De redacteuren en medewerkers van Donau moeten kiezen: Wat nemen ze mee uit 2025? Casper Schaaf reflecteert op een onverwachte ontmoeting.
Ik bevind me in de artiestenfoyer. Dit klinkt chic, maar ik geloof niet dat dat de juiste benaming is voor deze ruimte. Het is een vergaderzaaltje. Dat weet ik omdat ik er een dag eerder vergaderd heb. De vergadertafels zijn verwijderd, de stoelen zijn wat losser door de ruimte gestrooid. In de hoek staat een bar, die tijdens die vergadering vreemd aanvoelde, maar nu zijn logische functie lijkt te hebben teruggevonden. Schrijvers en performers lopen in en uit. Het festival dat ons allemaal op deze plek heeft samengebracht is in volle gang. Je voelt de energie en opwinding door de ruimte kaatsen. Sommige artiesten zijn duidelijk aanwezig, omhelzen met veel enthousiasme een collega die ze herkennen. Anderen zitten op een kluitje bij elkaar te kletsen of proberen stilletjes in een hoekje de juiste focus te vinden. De spanning van zo op moeten treden is voelbaar en laadt de ruimte met verwachting en betekenis. Het feit dat alle aanwezigen in deze wachtkamer ergens ingedeeld zijn op een alomvattend rooster geeft een gevoel van duidelijkheid. Ieder heeft een plek, heeft een rol te vervullen vanavond.
Ook voor mij is een rol weggelegd. Ik ga een moeder proberen te helpen. Een moeder van twee kleine kinderen, die vanavond heel even geen moeder wil zijn, maar schrijver. Eerder op de avond was gevraagd of er iemand een uurtje op de kinderen van M. kon letten, zodat zij het podium op kon om het boek waar zij aan had meegeschreven ten doop te houden. Haar man wilde hier ook graag bij aanwezig zijn, dus werd er naar een oppas gezocht. Geen probleem dacht ik, dit kan ik, en stak mijn hand op. Er waren een paar minuten om de ouders en mij aan elkaar voor te stellen, in het Engels. Ik vroeg naar de namen van de twee meisjes, die allebei in hun eigen buggy lagen. Terwijl M. het verhaal achter hun namen vertelde, zei ze tussen neus en lippen door dat ze de kinderen nog nooit alleen hadden gelaten. Toch was dit precies wat ze nu wel zou gaan doen, en wel bij een voor haar onbekende man die ze pas een paar minuten daarvoor had ontmoet. Deze gedachte moet haar verontrust hebben, maar ze liet hier niks van merken. Ze straalde vertrouwen uit en ik geloof dat ik dat ook deed.
Zelfverzekerd hadden M. en haar man me op het hart gedrukt dat hun dochters altijd slapen om deze tijd. Dat is echter buiten deze artiestenfoyer gerekend. De artiesten die voortdurend in en uit lopen, de gesprekken, het licht; dit is geen gewone avond en dat voelen de meisjes. Ik sta op en begin te doen wat ik de vader daarvoor had zien doen: de buggy’s met de kinderen erin langzaam naar voren en naar achteren rijden. Ik merk dat een soort ouderinstinct mijn handelen gaat bepalen. Het is weliswaar al even geleden dat mijn eigen kinderen nog zo klein en hulpeloos waren, maar het is goed om te merken dat het gevoel er nog is en dat ik daarnaar kan luisteren. M. had nog gezegd ‘laat de oudste maar haar tablet vasthouden, dan spelen we daar wat kinderfilmpjes op af en valt ze wel in slaap.’ Ik zie al gauw dat er van slapen echt geen sprake is en denk – wijsneus als ik ben – dat ligt natuurlijk aan die stomme tablet. Welk kind valt er nou in slaap terwijl ze compleet gebiologeerd naar bewegende tekenfilms met kinderliedjes zit te kijken? De tablet wegpakken is echter niet zo’n briljant plan. Zijn de meisjes en ik tot dat moment nog tamelijk onopgemerkt gebleven in ons hoekje van de foyer, nu schieten er allerlei verbaasde blikken onze kant op. Kindergehuil? In de artiestenfoyer? We zijn hier toch op een festival? Ineens kan ik de ouders onder de artiesten er zo uithalen. Zij krijgen namelijk die bekende, meewarige blik in hun ogen. Die blik waarin medeleven schuilt met een andere ouder, maar tegelijkertijd een gevoel van ‘gelukkig is het niet mijn kind’. Zo zou ik zelf vermoedelijk ook gekeken hebben. Vanzelfsprekend word ik en passant voor de vader aangezien. Zij kunnen niet weten dat ik in alle haast zelfs vergeten ben welke naam ook al weer bij welk meisje hoort.
Het merendeel van de, overwegend jonge, artiesten kijkt eerder licht bevreemd en verstoord onze kant op. Wat doen jullie hier in godsnaam? is denk ik zo’n beetje de strekking van deze gedachtegang. Prima, ook dat snap ik. Onbewust draai ik me wat weg van de rest van de ruimte en probeer de boel te sussen door stoïcijns de buggy’s heen en weer te blijven bewegen. Ik begin het inmiddels flink warm te krijgen. Ik heb mijn trotse anti-tablet actie een minuut volgehouden, maar nu neemt mijn onderliggende instinct de regie weer over. Misschien is het gewoon verstandig om te luisteren naar het advies van de moeder? Ik besluit de tablet weer aan het meisje te geven en iets van rust komt weer over ons. Wat de zaak enigszins compliceert is dat het meisje ongeveer om de dertig seconden de tablet op de grond gooit, dan wel uit haar handen laat vallen. Na een tijdje begin ik hier de lol van in te zien en ontstaat er iets van interactie tussen ons.
Nu begint de jongste zich echter te roeren. Hun moeder heeft de meisjes naar mijn idee veel te warm aangekleed, geschikt voor de winterlucht buiten, maar niet voor dit volle zaaltje. Ik vat het idee op om het jongste meisje even op te tillen uit die warme, bewegingsbeperkende buggy. Je hebt weinig ouderinstinct nodig om vrij snel te kunnen concluderen dat dit niet zo’n goed idee is. Deze kinderen hebben vermoedelijk alleen hun vader en moeder in zulke nabijheid meegemaakt. Om dan ineens in de armen van een vreemde gedragen te worden doet duidelijk meer kwaad dan goed. Hup, terug die buggy in. Ik besluit vanaf nu mijn rationele gedachten voor me te houden en alleen nog maar op mijn instinct te vertrouwen. Ik blijf de twee buggy’s naar voren en naar achteren bewegen en merk dat we hier alle drie rustig van worden.
Ondertussen vis ik met regelmaat de – gelukkig onverwoestbare – tablet van de grond, geef het slaap-plan op en probeer wat contact te maken met de kinderen. Ik denk niet dat ze een woord verstaan van wat ik tegen ze zeg, maar dat geeft niks. Taalbegrip is prettig, maar communicatie en interactie zijn ook al heel wat. Ik ga hier geloof ik zo in op dat ik niet eens merk dat een deel van de band die later die avond gaat optreden zich staat om te kleden op twee meter afstand. Af en toe komt er iemand die mij herkent even de hoek in om te zien wat ik aan het doen ben en of het allemaal wel goed gaat. Nadat ik ze al buggyend heb gerustgesteld, verdwijnen ze weer het festival in. Ik heb inmiddels een soort groove gevonden en vind het allemaal best.
Ineens staan M. en haar man weer voor me, stralend. De boekpresentatie is een groot succes geweest. Na afloop heeft M. samen met de hoofdauteur boeken gesigneerd voor een grote rij mensen. Al die mensen zagen een schrijver en geen moeder. De blik in M.’s ogen is erdoor veranderd. Al met al zijn ze een dik uur weggeweest. Het is mooi om te zien hoe trots M. is op wat er allemaal is gebeurd, maar ook om haar blijdschap te zien om weer bij haar twee dochters terug te zijn. Ik vind het haast jammer om de buggy’s over te geven aan de ouders, maar dat moment duurt maar kort. Het is goed zo. Ik kan met een gerust hart het festival weer in duiken.
