anoniem 1937: 53), vanaf 1938 als Gabriela Kučerová (Anoniem 1938: 28). Alleen in 1939 werden uitsluitend tolken genoteerd die wegens verhuizing waren gestopt. Kazdová ontbreekt daarom, maar werd in 1940 weer vermeld (Anoniem 1940: 69). De laatste vermelding is uit 1947 (Anoniem 1947: 147). In 1948 werd er geen lijst uitgegeven en in 1949 werd geconstateerd dat een cartotheek voldoende was. Bovendien wilde men beëdigde vertalers die zich niet aan de nieuwe normen conformeerden, uit het bestand verwijderen (Anoniem 1949: 65). Kazdová werd enkele jaren later ook slachtoffer van deze politiek. Vermoedelijk heeft Kalda deze job bemiddeld, want hij stond zelf tot 1939 als tolk geregistreerd. Omdat hij na de uitroeping van de Slowaakse Staat bij wijze van uitzondering als Tsjech bij de universiteit van Bratislava aangesteld bleef, maar niet langer naar Praag heen en weer kon reizen,8Kalda had in 1921 het lectoraat Nederlands in Praag opgericht. In 1927 werd hij hoogleraar in Bratislava, maar bleef tegelijkertijd aan als hoogleraar en gerechtstolk in Praag (Engelbrecht 2021: 20). werd hij uit het register uitgeschreven (anoniem 1939: 105, vgl. Engelbrecht 2021: 21).

Literair vertaalster

Blijkens aankondigingen in kranten, trad Kazdová naast het beroepsmatige vertaalwerk nu en dan op in radio Praha 1 met verhalen over Nederland. Hoe zij ertoe kwam om als literair vertaalster aan het werk te gaan, is niet duidelijk. Uit de bewaard gebleven correspondentie met de Drentse streekauteur Anne de Vries (1904–1964) blijkt dat zij in 1946 was begonnen Bartje te vertalen.9In een brief van Kazdová aan Anne de Vries van 20 september 1946 vertelde zij over haar verblijf in Den Haag in de jaren 1930–1934 en dat ze was begonnen Bartje te vertalen. Zij was om de vertaling gevraagd door de boekenclub Evropský literární klub [Europese Literaire Club], een imprint van de succesvolle uitgeverij Sfinx van Bohumil Janda (1900–1982). De uitgeverijen van Janda hadden verschillende Nederlandstalige werken in hun fondsen en Janda was in contact met onder andere Alice von Eugen-Nahuys (1894–1967) van uitgeverij Querido in Amsterdam en met Angèle Manteau (1911–2008) van de gelijknamige uitgeverij in Antwerpen.

Van belang is zeker dat Lída Faltová op 20 december 1944 was overleden,10Zij had ernstige schildklierproblemen en volgens Faltová’s vriendin, de violiste Ervina Brokešová (1900– 1987), droeg tot haar dood ook bij dat zij die dag een brief uit Praag kreeg dat haar door de Gestapo in 1940 gevangen genomen zoon voor de rechtbank moest komen waarbij de doodstraf dreigde (Brokešová 1972: 169). waarmee de toenmalige grand old lady van in het Tsjechisch vertaalde Nederlandstalige literatuur wegviel. Op het moment van overlijden had Faltová verschillende onvoltooide vertalingen onder handen, waarvan de belangrijkste het in Nederland populaire werk Erik of het klein insectenboek van Godfried Bomans (1913–1971) was. Die was al deels klaar en Bomans had op verzoek van de uitgeverij al een voorwoord voorbereid. Nu was Bomans een humoristische en tamelijk katholieke auteur, twee zaken die Rudolf Vonka, de ervaren vertaler die normaal gesproken in aanmerking zou zijn gekomen om de onvoltooide vertaling over te nemen, niet echt lagen. Mogelijkerwijs heeft hij Kazdová aanbevolen. Een andere mogelijkheid is dat de uitgeverij haar kende uit haar radio-optredens. Uit de bewaard gebleven correspondentie is in elk geval duidelijk dat zij door de uitgeverij was gevraagd.11De toedracht blijkt uit Kazdová’s brief aan Bomans van 12 januari 1951. De complete vertaling van Kazdová is aanwezig in het archief van Družstevní práce, LA PNP fonds 70/57. In een brief van 7 juli 1958 probeerde Kazdová de situatie nog eens aan Bomans uit te leggen. Hoe dan ook, uitgeverij Družstevní práce [Coöperative Arbeid] ondertekende op 9 november 1947 een contract met Kazdová. De vertaling was op dat moment al klaar, wat betekent dat zij vermoedelijk inderdaad slechts Faltová’s vertaling heeft voltooid.

In hetzelfde jaar kwamen Kazdová’s vertalingen van Eiland der demonen van Johan Fabricius (1899–1989) en van Uit het kleine rijk van de in Tsjechië destijds al zeer bekende Antoon Coolen (1897–1961) uit. Tenslotte maakte zij ook nog in 1947 een complete vertaling van Het verjaagde water van A. den Doolaard (ps. van Bob Spoelstra, 1901–1994) en voltooide zij haar reeds genoemde vertaling van Bartje.

Met deze vertalingen is het profiel van Kazdová’s werk geschetst: zij prefereerde streekromans en het humoristische genre. Met De Vries en Coolen zou Kazdová een intensieve correspondentie voeren die in veel opzichten ook typerend is voor het tijdsgewricht. Anders dan Faltová was Kazdová in haar correspondentie vrij persoonlijk. Ze stuurde ‘haar’ schrijvers regelmatig kerstkaarten en foto’s van haar gezin en vakantiekiekjes.

Vriendschap met Antoon Coolen

Afbeelding 2. Antoon Coolen bij zijn
eerste bezoek in Tsjechoslowakije,
rechts Kazdová
Afbeelding 2. Antoon Coolen bij zijn
eerste bezoek in Tsjechoslowakije,
rechts Kazdová

De vriendschap met Coolen zou het innigste worden. In maart 1947 werd Coolen door uitgever Bohumil Janda van Sfinx en door de Praagse PEN-club uitgenodigd voor een reis van twee weken door Tsjechoslowakije (Slegers 2001: 472–473). Coolen, van wie zowel voor de Tweede Wereldoorlog, als tijdens de bezetting en na de oorlog vele romans waren uitgegeven bij vrijwel alle Tsjechische uitgeverijen die Nederlandstalige literatuur in hun fondsen hadden,12Het theaterstuk De vreemdeling werd als Cizinec in 1935 vertaald door Faltová. In 1937 vertaalde zij Kinderen van ons volk als Romance z Brabantu voor Melantrich en Dorp aan de rivier als Ves u řeky voor ELK (herdruk 1940). In 1939 volgden haar vertalingen van De goede moordenaar (Dobrák vrah, Škeřík) en van De drie gebroeders (Tři bratři, ELK).

In 1942 verschenen Faltová’s vertaling Herberg In ’t Misverstand (Hospoda U nesváru, ELK; herdruk 1970) en Vonka’s vertaling van Het donkere licht (Temné světlo, Plákovo nakladatelství; herdruk 1946). In dat jaar werd ook De drie gebroeders samen met Dorp aan de rivier als omnibus Vesnický lékař (Sfinx) uitgegeven, een combinatie die nog verschillende keren zou worden herdrukt (1944, 1946, 1968, als luisterboek 1994). In 1943 volgde De schoone voleinding (Koruna života, Melantrich). Faltová’s laatste vertalingen van Coolen waren het toneelstuk De klokkengieter als Zvonař in 1944, vlak voor haar dood, en postuum kwam haar vertaling van De Peelwerkers (Rašelináři, Plzákovo nakladatelství) in 1946 uit. Kazdová vertaalde Het kleine rijk (Malé království, 1948), Miroslav Drápal in 1949 Peerke dat manneke (Peerke strašpytel, Sfinx).
was bij de Tsjechische lezer van de Nederlandstalige schrijvers samen met Johan Fabricius en Felix Timmermans het bekendste, wat overigens ook de reden was om hem, als eerste Nederlandse schrijver, als gast voor PEN Praag uit te nodigen. Hij sprak bij die gelegenheid op 21 maart 1947 zelfs op de Tsjechoslowaakse radio (Osvobozený Našinec 1947).

Kazdová, toen al bezig met Het kleine rijk, kreeg de opdracht om hem te begeleiden en nodigde hem uit voor een tweede reis midden augustus 1947. Beide reizen werden vrij uitvoerig in de Tsjechische pers verslagen. Coolen zou op basis van zijn indrukken het in 1948 verschenen boekje Tsjechische suite schrijven. Er werd ook een verfilming gepland van Dorp aan de rivier, dat op dat moment inmiddels al aan de zesde Tsjechische druk toe was, een druk die overigens pas jaren later zou verschijnen. De Tsjechische pers bracht zijn tweede bezoek in verband met de geplande film Dorp aan de rivier. Zo meldde bijvoorbeeld de links-liberale krant Slovo národa [Woord van de Natie]:13Spisovatel A. Coolen přijel do ČSR. Do Prahy přijel slavný severský spisovatel Anton Coolen, jehož romány Ves u řeky, Temné světlo, Tři bratři, Hospoda u nesváru, Vesnický lékař a jiné, jsou u nás dobře známy. Jeho nejznámější román Ves u řeky bude filmově zpracován naší státní filmovou výrobou. Proto Coolen přijel do Prahy.

De schrijver A. Coolen kwam naar de ČSR
De beroemde Noordeuropese schrijver Anton Coolen, wiens romans Dorp aan de rivier, Het donkere licht, De drie gebroeders, Herberg In ‘t Misverstand, De dorpsdokter en andere boeken zeer bekend zijn in Tsjechië, is naar Praag gekomen. Zijn beroemdste roman, Het dorp bij de rivier, zal door onze staatsfilmproductie worden verfilmd. Daarom is Coolen naar Praag gekomen.

Tot verfilming in Tsjechoslowakije zou het vanwege de communistische machtsovername niet meer komen. Tenslotte verfilmde Fons Rademakers de roman in 1958 in Nederland en met veel vertraging was deze film vanaf 11 juni 1965 ook in Tsjechoslowakije in de bioscoop te zien, waarbij nog eens werd verwezen naar de oude plannen om de roman in Tsjechië te verfilmen (Filmové přehledy 1965).14In het kader hiervan riep redacteur Pavel Grym van de krant Lidová demokracie (P.G. 1965) de uitgevers op om weer boeken va Coolen uit te geven. Dat zou eind jaren zestig ook inderdaad gebeuren.

Afbeelding 3. Kazdová met haar zoon
Jaromír, begin 1949
Afbeelding 3. Kazdová met haar zoon
Jaromír, begin 1949

Op 30 december 1948 werd Kazdová’s zoon, naar zijn vader ook Jaromír genoemd, geboren. Inmiddels was er in Tsjechoslowakije het een en ander gebeurd. Op 13 februari van dat jaar hadden de democratische partijen geprotesteerd tegen de vervanging van acht politiecommissarissen door communisten. Na een week van felle discussies dienden twaalf democratische ministers hun ontslag in om zo vervroegde verkiezingen te forceren die de communisten waarschijnlijk verloren zouden hebben. In plaats daarvan stelde premier Gottwald een minderheidsregering voor die zou regeren tot aan de al voor eind mei 1948 geplande verkiezingen. Onder druk nam president Beneš dit op 25 februari aan en daarmee was de communistische coup een feit. Door massale arrestaties, een bliksemsnel aangenomen nieuwe grondwet en veel politieke druk wonnen de communisten de verkiezingen glansrijk (Renner 2023: 8–18).

De tweede helft van 1948 en begin 1949 was een overgangsperiode. De vertaling van Uit het kleine rijk kwam in augustus 1948 uit bij de uitgeverij van de jeugdbond Mladá fronta. Tsjechische kranten vermeldden dat Coolen de Tsjechische suite had geschreven en dat er binnenkort een Tsjechische vertaling uit zou komen. Zo schreef de romanist en literair criticus Václav Černý (1905–1987) in het katholieke dagblad Lidová demokracie (vč 1948):15Anton Coolen napsal o svých dojmech z Československa knihu »Česká suita«, jež vyjde i v českém překladu.

Anton Coolen heeft over zijn indrukken uit Tsjechoslowakije het boek Tsjechische suite geschreven, dat ook in Tsjechische vertaling zal uitkomen.

In de correspondentie van Coolen is inderdaad een contract van Bohumil Janda met Coolen van 15 april 1948 over een vertaling van de Tsjechische suite aanwezig. Coolen stuurde in december 1948 aan Kazdová informatie voor het boek, er werd gecorrespondeerd over voorpublicatie van fragmenten in tijdschriften en op 13 januari 1949 kon Janda aan Coolen melden dat de vertaling klaar was. Het boek moest samen met Peerke dat manneke bij Sfinx verschijnen. Kazdová kreeg voor haar vertaling van Bartje op 16 februari 1949 nog de Zaorálková cena [Prijs van Zaorálek] toegekend, een vertalerprijs ter hoogte van 10.000 Tsjechoslowaakse kroon, ongeveer 530 toenmalige gulden (Práce 1949).

Problemen met het regime

Op 10 april 1949 werd wet 94/1949 Sb. van kracht die het uitgeverswezen onder staatstoezicht stelde. Als gevolg daarvan werden tot 1950 alle 371 private uitgeverijen opgeheven of gefuseerd in grote staatsconglomeraten. Zo ook Sfinx (en de imprint ELK). Janda werd als bosarbeider tewerkgesteld. Zijn kennis bleek echter onmisbaar en in 1956 kreeg hij een positie bij het nieuw-opgerichte Encyclopedisch Instituut van de Tsjechoslowaakse Academie van Wetenschappen, waar hij tot zijn pensioen in 1972 bleef werken (Venyš 2000: 18–20).

Voor zowel de Tsjechische suite van Coolen, als voor de roman Het verjaagde water van A. den Doolaard, beide in 1948 door Kazdová vertaald, waren de rechten al betaald. Maar de opheffing van Sfinx/ELK zette een streep door de rekening. Tsjechische suite kwam ondanks veel pogingen van Kazdová nooit meer uit.16De correspondentie met Coolen spreekt boekdelen. Op 13 januari 1949 meldde Janda aan Coolen dat de vertaling klaar was. Op 2 maart 1949 volgde een aankondiging dat het boek zou verschijnen. Op 20 mei 1949 meldde Janda dat de uitgave door omstandigheden vertraagd was. Kazdová probeerde nog in 1954 en 1959 om het boek uitgegeven te krijgen, maar op 10 februari 1960 viel definitief het doek, toen de Tsjechische staatsagentuur DILIA meedeelde dat de Tsjechische uitgeverijen geen interesse hadden in het boek. Bij Het verjaagde water lag dat anders. A. den Doolaard had er een talent voor om op de juiste momenten op de juiste plaats te zijn. Zo was hij in 1938 net te Praag toen het Verdrag van München werd ondertekend, waarbij Tsjechoslowakije gedwongen werd om het Sudetengebied, af te staan. Hij beschreef dit in de Nederlandse pers en kreeg vervolgens een inreisverbod voor het Protectoraat Bohemen en Moravië. Tijdens de communistische putsch van februari 1948 was Den Doolaard opnieuw in Tsjechoslowakije, waarna hij in een serie artikelen met de titel Vijf weken in Tjecho-Slowakije uitgebreid verslag deed in De Gelderlander, waarbij hij bovendien een vergelijking maakte met 1938. Het regime kon het niet waarderen en Den Doolaard kreeg prompt een nieuw inreisverbod. Samen met de opheffing van Sfinx zorgde dit ervoor dat de geplande uitgave niet doorging (Engelbrecht 2022: 49–50).

De uitgave van Erik of het klein insectenboek was door de coöperatieve uitgeverij Družstevní práce gepland voor 1948. Als coöperatieve uitgeverij kon DP tot 1953 blijven bestaan en het boek stond op de lijst om te worden uitgegeven. Godfried Bomans had echter op 10 juli 1948 in Elseviers Weekblad een zeer kritisch artikel Studenten in nood gepubliceerd over de vervolging van democratische studenten in Tsjechoslowakije. Dat vond de regering in Praag niet leuk en de uitgave van Erik werd geannuleerd. Ernstiger was dat dat Bomans in zijn naïviteit een knipsel van het artikel aan zijn vertaalster, Ella Kazdová had opgestuurd, terwijl haar post nu werd gecontroleerd.17Ook voor dit boek deed Kazdová haar best om het alsnog uitgegeven te krijgen. Jeugdboekenuitgeverij SNDK deelde uiteindelijk op 23 april 1959 mee dat het boek opvoedkundig niet geschikt werd geacht en dat bovendien niet de juiste entomologie was toegepast (Leersum 1993: 15).

Het net werd aangetrokken. Er kwamen steeds minder tolkopdrachten en op 30 maart 1950 werd Kazdová’s man gearresteerd wegens anticommunistische activiteiten, een feit dat Ella in september 1950 via via wist mee te delen aan Antoon Coolen. Na ruim een jaar voorarrest werd hij op 18 juli 1951 veroordeeld tot vijftien jaar gevangenisstraf (Leersum 1993: 10–11). Op haar werk werd Ella onder toezicht gesteld, maar zij mocht, bij gebrek aan voldoende tolken voor het Nederlands, wel verder werken. Van nieuwe literaire vertalingen kon voorlopig geen sprake zijn. Na de dood van Klement Gottwald op 14 maart 1953, slechts negen dagen na zijn grote voorbeeld Stalin, kondigde diens opvolger amnestie af en op 19 maart werd het gezin weer herenigd.18Het was kennelijk een relatief ‘lichte’ veroordeling, want in het telefoonboek van Praag voor 1952 stond Ing. Jaromír Kazda keurig op het gezamenlijke adres Holečkova 9, Praag XVI vermeld (Městká telefonní správa 1952: 139). Zwaar gestraften raakten meestal hun woning kwijt en werden gedwongen verhuisd naar een kleinere en slechtere woning. Kazda mocht terugkeren in zijn vak, publiceerde in 1954 weer zijn eerste artikelen en gaf in 1959 zelfs een handleiding over constructies van draagbalken uit. De correspondentie tussen Ella en Coolen kwam weer op gang, maar Ella raakte wel haar baan als gerechtstolk kwijt, omdat zij als politiek onbetrouwbaar werd beschouwd.

De dooi

Uit een brief van Kazdová aan Bomans uit 195819Zie noot 12. blijkt dat Kazdová een nieuwe baan vond als vertaalster bij het Instituut voor Hematologie en Bloedtransfusie van de Praagse Karelsuniversiteit. Dat bleef zij tot haar pensioen in 1974. Ze deed verwoede pogingen om Erik, Het verjaagde water en Coolens Tsjechische suite alsnog te publiceren, vooreerst zonder succes. In haar correspondentie aan Nederlandse vrienden weet zij dit aan deviezenproblemen. Uit de brieven blijkt dat Coolen heel goed begreep dat er eerder politieke redenen waren, waarover Kazdová moeilijk kon spreken. Maar de tijden veranderden.

In mei 1963 werd er bij gelegenheid van de tachtigste geboortedag van Franz Kafka door de Tsjechoslowaakse Academie van Wetenschappen een groot congres in Liblice gehouden, dat het begin van de Praagse lente inluidde (Goldstücker 1974: 26). Ook de literaire politiek werd liberaler en dat merkte Kazdová ogenblikkelijk. Eindelijk kon de vertaling van Het verjaagde water uitkomen, bij de katholieke uitgeverij Lidová demokracie [Volksdemocratie].20In 1968 kreeg de uitgeverij haar naam Vyšehrad van voor 1949 weer terug. De uitgeverij bestaat nog steeds. Kazdová werd nu de huisvertaalster Nederlandstalige literatuur van deze uitgeverij, waarmee zij vermoedelijk vanwege het actieve katholicisme van haar vader al in contact was. Voor deze uitgeverij zou zij tot aan haar dood nog verschillende boeken van Fred Germonprez (1914–2001) en Ton Kortooms (1916–1999) vertalen.

Germonprez was een Westvlaamse journalist en schrijver die historische fictie met sociale inslag schreef. Omdat hij de belevenissen van gewone mensen als uitgangspunt nam, waren zijn boeken vanuit een socialistisch-realistisch perspectief acceptabel. Bovendien had hij contacten met zijn collega-journalist Hugo Tomme (1923–1975) die via zijn literair agentschap ILITA actief Vlaamse literatuur in het Oostblok propageerde.21Helaas bevat het archief van ILITA in het Stadsarchief van Gent alleen enkele mantelstukken. Het grootste aantal vertalingen van Germonprez’ werk kwam in Tsjechië uit, waaraan hoogstwaarschijnlijk het enthousiasme van Kazdová debet was. Er is echter vooralsnog geen correspondentie van haar met Germonprez teruggevonden. Het werk van de streekauteur Toon Kortooms, evenals Coolen van huis uit een Brabander, moet Kazdová wegens de humor hebben aangesproken, iets waar in het tamelijk grijze bestaan van het na 1969 ‘genormaliseerde’ Tsjechoslowakije zeker behoefte aan was.

Reis naar Nederland

In juli 1964 mocht Kazdová met haar hele gezin – in die tijd een absolute uitzondering22Meestal moest één van de gezinsleden als een soort gijzelaar thuis achterblijven. – een reis naar Nederland maken. Zoals zij tevoren aan Anne de Vries schreef,23Brief van 4 maart 1964, waarin zij ook trots meldde dat het haar gelukt was om eindelijk Het verjaagde water uitgegeven te krijgen. kregen zij vrijwel geen geld mee,24Het bedrag dat Tsjechen aan deviezen mee konden krijgen was 10 gulden per persoon per week, ook destijds bepaald geen vetpot. maar haar literaire vrienden Anne de Vries en Leonhard Huizinga (1906–1980) zorgden ervoor dat het hele gezin een maand in Nederland vakantie kon houden.25Brief van 3 augustus 1964, waarin zij onder andere dankt voor financiële hulp, waardoor haar gezin het verblijf met één week tot 25 juli 1964 kom verlengen. Dat zij de in 1961 Coolen niet meer kon ontmoeten, was een teleurstelling. Maar ze sprak met de weduwe26In een lange brief aan Gerda Coolen van 13 augustus 1965 haalde Kazdová herinneringen aan haar bezoek aan Nederland op. en wijdde in 1965 een lang artikel in Lidová demokracie aan haar geliefde auteur, wiens boeken in de jaren zestig en zeventig in grote oplagen in het Tsjechisch werden herdrukt (Kazdová 1965). Een jaar later was Leonhard Huizinga’s toneelstuk De man die Blauwbaard niet was, zoals zij trots aan Johan Fabricius meldde, liefst vijftien maanden in haar vertaling op de planken.27Brief van 19 januari 1970. Uiteindelijk zou het stuk zelfs tot 2007 in productie blijven, wat voor een oorspronkelijk Nederlands stuk uniek is en alleen door het bekende Op Hoop van Zegen van Heijermans overtroffen werd (Sedláčková 2018: 178, tabel).

In de marge

Dat Kazdová als vertaalster van streekliteratuur en humoristische literatuur bij de katholieke uitgeverij Lidová demokracie eerder in de marge van het systeem werkte, was tot op zekere hoogte haar redding. Hoewel het jaar 1968 voor haar een teleurstelling moet zijn geweest: de tanks van het Warschaupact maakten een einde aan de prille Praagse Lente, veranderde er voor haar niet veel. Sterker nog, ondanks zijn slechte ‘kaderprofiel’, omdat zijn vader door het regime gestraft was, kon haar zoon Jaromír studeren. Het bloed kroop bij hem waar het niet gaan kon: hij studeerde van 1966–1971 theaterwetenschappen aan de Karelsuniversiteit in Praag, verwierf na zijn militaire dienst zijn doctoraat en werd een erkende expert in de Tsjechische theatergeschiedenis (DbČAD, z.j.). Zijn belangrijkste werk was het handboek Kapitoly z dějin divadla [Capita selecta uit de theatergeschiedenis] (Kazda 1998).

Ella Kazdová kreeg in Tsjechoslowakije afgezien van de vertalersprijs uit februari 1949 nimmer officiële erkenning, maar in 1974 kende het Belgische Ministerie van Onderwijs en Cultuur haar bij gelegenheid van haar vijfenzestigste verjaardag een onderscheiding voor haar werk als vertaalster toe. De Tsjechische pers zweeg in alle talen. De eerlijkheid gebiedt te vermelden dat het bij de Martinus Nijhoff Vertaalprijs die Olga Krijtová in 1969 ontving niet anders was. Ter afsluiting Kazdová was zeker gekwalificeerd voor haar werk als literair vertaalster. Maar politieke omstandigheden zorgden voor een lacune in haar publicaties tussen 1949 en 1964. De katholieke uitgeverij Lidová demokracie, waarvoor zij werkte, had geen centrale positie in het toenmalige Tsjechische literaire veld. Ook het type werken dat zij vertaalde, was eerder perifeer. Op 13 januari 1982 stierf zij, zoals de door haar zoon in Lidová demokracie opgestelde overlijdensadvertentie vermeldt (Kazda 1982), vrij plotseling. Er waren geen officiële in memoriams, zoals eerder wel voor Lída Faltová.

Bronnen- en literatuuropgave

Anoniem (1936): ‘Seznam soudních tlumočníků podle stavu ze dne 1. ledna 1936. Obvod vrchního soudu v Praze. Řec holandská.’ Věstník Ministerstva spravedlnosti 18, 4, pp. 56–57.

Anoniem (1937): ‘Seznam soudních tlumočníků podle stavu ze dne 1. ledna 1937. Obvod vrchního soudu v Praze. Řec holandská.’ Věstník Ministerstva spravedlnosti 19, 4, p. 53.

Anoniem (1938): ‘Seznam soudních tlumočníků podle stavu ze dne 1. ledna 1938. Obvod vrchního soudu v Praze. Řec holandská.’ Věstník Ministerstva spravedlnosti 20, 3, p. 28.

Anoniem (1939): ‘Změny v seznamech stálých přísežných tlumočníků.’ Verordnungsblatt des Justizministeriums / Věstník Ministerstva spravedlnosti 21, 10, p. 105.

Anoniem (1940): ‘Seznam soudních tlumočníků podle stavu ze dne 1. ledna 1940. Obvod vrchního soudu v Praze. Řec holandská.’ Verordnungsblatt des Justizministeriums / Věstník Ministerstva spravedlnosti 22, 4, p. 69.

Anoniem (1947): ‘Seznam soudních tlumočníků podle stavu ze dne 15. srpna 1947. Obvod vrchního soudu v Praze. Řec holandská.’ Věstník Ministerstva spravedlnosti 29, 10, p. 147.

Anoniem (1949): ‘Výnos ministra spravedlnosti ze dne 26. září 1949, č. 21.855/49-II/2, k provedení zákona ze dne 16. června 1949, č. 167 Sb. o stálých přísežných znalcích a tlumočnících.’ Věstník Ministerstva spravedlnosti 31, 9–10, pp. 65–67.

Brokešová, Ervina (1972): Žila jsem nadějí. Praha: Středočeské nakladatelství a knihkupectví. ČSFD.cz (2021): ‘Otto Kučera. Biografie.’ ČSFD – Česko-Slovenská Filmová databáze. URL: https://www.csfd.cz/tvurce/27305-otto-kucera/biografie/ [download 12-8-2024].

DbČAD (z.j.): ‘Osobnosti: KAZDA, Jaromír, PhDr., Praha.’ Databáze českého amatérského divadla. URL: https://www.amaterskedivadlo.cz/main.php?data=osobnost&id=2712 [download 14- 8-2024].

Engelbrecht, Wilken (2013): ‘Van lezerscanon naar gestuurd canon: literaire vertalingen van Nederlandstalige literatuur in Tsjechië.’ In: (ed.) Jelica Novaković-Lopušina [et al.], Lage landen, hoge heuvels. Handelingen Regionaal Colloquium Neerlandicum Belgrado. Filologische Faculteit van Belgrado. Vakgroep Neerlandistiek, 26–29 mei 2011. Belgrado: ARIUS, pp. 111–128.

Engelbrecht, Wilken (2021): ‘František Kalda, the Founder of Dutch Studies in Czechoslovakia.’ Czech and Slovak Journal of Humanities. Linguistica 1/2021, pp. 17–23.

Engelbrecht, Wilken (2021b): Van Siska van Rosemael tot Max Havelaar. Receptie van Nederlandstalige literatuur in Tsjechische vertaling, 1848–1948. Gent: Academia Press (Lage Landen Studies 14).

Engelbrecht, Wilken (2022): ‘A. den Doolaard, een ‘oprechte vriend van Tsjechoslowakije’.’ In: (ed.) Sven Peeters [et al.], Jelica Novaković-Lopušina. Pionier tussen Noordzee en Donau. Rotterdam: Internationale Vereniging voor Neerlandistiek, pp. 47–53. Filmové informace (1965): ‘Předpoklad celostátnáích premiér na měsíc červen 1965.’ Filmové přehledy 16, 18 (5-5-1965), p. 3.

Goldstücker, Eduard (1974): ‘Ten Years after the Kafka Symposium of Liblice.’ European Judaism: A Journal for the New Europe 8, 2, pp. 22–26.

Kazda, Jaromír (1982): ‘S bolestí oznamuji’. Lidová demokracie 38, 16 (20-1-1982), p. 6.

Kazda, Jaromír (1998): Kapitoly z dějin divadla. Jinočany: H+H.

Kazda, Jaromír (2021): ‘František V. Kučera. Biografie’. ČSFD – Česko-Slovenská Filmová databáze. URL: https://www.csfd.cz/tvurce/27292-frantisek-v-kucera/biografie/ [download 12-8-2024].

Kazdová, Ella (1965): ‘Vzpomínáme na Coolena.’ Lidová demokracie 21, 223 (13-8-1965), p. 3.

Krol, Ellen (2016): ‘Olga Krijtová. Hradec Králové (Bohemen) 30 maart 1931 – Praag 7 november 2013.’ Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 2014–2015, pp. 161–172.

Leersum, Wout van (1993): ‘Perikelen rond de Tsjechische Erik.’ Godfried 15, pp. 4–16. (red.) Mikuta, Rudolf – Scheinost, Jan (1936): Acta et monumenta Primi congressus catholicorum Reipublicae Cechoslovacae. Pars prima. Memoriale illustratum 17.-30. VI. A.D. MCMXXXV. Pragae: Officina Neubertina.

Městská telefonní správa (1952): Telefonní seznam pro pražskou místní síť 1952. Praha: Státní tiskárna.

Osvobozený Našinec (1947): ‘Anton Coolen známý holandský romanopisec’. Osvobožený našinec 80, 69 (22-3-1947), p. 3.

P.G. (= Grym, Pavel; 1965): ‘Antoon Coolen neznámý.’ Lidová demokracie 21, 116 (28-4-1965), p. 3.

Práce (1949): ‘Zaorálková překladatelská cena udělena’. Práce 5, 39 (16-2-1949), p. 5.

Renner, Hans (2023): A History of Czechoslovakia Since 1945. New York: Routledge. 2nd edition.

Sedlčková, Lucie (2018): ‘Circulatie van Nederlandstalig toneel in Tsjechië, 1898–1989.’ Neerlandica Wratislaviensia 28, pp. 165–181.

Slegers, Cees (2001): Antoon Coolen 1897–1961. Biografie van een schrijver. Maastricht: Universiteit Maastricht (dissertatie). URL: https://doi.org/10.26481/dis.20011114cs [download 12-8-2024].

Slovo národa (1947) ‘Spisovatel A. Coolen přijel do ČSR’. Slovo národa 3, 191 (17-8-1947), p. 3.

Šrajer, Martin (2021): ‘Buď připraven!’ Revue Filmoý přehled, gepost 29 april 2021. URL: https:// www.filmovyprehled.cz/cs/revue/detail/bud-pripraven [download 12-8-2024].

Teatrolog (z.j.): ‘Ela Kučerová. Životopis.’ FDb.cz – Filmová databáze. URL: https://www.fdb.cz/ lidi-zivotopis-biografie/55625-ela-kucerova.html [download 12-8-2024].

Teatrolog (z.j.2): ‘Luisa Hanková-Kučerová. Životopis.’ FDb.cz – Filmová databáze. URL: https:// www.fdb.cz/lidi-zivotopis-biografie/55622-luisa-hankova-kucerova.html [download 12-8-2024].

vč (= Černý, Václav) (1948): ‘Slovanský obzor.’ Lidová demokracie 4, 143 (20-6-1948), p. 6.

Venyš, Ladislav (2000): Nakladatel Bohumil Janda a Evropský literární klub. Praha: ELK.

 

Webpagina’s

Reconstructie van de film Buď přípraven! (1923) uit 2017/2018 door Briana Čechová, Lucie Budská en Eva Urbanová, URL https://www.filmovyprehled.cz/cs/season-of-classic-films/bud-pripraven- be-prepared .

Artikelen van A. den Doolaard over Tsjechoslowakije uit 1938 en 1948 zijn raadpleegbaar via https:// adendoolaard.nl/artikelen [download 13-8-2024].

 

Archiefmateriaal

Literatuurmuseum, Den Haag
– Fonds Godfried Bomans, GBA B. Kazdova E.
– Fonds Johan Fabricius, 12.799, doos 493.
– Fonds Leonhard Huizinga, H.8962 B.2 aan Kampen, P.N. van
– Fonds Anne de Vries, AdV/Kazdova Ella
– Nog niet gecatalogiseerd: Fonds Antoon Coolen, overgenomen in 2024 van verzamelaar Bertus van den Belt

Literární archiv, Památník národního pisemnictví
– Fonds 49/57, Evropský literární klub
– Fonds 70/57, Družstevní práce

Stadsarchief Gent
– Inv. nr. 44, ILITA, doos correspondentie

 

Afbeeldingen

Afb. 1 – Still uit de film Buď připraven! Minuut 28:03.
Afb. 2 – Antoon Coolen bij zijn eerste bezoek aan Tsjechoslowakije, maart 1947. Rechts Kazdová (Slegers 2001: 475).
Afb. 3 – Ella Kazdová met haar zoontje Jaromír Kazda jr., begin 1949 (Slegers 2001: 473).

Wilken Engelbrecht is hoogleraar letterkunde aan de Faculteit Geesteswetenschappen van de Palacký-Universiteit Olomouc in Tsjechië.
Dit artikel verscheen oorspronkelijk in Brünner Beiträge zur Germanistik und Nordistik. 2024, vol. 38, iss. 2, pp. 63-77. Dit artikel werd mogelijk gemaakt door een grant van de Taalunie, nr. NTU/453-100 “Tolerante Literatuur in Totalitaire Landen”.
Avatar
Over redactie Donau 269 Artikelen
Donau is een platform voor artikelen over Midden- en Zuidoost-Europa. U kunt hier reportages, interviews en achtergronden lezen over de culturen, samenlevingen en politieke ontwikkelingen van Hongarije tot Oekraine en van Albanië tot Rusland. Als enige tijdschrift over Midden en Zuidoost-Europa in het Nederlandse taalgebied probeert Donau clichés te ontkrachten en een genuanceerd en gevarieerd beeld van het gebied te scheppen.