Socialisme en overgewicht

Geschatte leestijd: 14 minuten

Vragen op het gebied van ideologie, wetenschap en obesitas in Tsjechoslowakije, 1950-70

Dit artikel verscheen oorspronkelijk in Donau 2012/3.

In het begin van de jaren vijftig van de vorige eeuw was obesitas nog een marginaal probleem in Tsjechoslowakije.1De term obesitas had in het Tsjechoslowakije van de jaren vijftig en zestig een veel algemenere betekenis dan nu. Destijds werd de Broca Index gebruikt die toeliet dat vrouwen 15 en mannen 10 procent onder of boven het juiste gewicht mochten zitten. In 1963 suggereerde Tsjechoslowaaks onderzoek dat 7,6 procent van de mannen en 22,4 procent van de vrouwen echt leden aan ‘zwaar overgewicht: ofwel uitkwamen op 20 procent boven het ideale gewicht. Levensmiddelen waren nog steeds op de bon en dit stimuleerde teveel eten natuurlijk geenszins. Hoewel de energiewaarde van het gemiddelde dieet aan het einde van de jaren veertig snel toenam, zorgden economische problemen in het begin van de jaren vijftig voor een nieuwe afname. De situatie veranderde deels door een parallelle vrije markt. Maar over het algemeen was de atmosfeer zoals een gewone vrouw die constant worstelde met overgewicht het verwoordde: ‘Men geloofde dat iedereen gelijk was en dat lichamelijke verschijningen van secundair belang waren‘.2Stolbová 2000: 7.

Door Martin Franc

Hoe dan ook, de situatie was niet ideaal, zoals bleek uit de platte grappen die er werden gemaakt over Marta – de corpulente vrouw van President Klement Gottwald.3Marta Gottwaldová (1899-1953) was vanaf 1928 getrouwd met Klement Gottwald. Los van haar overgewicht zou ze er ook een burgerlijke levensstijl op na houden. In zijn memoires schreef haar arts, Josef Charát, dat haar overgewicht waarschijnlijk veroorzaakt was door een verstoring van haar schildklierfuncties. In volkse literatuur werd ze neergezet als een soort negentiende-eeuwse karikatuur van stadsmensen met een flinke buik. Overigens werd het totaal tegenover gestelde voor negatieve figuren zeker zo vaak gebruikt: de Amerikaanse ‘Uncle Sam’ of de West-Duitse Kanselier Konrad Adenauer, zelfs elegant geklede dames uit bourgeoise kringen werden in cartoons vaak zeer dun af gebeeld.4In de jaren zestig werd het uitbeelden van leden van de bourgeoisie als dikke mensen gezien als incorrect. Op een congres van de ‘Maatschappij voor Rationele Voeding in 1967 zei J. Cvekl bijvoorbeeld: wanneer een kapitalist getekend werd, was dat met een dikke buik en dunne benen (let op het noemen van dunne benen als een soort van symbool van niets doen-noot van de auteur). Toch weet iedereen die een hedendaagse kapitalist heeft gezien dat die er zo niet uitzien. De meeste tyconen van de huidige kapitalistische Industrie eten heel verstandig. De meeste van hen staan op een streng dieet en zijn meestal erg slank. Geciteerd in Adamec 1968: 46. Het beeld van de arbeider zat er op populaire afbeeldingen vaak precies tussenin: niet te dik of te dun.

Ideologische import uit het westen

In 1955 publiceerde sociologe en ‘gezonde voeding journaliste Božena Solnařová een artikel in het tijdschrift Výživa Lidu met de titel ‘Het dieet van jonge meisjes en hun determinerende invloed’. In dit artikel bekritiseerde ze in scherpe bewoordingen de tendens om uit esthetische overwegingen op dieet te gaan. Dat was immers gevaarlijke ideologische import uit het westen. Ze schreef over het ‘dictaat van egoïstische mode-ontwerpers die het huidige esthetisch ideaal voor mannen en vrouwen inprenten via een soort van massapsychologie’. Hoewel het artikel gezien kan worden als een waarschuwing tegen het imiteren van buitenlandse modellen, was de situatie thuis minder bedreigend. Solnařová schreef namelijk ook dat

‘het onmogelijk is onze eigen meisjes, die niet wars zijn van hard werken en fysieke inspanning maar die ook genieten van alle geschenken van het leven, te vergelijken met deze arme schepsels, die beroofd zijn van een van de meest gerechtvaardigde manieren om plezier te hebben (ofwel meisjes uit kapitalistische landen beperken het vet in hun voeding te drastisch). Door de combinatie van charme, gezondheid en kracht worden onze meisjes ideale vrouwen.’5Solnařová 1955: 44. Als een voorbeeld van ongezonde trends, verwijst de auteur naar een ‘Frans tijdschrift met een wereldwijde bekendheid’. Volgens de auteur zijn de pogingen om een plaats te vinden in het erotische leven, om aandacht te krijgen voor zichzelf en van de andere sekse veel sterker in een samenleving waar ‘een aantrekkelijke verschijning een van de weinige mogelijkheden voor vrouwen vormt om promotie te maken en een succesvol leven te leiden’. Ze duidt hier natuurlijk op de kapitalistische samenleving.

Rond het midden van de jaren vijftig steeg de gemiddeld ingenomen energiewaarde van voedsel. Die waarde was in 1956 hoger dan 3000 kilocalorieën per dag.6Dit gaat wel om de bruto consumptie. Niet vreemd dus dat de kwestie van een gezond lichaamsgewicht in het centrum van de belangstelling stond.7In haar publicaties verwijst Marta Vamberská naar een onderzoek van V. Kapalin waarin een directe en nauwe correlatie wordt aangetoond tussen het aantal kinderen met overgewicht en de economische situatie van dat moment. Zie Vamberská 1963: 7. Het Congres van de Dietistische afdeling van de Maatschappij voor rationele voeding8Voor meer over de Maatschappij voor Rationele Voeding, zie Franc, M. ‘National tradition or happy tomorrow? The dilemma for Czech nutritional science in the 1950s and 1960s’ in ICREFH VIIL 269-76. riep obesitas uit tot een van de meest voorkomende ziektes die de volksgezondheid bedreigde.9Vierde Congres van de Dietistische afdeling van de Maatschappij voor Rationele Voeding op 10 en 11 oktober 1955, 154. Volgens statistieken uit de jaren zestig was zeker een kwart tot een derde van alle volwassen Tsjecho-Slowaakse mannen en meer dan de helft van alle volwassen vrouwen te dik.10Malek 1967: 16. Sommige auteurs menen dat zijn definitie van obesitas erg strikt is, maar zijn conclusies werden ondersteund door andere onderzoeken. Zie ook Hejda en Ošancová 1969: 19-20. Er kwam meer onderzoek en het aantal obesitas-gerelateerde campagnes groeide fors.11Volgens een publieke opiniepeiling in 1958 zou meer dan 50 procent menen dat ‘niet veel eten’ een vereiste was als het ging om gezond eten. Zie ook Adamec 1961: 1124.

Dik is oud

Het jaar 1960 kan gezien worden als de piek van deze trend: in dat jaar vond een national congres plaats over obesitas en overgewicht.12Hrušková. In dat jaar ging de campagne Voeding en gezondheid van start, vergezeld van de slogan ‘Eet matig van een rijk gevulde tafel’ en met het nog saillantere submotto ‘Dik worden betekent oud worden’. In de jaren die volgden nam de energiewaarde van gegeten voeding af, maar dit was eerder te danken aan economische tegenslag en problemen in de toevoer van vooral dierlijke producten, dan aan de propaganda.

In de loop van de jaren vijftig begon het ideologische discours over obesitas te veranderen. Het toenemend aantal mensen met overgewicht werd nu voorgesteld als een gevolg van de hogere levensstandaard na 1948. Sinds die tijd was het eten immers goedkoper geworden en het werk lichamelijk minder zwaar.13Novák 1960: 153. In 1967 noemde 36 procent van de mensen de hoge levensstandaard als de reden waarom inwoners van hun land zoveel aten: 9 procent noemde ‘voldoende eten’ als reden. Adamec 1968: 38-9.14Aan de andere kant was er het geloof dat socialisme een manier zou vinden om te voorkomen dat er een neergang zou zijn als het ging om fysieke kracht een uithoudingsvermogen. Mašek 1960: 162. De socialistische samenleving zou de enige samenleving zijn die een verandering in eetgewoonten zou kunnen bewerkstelligen door een aangepast assortiment aan levensmiddelen.

Deze benadering ging vergezeld van de aanname dat slanker worden en een dieet houden niets van doen hadden met de arbeiders in het westen. Alhoewel Božena Solnařová tranen liet over die arme westerse schepsels die drastisch moesten vermageren om hun baan te blijven behouden, viel in 1957 de belangrijkste krant van de Communistische partij Rudé Právo de Britse arbeiderskrant The Daily Herald aan, omdat die op de voorpagina een serie artikelen publiceerde over een nieuwe (en natuurlijk fantastisch efficiënte) afslankkuur. Rudé Právo koppelde deze artikelen aan rapporten over prijsverhogingen van melk en schoollunches en stelde resoluut dat ‘arbeiders in Engeland geen enkel probleem hadden om niet dik te worden’. Ze moesten zich eerder zorgen maken over wat ze hun kinderen te eten konden geven.15Jh, 1957, 3.

Naast de dreigende honger voor West-Europese arbeiders16Zie ook Kovářová 1956: 158. was een ander populair onderwerp in die tijd de onvoldoende en ongezonde voeding in derde wereldlanden. En meestal werd in artikelen hierover opgemerkt dat deze problemen snel opgelost zouden zijn als deze landen op het socialisme zouden overgaan.17Doberský 1965: 69-76.

Geen wonder dat in het licht van deze rapporten de epidemie van overgewicht een begin leek te zijn van verbeterde omstandigheden voor de burgers van Tsjechoslowakije.18In een opiniepeiling van 1967 associeerde een kwart van de ondervraagden een hoge levensstandaard met een dik figuur. Adamec 1968: 47.

Wat gewicht erbij was – hoewel zondig – een luxe.19Josef Charvát, Voorwoord bij Doberský, Doleček en Sonka 1967: 9. We mogen aannemen dat een aantal politici deze overtuiging deelden.20Geciteerd door Adamec 1968: 46. Zo speechte een hoge communistische functionaris op het Congres van de Maatschappij voor rationele voeding dat overgewicht een teken van socialistisch welzijn was: ‘We strijden voor een hogere levenstandaard. En als mensen dan – laten we zeggen wat “voller” worden, dan is dit een teken van die levensstandaard’. Een groot deel van de samenleving kon zich de voedseltekorten uit de oorlog en de periode direct daarna nog goed herinneren en ook dat deed het belang van voedsel in de sociale hiërarchie van waarden toenemen.21De hoge consumptie van voedsel werd gerechtvaardigd door sommige respondenten als een echo van de oorlog in een opiniepeiling in 1967. Adamec 1968: 39. Het deel van het huishoudbudget dat gespendeerd werd aan levensmiddelen was zeer hoog vergeleken met West-Europese landen en de USA.22Rond midden jaren zestig spendeerde een arbeidersfamilie circa 50 procent van zijn inkomen aan voedsel. Dit percentage geeft Doleček in Doberský, Doleček en Sonka 1967: 248. Het officiële jaarboek geeft echter een ander percentage: 44,1 procent. Waarschijnlijk zijn de verschillen te wijten aan andere manieren van berekenen. Tijdens een opiniepeiling in 1967 waarin gevraagd werd naar de belangrijkste waarden in levensstijl kwam goed eten op de tweede plaats, na de algemene wens om ‘goed te leven’.23Adamec 1968: 66-7.

Consumentisme

Binnen de medische wereld won de anti-obesitas campagne aan kracht. Artsen gebruikten daarbij vaak ideologische argumenten. Zij bekritiseerden met name het ‘eten als een uiting van consumentisme’, omdat dit niet alleen leidde tot het verwaarlozen van sportieve en culturele activiteiten, maar ook tot minder publieke activiteiten. Het leek een ander standpunt dan dat van het regime, dat de vele aandacht voor eten beschreef als een residu van het verleden of als barbarisme.24Sonka en Přibylová-čárková 1968: 9.

In de meer ontspannen atmosfeer van de jaren zestig trokken een paar experts de directe relatie tussen toenemend overgewicht en een hogere levensstandaard in twijfel. In een socialistisch land zou obesitas juist een ziekte van de armen zijn. Die konden zich immers vanwege geldgebrek geen gezond voedsel veroorloven. In Tsjechië kozen mensen producten met veel suiker, vooral allerlei producten van de bakkerij. Vooral dames op leeftijd hadden hier last van, zo meende Josef Mašek, misschien wel de belangrijkste Tsjechische specialist op gebied van voeding. In zijn boek Člověk, splečnost a výživa (Het Individu, de Samenleving en Voeding), dat gepubliceerd werd in 1971, schrijft hij dat vooral ouder wordende vrouwen …veroordeeld zijn tot overgewicht en het daaraan gekoppelde tekort aan vitamines, omdat zij gedwongen zijn om goedkope levensmiddelen te eten zoals bakkerijproducten en slecht gekleurde, maar zeer zoete koffie.25Mašek 1971: 158. De sociale situatie van oudere vrouwen was vaak zeer slecht in Tsjecho-Slowakije. Velen van hen hadden hun hele leven lang niet gewerkt en ze kregen daarom een zeer laag pensioen.

Over het algemeen werden de prijzen en met name het feit dat levensmiddelen met veel suiker goedkoper was dan voedsel met proteïnen, scherp bekritiseerd in de jaren zestig.26Doleček in Doberský, Doleček en Šonka 1967: 247-8. Bij het vaststellen van de voedselprijzen moest ook rekening worden gehouden met de effecten op de volksgezondheid, zo meenden sommigen. Anderen benadrukten dat een samenleving die de weg van het communisme opging, moest weten om te gaan met zogenaamde ‘exogame’ effecten als de toename van mensen met overgewicht. En daarbij ging het niet alleen om het preventief monitoren en controleren van de prijzen van levensmiddelen, maar ook om maatregelen op andere gebieden. Zo was er veel kritiek op het toenmalige netwerk van sportfaciliteiten en clubs, waar bovenmatig veel aandacht zou zijn voor het trainen van topatleten. Daarnaast was er kritiek op de openbare catering:27Vamberská 1963: 92-5. de kantines in scholen en bedrijven. Ook de nationale Tsjechische keuken werd regelmatig bekritiseerd. En dit was controversieel, want die keuken behoorde tot de door de Communistische Partij officieel ondersteunde volkstradities. De meeste deskundigen losten dit dilemma echter op door te verwijzen naar het gegeven dat er in de tijd dat die nationale keuken ontwikkeld werd heel andere levensomstandigheden waren: er was bijvoorbeeld in die tijd heel veel zware arbeid.28Zie voor meer hierover Franc 2003.

Van groot gevaar waren daarnaast de tekortkomingen van de levensmiddelenindustrie en het distributie netwerk. Die kritiek werd overigens overal gedeeld, maar in praktijk werd er weinig aan gedaan.29Franc 2003: 170-1. In feite weken de maaltijden in school- en bedrijfskantines veel meer af van de richtlijnen voor verstandig eten dan dat thuisgemaakt voedsel deed. Doberský, Doleček en Sonka 1967: 247. Evenzo hadden verschillende voedselexperts de hoop dat de catering in bedrijven en scholen verbeterd zou worden, maar ook daar kwam het niet van. En dan waren er de economische hervormers van de jaren zestig die benadrukten dat de hoge consumptie van voedsel vaak het resultaat was van tekortkomingen in de levering van andere soorten goederen.30Adamec 1968: 40. Hier wordt Ota Šik, de voormalige vice-premier en auteur van de Tsjechoslowaakse economische hervormingen geciteerd.

Hollywood-dieet

In de tweede helft van de jaren vijftig probeerden artsen de discussie over voeding over te nemen. Een kleine groep specialisten richtte zich op obesitas als een oorzaak van ziektes als diabetes mellitus.31Bij die groep hoorden de toenmalige directeur van het Onderzoeksinstituut voor Volksvoeding Josef Mašek, Jiři Sonka, Přemysl Doberský en arts Rajko Doleček, die later in de jaren zeventig de meest bekende campaigner tegen obesitas werd. Afslanken om esthetische redenen werd nog steeds gezien als dubieus vooral omdat veel diëten geïnspireerd zouden zijn door het Westerse consumentisme, het destijds zeer populaire Hollywood dieet bijvoorbeeld.32Zie Wildt 1996: 206-8.

De belangrijkste figuur die ageerde tegen dit soort modetrends was waarschijnlijk journaliste Božena Solnařová die in 1967, toen er een liberaal klimaat heerste, een dieet uit het Franse vrouwenblad Marie-Claire belachelijk maakte.33Solnařová 1967: 40. Toch gaf ook Solnařová toe dat …we in onze huidige tijden, met hun idealen van snelheid, sportresultaten (…), en met de cultus van het jonge en slanke blijkbaar toch in de richting gaan van lichtere eenvoudigere voeding in ieder geval in theorie. Advies hierover van medische professionals is dan ook nodig.34Solnařová en Hrubý 1967: 213.

In plaats van Westerse diëten, adviseerden Tsjechoslowaakse artsen een vermageringskuur van het Onderzoeksinstituut voor Volksvoeding, die gebaseerd was op het in het Interbellum ontwikkelde diëtensysteem van Josef Charvát. Voor de wat stoerderen adviseerden ze het ‘contrasterende dagen’ dieet van Přemysl Doberský. Op deze contrasterende dagen mochten afslankers enkel een bepaald soort voedsel eten – appels bijvoorbeeld.

In de jaren zestig was er opmerkelijk veel scepsis over een dieet ontwikkeld de door Yegorov, een Sovjet-arts die zich volgens de Tsjechoslowaakse medische autoriteiten niet overal de juiste nitrogeenbalans hanteerde, normaliter de belangrijkste parameter als het ging om de kwaliteit van afslankdieten.35Doberský, Doleček en Sonka 1967: 104-5. Tegelijkertijd moesten de medische autoriteiten reageren op Westerse diëten in de verschillende vrouwenbladen. Het ging hier vooral om het strenge Hollywood-dieet en een soortgelijk dieet van de Mayo Clinic die beide zeer populair waren in Tsjechoslowakije. Vergeleken bij deze diëten hadden de Tsjechoslowaakse afslankkuren echter het voordeel dat ze gebaseerd waren op voedsel dat in de winkels te verkrijgen was. Zo vroegen de beide Amerikaanse diëten om een grote hoeveelheid citrusvruchten, die bijna niet te vinden waren in het Tsjechoslowakije van de jaren zestig. Geen van de diëten werd overigens echt goed getest op hun effectiviteit door de nationale artsen.36Niemand besteedde eigenlijk aandacht aan het Hollywood-dieet of het Mayo Kliniek-dieet. Zie Mašek 1971: 157-8.

De groei van mode-diëten toonden dat de medische propaganda voor gezond eten om onder meer ziekten te voorkomen, niet aansloeg, ondanks de officiële steun. Dit terwijl in een grote opiniepeiling uit 1967 slechts 10 procent van respondenten aangaf zich vanwege esthetische redenen zorgen te maken over overgewicht. Het risico op ziektes daarentegen werd zeker drie keer meer genoemd. Overigens antwoordde meer dan driekwart op de vraag of obesitas zelf veroorzaakt werd door verschillende ziektes, met ‘ja’.37Adamec 1968: 21, 23.

De eigen garderobe

Drie jaar later gebruikte Jiřina Šejbalová, een bekende actrice en auteur van verschillende artikelen en programma’s over voedsel, in het voorwoord van een afslankboek juist weer esthetische argumenten. Ze schreef:

Als we het standpunt van een klein deel van de mensen dat obesitas een ziekte is, even opzij zetten, zijn de redenen om tegen overgewicht te vechten de volgende: (a) existentieel (de auteur refereert daarbij aan professionele redenen, voor actrices, modellen etc.) (b) ijdelheid, (c) de eigen garderobe.38Doberský, Haráčková en Šejbalová 1970: 14.

Moeten we de relevantie van deze opinie weerleggen zonder enige overwegingen, omdat de auteur uit een specifieke omgeving kwam? Ik denk dat dit een ontoelaatbare simplificatie is, eenzelfde soort meningen zijn immers te vinden bij andere auteurs, en zelfs bij artsen.39See Matek en Sobotková 1963: 11, waar we kunnen lezen dat ‘obesitas vaak beoordeeld wordt vanuit een esthetisch standpunt. Dat geldt vooral voor vrouwen die door elke grammetje onwelkom vet te verwijderen, zo dicht mogelijk bij hun schoonheidsideaal willen komen, zelfs als dat heel ver afstaat van het normale gezonde lichaamsgewicht.’ Zie ook Baláž 1961: 18.

Naar mijn mening kun je vragen stellen bij de antwoorden in de opiniepeiling die hierboven genoemd is. Het waarheidsgehalte van medische propaganda was zeer sterk geworteld in de hoofden van mensen: het werd gezien als het officiële standpunt. De antwoorden reflecteerden dus nogal eens de publieke opinie en niet wat mensen zelf ervan vonden.

Het feit dat esthetische overwegingen een belangrijkere rol speelden in het gevecht tegen obesitas dan de leiden de medici wilden toegeven, wordt ondersteund door de ontwikkeling van een interessant instituut dat aanvankelijk overgewicht behandelde.40Vooral in de tweede helft van de jaren zestig gaven sommige dokters wel toe dat esthetische factoren van belang waren. Zie Rath, 1967, 70- 1. En ook Rajko Doleček schreef dat artsen hun patiënten moesten overtuigen van het voordeel van gewichtsverlies met sociale en esthetische gelijk. Doberský, Doleček en Šonka 1967: 264. Dit was het Instituut voor Schoonheidsmiddelen, gesticht in de late jaren vijftig in Praag en later uitgebreid naar andere steden. Aanvankelijk richtte het instituut zich op puur medische problemen, maar later legde het zich toe op diensten die te maken hadden met de zorg voor het vrouwelijk lichaam, zoals make-up en haarverzorging. En hoewel de adviseur hier de bekende expert Jiří Šonka was, deed de overgrote meerderheid van de klanten geen enkele moeite om te verbergen dat ze puur om esthetische redenen kwamen. Onder het laagje van de officiële campagne tegen obesitas – die de nadruk legde op de afwezigheid op het werk vanwege ziektes van obese werknemers en de kosten van behandeling – groeide een cultus van het slanke lijf die zeer sterk beïnvloed was door het westen. In de loop van de tijd gingen steeds meer artsen esthetische argumenten gebruiken om hun verstandige voedingspatronen te promoten. Zonder twijfel had dit ook te maken met de nieuwe ideologische inzichten van de jaren zestig. Volgens de populaire econoom Radoslav Selucký bijvoorbeeld was er niets mis met een consumentensamenleving en ging die prima samen met een socialistische samenleving.41Selucký 1966: 65.

Dikke Tsjechen

Het supermagere model Twiggy was ook in het Tsjechoslowakije van de jaren zestig erg populair alhoewel ze geen enkele nationale tegenhanger had.42In de opiniepeiling van 1967 koos slechts 4,5 procent van de mannelijk respondenten voor een zeer slank figuur als een vrouw die het meest aantrekkelijk was. Een slank figuur was het meest populair (65,7 procent) alsook een ‘normaal’ figuur (28 procent). 56 tot 40,3 procent van de vrouwen koos een normale tot slanke man als meest aantrekkelijk. Interessant is dat vrouwen vaker een dikke man wilden dan een heel dunne man (1,9 en 1,5 procent). Adamec 1968: 108. Deze gegevens gaan alleen over het Tsjechische landsdeel. In Slowakije vonden mannen en vrouwen dikkere partners vaker aantrekkelijk. De nationale ‘beroemdheden’ deden niet mee aan de discussie over obesitas, zij waren natuurlijk tegen de West-Europese standaarden. Officieel dan, want sommigen van hen merkten op dat ze geen lor gaven om slank zijn en zaaiden zo twijfel over de geldende medische adviezen. Dit was tot op zekere hoogte ook een soort van oppositie tegen de medische propaganda en dus het officiële politieke discours. Op die manier kon je rebelleren zonder dat dit enige significante problemen opleverde. Volgens veel journalisten was het Tsjechoslowaakse volk dan ook te dik, ondanks de regeringspolitiek. Dat vond ook de Tsjechische actrice Jiřina Šejbalová (1905-81). Haar notities, meestal weinig respectvol over de Tsjechoslowaken, stonden paradoxaal genoeg in het destijds populaire boek Abychom netlousti (De preventie van Obesitas).43Zie Doberský, Haráčková en Šejbalová 1970: 13-15. Jiřina Šejbalová werd niet meer genoemd in de volgende editie van hetzelfde werk. Echter: in het algemeen werd de deugdelijkheid van medische opinies bevestigd, maar tegelijkertijd werd er gezinspeeld op het niet volgen ervan, althans niet strikt. Deze trend zette zich voort in de jaren zeventig en deels in de jaren tachtig.

De Sovjet-interventie en de daaropvolgende periode van ‘normalisering’ zorgde niet voor een echte ommekeer in het gevecht tegen obesitas. Dat gevecht ging door, alhoewel er minder nadruk lag op obesitas als een armenziekte. De in de jaren zeventig en tachtig gebruikte argumenten pasten goed in de regimepropaganda, wat in de jaren vijftig en zestig ook al zo was. Praktisch gezien hadden ze nauwelijks effect. Opnieuw werd het Westerse ‘consumentisme’ zeer negatief benaderd en elke associatie ermee was uit den boze.

Vertaald en bewerkt door Hellen Kooijman. Met medewerking van Filip Bloem.
Met permissie van de auteur en uitgever componenten uit 'Socialisme en de natie met overgewicht: vragen over ideologie, wetenschap en obesitas in Tsjechoslowakije, 1950-70', in The Rise of Obesity in Europe eds. Derek J. Oddy, Peter J. Atkins en Virginie Amilien (Farnham: Ashgate, 2009), pp. 193-205. Copyright © 2009.
Martin Franc (1973) is een senior onderzoeker aan het Masaryk Institute and Archive en het Institute of Contemporary History in Praag. Zijn onderzoeksfocus ligt op de geschiedenis van eten en consumeren in de negentiende en twintigste eeuw en de geschiedenis van 'levens-stijlen' sinds de Tweede Wereldoorlog.
GERAADPLEEGDE LITERATUUR

Adamec, Č. Poznatky z pruzkumu zdravotního uvědomění obyvateslstva v otázkách správné výživy, Časopis lékařu českých 36, 1961, 1121-7.

Adamec, C. Et. AL Veřejné mínění a otylost, Praag, 1968.

Baláz, V. Tučnotu, Bratislava, 1961.

Doberský, P. Nauka o výživě a Dietetice, Praag, 1965.

Doberský, P. Doleček, R. en Sonka J. Léčení otylosti, Praag 1967.

Doberský, P. en Horáčková, J. en Šejbalová, J. Abychom netlousti, Praag, 1970.

Doberský, P. en Horáčková, J. Abychom netlousti, 2e druk, Praag, 1976.

Franc, M. Rasy, nebo knedlíky? Ostoje odborníku na výživu k inovacím a tradícím v české stravé 50. A 60. Letech 20. Století, Praag, 2003.

Hejda, S en Ošancová, K. 'Odraz spotřeby potravin na zdravotním stavu', Výživa Lidu 24, 2, 1969, 18-21.

Hrušková, J. 'Celostátní sjezd o otylosti - Karlovy Vary, 27-29 september 1960', Časopis lékařu českých 27-8, 10, 1961, 885-8.

jh, 'Není nad správnou "kontrolu diety", Rudé Právo 14 maart 1957, 3.

Kovářová, A. 'Naše učast na zdravotnickoosvětové konferenci v Římě', Výživa Lidu 11. 11. 1956. 158-9.

Mašek, J. 'Il mezinárodní kongres dietetiky v Římě (11.-14. ZÁH 1956)'; Výživa Lidu 15, 10, 1956, 146-7

Mašek, J. 'Výživa a roest mládeže z hledsika výživy obyvatesitva', Výživa Lidu 10, 11, 1960, 161-3

Mašek J. et al. Člověk, společnost a výživa, Praag, 1971.

Matek, J. en Sobotková, M. Udržte si štíhlou linii, Praag, 1963.

Novák, M. 'Otylosť, Výživa Lidu 15, 10, 1960, 152-4.

Pvezner, M.I. Základy lécebné výzivy, Praag, 1952.

Rath, R. 'Otylost a její následky, Výživa Lidu 22, 5, 1967, 70-71.

Rogi, V. 'Po únoru 1948 zei: 'Máme Martu prdelatou...' Naše november 1/2005. Beschikbaar op: www.nasenoviny.net/detail.php?nn=1/2005&id cl-1_2005_23&roknnnoviny05, (geraadpleegd: 20 april 2009)

Selucký, R. Člověk en jeho volný čas. Pokus o ekono mickou formulaci problému, Praag, 1966.

Solnařová, B. 'Výživa mladých duikt in een vlivy, které jiurčují', Výživa Lidu 10, 3, 1955, 43-5.

Solnařová, B. 'Ani kritiek, ani rada', Výživa Lidu 22, 3, 1967, 40,

Solnařová, B en Hrubý, J. Výživa jako ekonomický problém, Praag, 1967.

Statistická ročenka ČSSR 1961, Praag, 1961.

Sima, J. 'Spotřební zvyky ve výživě z hlediska sociálně ekonomického', Výživa Lidu, 5,4, 1950, 73-5.

Sonka, J. en Přibylová-Cárková, M. Dieta při oty losti, 5e druk. Praag, 1968

Stolbová, E. Život s nadváhou, Praag, 2000.

Vamberská, M. Léčeni otylosti u dětí a mladistvých, Praag, 1963.

Wildt, M. Vom kleinen Wolstand. Eine Konsumgeschichte der fünfziger Jahre, Frankfurt am Main, 1996.

Jegorov, M.N. en Levitskij, LM. Ožirenije, Moskou, 1964.

Závěrečné usnesení IV. Sjezdu dieetni secce SRV vednech 10. A 11.X. v Luhačovicich. Výživa Lidu 10, 11, 1955, 154.
Avatar
Over redactie Donau 182 Artikelen
Donau is een platform voor artikelen over Midden- en Zuidoost-Europa. U kunt hier reportages, interviews en achtergronden lezen over de culturen, samenlevingen en politieke ontwikkelingen van Hongarije tot Oekraine en van Albanië tot Rusland. Als enige tijdschrift over Midden en Zuidoost-Europa in het Nederlandse taalgebied probeert Donau clichés te ontkrachten en een genuanceerd en gevarieerd beeld van het gebied te scheppen.