Miklós Radnóti – Een ‘Hongaarse dichter’

Miklós Radnóti
Miklós Radnóti
Geschatte leestijd: 4 minuten

Eerste Dichtbij de Donau in Boekhandel Pegasus

Op 13 oktober organiseerde Donau in samenwerking met boekhandel Pegasus de eerste versie van “Dichtbij de Donau”, een serie van poëziemiddagen over dichters uit de kleinere (en grotere) taalgebieden van Midden-Europa.

Langzaam nadenken

Toen Donau in 2006 werd opgericht, stelde de redactie zichzelf ten doel om het Nederlandstalige publiek een meer gelaagd en genuanceerd beeld over Midden- en Zuidoost-Europa te brengen. Een breed palet, voorbij de clichés. Wanneer je nu iets over Hongarije organiseert ligt het – ook wel terecht – voor de hand dat je over Orbán en Fidesz komt te spreken. Maar daarvoor zijn al vele andere bijeenkomsten, georganiseerd door think tanks en universiteiten.

Het initiatief voor Dichtbij de Donau past bij de aloude ambitie van de redactie, en biedt ruimte om langzamer na te denken over de culturele rijkdom van de regio. Daartoe was de keuze voor de Hongaarse dichter Miklós Radnóti zeer geschikt: hij is nog steeds een moeilijk te plaatsen kunstenaar, een getuige van de twintigste eeuw, die in Hongarije een bijzondere positie inneemt in de culturele canon. Radnóti was een geassimileerde jood die zichzelf heel nadrukkelijk presenteerde als ‘Hongaars dichter’, die ook patriottische gedichten schreef (al bleef hij buiten het bereik van de volkse kitsch). Hij groeide op tegen de achtergrond van de Eerste Wereldoorlog en in het gekortwiekte Hongarije van ná Trianon. In 1944 werd deze zelfverklaarde ‘Hongaarse dichter’ niettemin doodgeschoten door Hongaarse fascisten. Omdat hij joods was.

Radnóti-revival

Pas sinds kort geniet het werk van Miklós Radnóti ook in Nederland enige bekendheid. In 2021 verscheen bij uitgeverij Van Oorschot de bundel Het schriftje uit Bor (waarover zometeen meer) en vorig jaar verscheen een nog dikkere bundel Nachthemel, waak – een bloemlezing uit zijn hele oeuvre.

In Pegasus waren de vertalers Orsolya Réthelyi en Arjaan van Nimwegen te gast, die, zoals ze zelf zeggen, ‘eigenlijk werken als één vertaler’. Hoe zit dat? Arjaan (die geen Hongaars spreekt) neemt de gedichten eerst tot zich en maakt een rudimentaire vertaling, die hij vervolgens voorlegt aan Orsolya. Vanaf daar begint het: heen-en-weer mailen ze elkaar met adviezen en correcties over het ritme, de betekenis, de stijl, de inhoud, de context, de emoties die de gedichten oproepen (of juist niet), en zo meer. Inmiddels vormen Orsolya en Arjaan een geoliede machine in het vertalen van Hongaarse poëzie, verbonden via e-mail van Utrecht tot Boedapest.

Sacrale tekst

Zo vlekkeloos verliep het echter niet altijd. Ze begonnen hun vertaalavontuur ietwat stroef en moeilijk met Het schriftje uit Bor, dat ook als document een bijzondere geschiedenis heeft. Het schriftje uit Bor vertelt een inktzwart verhaal over de Tweede Wereldoorlog in de regio: Radnóti werd als joodse dichter te werk gesteld in de kopermijnen van Bor, in het bezette Servië. Daar leefde hij onder erbarmelijke omstandigheden – of nu ja, ‘hij leefde’ is een overdrijving. De dood, de gruwelen van de dwangarbeid, de kou en de honger, verwerkte hij in aangrijpende, claustrofische gedichten.

Deze noteerde hij in een schriftje dat hij altijd bij zich droeg. Toen hij na een ijselijke dodenmars op weg naar Hongarije bij het stadje Abda werd doodgeschoten, verdween het schriftje, net als de auteur, in de zwarte aarde. Pas na de oorlog werd het gevonden – half verteerd, de inkt doorgelopen, sommige verzen onleesbaar.

‘In Hongarije is dit een sacrale tekst’, vertelt Orsolya. En die vertaal je niet zomaar. De eerste elektronische vertaalberichten tussen Utrecht en Boedapest waren dan ook vol van wederzijdse verwarring. Het bleek niet eenvoudig om de taal en de vorm te vinden om deze moeilijke poëzie, een getuigenis van de Shoah, in het Nederlands te vertalen. Maar al struikelend over de woorden en de zinnen, kregen Arjaan en Orsolya de juiste toon te pakken. En het resultaat was ernaar. Alom ontving Het schriftje van Bor lof, en de uitgave was al na een half jaar uitverkocht. Donau schreef er al eerder over.

In Pegasus lezen Arjaan en Orsolya de gedichten voor, in twee talen. Het Hongaars – vind ik – is een heldere taal en ook als je er niets van begrijpt kun je de klanken en woorden toch heel goed tot je nemen. En Orsolya articuleert goed, luid en duidelijk: de betekenissen van de duistere woorden over de ellende in Bor dwalen door de boekhandel.

Ik stortte naast hem, zijn lijf rolde,

Strak al, een gespannen snaar.

Nekschot. – ‘Dus zo wordt jouw einde,’-

(Fragment uit: Razglednica (4))


En dan volgt hetzelfde gedicht in het Nederlands. Arjaan draagt voor met minder drama, al is dat misschien omdat we de betekenis beter begrijpen; de woorden klinken het niet-Hongaarse publiek immers bekender in de oren. Toch vertelt een Russische mevrouw in het publiek dat de Nederlandse vertaling heel goed resoneert met de vertalingen die zij vroeger veel heeft gelezen. ‘Radnóti was populair in de Sovjet-Unie’, vertelt ze.

Zulke momenten maken zo’n bijeenkomst waardevol. Je maakt mee hoe gedichten door Europa reizen, in tijd en plaats, en hoe deze bijzondere gedichten mensen hebben ontroerd, en geleerd over de donkerste dagen van de twintigste eeuw.

Melodijen 

Radnóti blijkt niet vergeten. In Servië bracht de bekende striptekenaar Aleksandar Zograf een strip uit over de dodenmars van Bor naar Hongarije, en de Vlaamse dichter Sven Cooremans reisde in de voetsporen van Radnóti en dichtte over hem, in een bundel die vorig jaar uitkwam (In de rivieren zal ik altijd een gisteren zijn, bij uitgeverij P in Leuven). En ik schreef zelf ook over Radnóti, in de hoofdstukken over Bor in mijn boek Roedel.

Dichtbij de Donau vormde een indrukwekkende eerste bijeenkomst, ook door de zware thematiek. Maar er werd niet alleen gesomberd en getreurd. Orsolya en Arjaan vertelden over Radnóti’s lichtvoetige en wellustige poëzie uit het Interbellum, die ze op inventieve wijze naar vettig Nederlands hebben vertaald. Neem het volgende fragment: 

Alle eendjes zwemmen in zwart water,

Vollemelkse meid baadt in de tobbe,

Alles rond, en alles is te zien,

Bij het boenen, spetteren en schrobben,

Straks ligt ze te drogen in de zon,

Stovend, hunkerend met tandgeratel

Naar mijn komst tussen haar melodijen! 

Hopelijk verwelkomen we bij de tweede editie van Dichtbij de Donau in boekhandel Pegasus andermaal een groot publiek. Gaan we praten over Bruno Schulz of Wisława Szymborska? Of toch Karel Čapek? Ismael Kadaré? Suggesties of aanbevelingen zijn welkom, op redactie@donaustroom.eu.

Avatar
Over Guido van Hengel 13 Artikelen
Guido van Hengel is historicus en schrijver van non-fictie. Hij was één van de oprichters van Platform Spartak en Tijdschrift Donau (de papieren versie). In 2021 verscheen zijn boek Roedel: Een alternatieve geschiedenis van Joegoslavië (Van Oorschot).