Donau bestaat twintig jaar! Redacteuren en medewerkers bespreken daarom de komende tijd hun favoriete boeken over de regio en hun land van expertise. Frank Elbers koos “National Ideology Under Socialism: Identity and Cultural Politics in Ceaușescu’s Romania” van antropologe Katherine Verdery.

1.027 woorden
4–7 minuten
Omslag "National Ideology Under Socialism: Identity and Cultural Politics in Ceaușescu’s Romania" door Katherine Verdery

recensie

National Ideology Under Socialism: Identity and Cultural Politics in Ceausescu's Romania

Katherine Verdery

1991, 406 pagina's

€ 34,95

University of California Press

Het is moeilijk een keuze te maken uit al de prachtige boeken die er afgelopen jaren over Roemenië zijn verschenen. Toch springt dit boek er voor mij uit. Begin jaren negentig was ik Erasmus-student aan de Universiteit van Boekarest en naast de “transitie” in het bijzonder geïnteresseerd in nationalisme. Het boek van antropologe Katherine Verdery was een uitstekende introductie in zowel de recente geschiedenis van Roemenië als de rol die nationalisme daarin speelde. Ik las het de eerste keer grotendeels bij schaars kaarslicht tijdens een zomerse nacht in een non-stop restaurant naast een studentencampus in Boekarest.

Je moet er wel even voor gaan zitten. Verdery’s 406 pagina’s tellende monografie is een diepgravende historische en antropologische analyse van Roemenië in de twintigste eeuw. (Als eenvoudige politicoloog heb ik nooit begrepen waarom antropologen geneigd zijn zoveel theoretische bespiegelingen in hun werk op te nemen.) De index is dan ook geen overbodige luxe. Als novice in de Roemeense geschiedenis waren veel historische figuren, politici, schrijvers en andere kunstenaars voor mij toen nog onbekend.

Teloorgang

Verdery rondde haar manuscript af op 8 november 1989, een dag voor de val van de muur in Berlijn, symbool voor de teloorgang van de socialistische staten in Oost-Europa. Het boek biedt hiermee een profetisch inzicht in hoe het socialisme de fundamenten legde voor het felle, postcommunistische nationalisme dat Oost-Europa en Zuidoost-Europa in de jaren negentig zou kenmerken, met name in (voormalig) Joegoslavië en Roemenië. “Hofdichters” als Corneliu Vadim Tudor en zijn politieke partij Romania Mare (“Groot Roemenië”) waren na de val van de Ceaușescu-dictatuur in de jaren negentig electoraal succesvol met rabiaat nationalisme.

In National Ideology Under Socialism betwist Katherine Verdery de wijdverbreide opvatting uit dat de felle etnische en nationalistische spanningen in Oost-Europa na de val van het communisme simpelweg een herleving zijn van “bevroren” sentimenten uit het pre-communistische tijdperk. In plaats daarvan bepleit zij dat het socialisme zelf, en specifiek het bewind van Nicolae Ceaușescu in Roemenië, de drijvende kracht was achter de institutionalisering en versterking van de nationale ideologie. Door middel van een diepgaande antropologische en historische analyse laat zij zien hoe zowel het communistische regime als intellectuelen de notie van de “natie” cultiveerden en misbruikten om hun eigen posities te legitimeren.

Legitimiteitscrisis

De Roemeense Communistische Partij kampte vanaf haar aantreden met een ernstig gebrek aan binnenlandse legitimiteit, aangezien het marxisme-leninisme aanvankelijk werd gezien als een Sovjet-importproduct. Om zich los te maken van de hegemonie van Moskou en een eigen machtsbasis op te bouwen, verschoof de partij haar ideologische koers in de jaren zestig en zeventig radicaal van socialistisch internationalisme naar een agressief nationaal-communisme. 

Verdery legt uit hoe de staat de nationale identiteit coöpteerde als het ultieme instrument om politieke gehoorzaamheid af te dwingen en economische offers te rechtvaardigen, waardoor het discours over de natie de officiële staatstaal werd. In tegenstelling tot bijvoorbeeld buurland Hongarije en andere Soviet-satellietstaten als Polen en Tsjechoslowakije, waar de regimes legitimiteit ontleenden aan met name een hoger levens- en consumptiepeil.

Roemeense intellectuele elite

Een kernaspect van Verdery’s werk is de focus op de Roemeense intellectuele elite — waaronder historici, filosofen en schrijvers — en hun ingewikkelde relatie met het regime. In een socialisme van schaarste, waar de partij alle materiële en infrastructurele middelen (zoals papier, drukpersen en banen) controleerde, streden intellectuelen fel met elkaar om deze schaarse middelen.

Om hun claims kracht bij te zetten en hun eigen culturele autoriteit te verdedigen, profileerden zij zich als de ware beschermers van de Roemeense natie. Nationalisme werd zodoende de munteenheid waarmee intellectuelen onderling én met de partij onderhandelden.

“Protochronisme”

Verdery illustreert deze dynamiek aan de hand van specifieke casussen, waaronder de opkomst van het “protochronisme”. Deze invloedrijke literaire en culturele stroming claimde dat Roemenië historisch gezien altijd pionier was geweest op het gebied van wetenschappelijke en culturele prestaties, die later pas door het Westen zouden zijn gekopieerd. 

Hoewel dit extreme etnocentrisme werd omarmd door de partij omdat het Ceaușescu’s isolationistische beleid rechtvaardigde, toont Verdery aan dat het concept oorspronkelijk werd ontwikkeld door intellectuelen buiten het regime  om hun positie binnen de schrijversbond te versterken ten koste van meer Westers georiënteerde collega’s.

Strijd om de geschiedschrijving

Naast het protochronisme analyseert het boek hoe andere disciplines ideologische slagvelden werden. In de geschiedschrijving leidde dit tot bittere debatten over de historische betekenis van gebeurtenissen zoals de opstand van Horea (1784), waarbij historici de feiten manipuleerden om te voldoen aan partijrichtlijnen over nationale homogeniteit en klasse. 

Zelfs de filosofische school rondom Constantin Noica, die door velen werd gezien als een vorm van subtiel verzet tegen het regime door de nadruk te leggen op spirituele “redding door cultuur”, droeg onbedoeld bij aan hetzelfde hegemonisch discours. Het stelde de Roemeense nationale essentie boven universele (en marxistische) waarden.

Verdery concludeert dat de alomtegenwoordigheid van het nationale discours in socialistisch Roemenië de opkomst van een alternatief, democratisch politiek vocabulaire effectief heeft verstikt. Doordat zowel de onderdrukkende partijstaat als de intellectuele oppositie decennialang uitsluitend in termen van de “natie” redeneerden, was de nationale ideologie het enige overlevende en betekenisvolle concept na de revolutie van december 1989.

Burgeroorlog

Dat Roemenië na 1990 — in tegenstelling tot Joegoslavië dat door haar communistische leiders in een burgeroorlog werd gestort — niet door nationalistisch geweld werd overspoeld, was dan ook een klein wonder. Op enkele incidenten na. 

In maart 1990, waren er in Târgu Mureș (Transsylvanië) gewelddadige botsingen. Hongaren protesteerden voor het herstel van minderheidsrechten, waaronder onderwijs in het Hongaars aan lokale scholen en universiteiten. Zij kregen het aan de stok met extremistische Roemeens-nationalistische groeperingen die de Hongaren ervan beschuldigden aan te sturen op separatisme in Transsylvanië. 

In die eerste jaren na de val van het communistisch regime waren ook Roma-gemeenschappen regelmatig doelwit van geweld. Zo sloegen Roemenen en etnische Hongaren de handen ineen in Hădăreni, waar drie Roma-mannen werden vermoord en de menigte vervolgens talloze Roma-woningen in brand stak en de volledige Roma-bevolking uit het dorp verdreef. De pogrom van Hădăreni in 1993 leidde tot een baanbrekende rechtszaak bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.

Een belangrijke reden dat verder nationalistisch geweld werd voorkomen, was de wens van de politieke elites in Boekarest om snel tot de Europese Unie en de Navo toe te treden, en zich daarmee aan de daarvoor vereiste internationale afspraken over mensenrechten- en minderheidsrechten te houden.


Frank Elbers