Trianon spel van politici, ook in Roemenië

Sighișoara (Segesvár in het Hongaars), in het district Mureș, waar George I Rákóczi als Prins van Transylvanië en Koning van Hongarije werd verkozen in 1631.

Door Frank Elbers

Honderd jaar nadat Transsylvanië aan Roemeens grondgebied werd toegevoegd, is de herinnering aan “Trianon” nog altijd levend in Roemenië. Het land heeft sinds vorige maand maar liefst twee nationale feestdagen om dit voor Roemenen heugelijke feit te vieren. Op 1 december staan ze op de Nationale Dag (Ziua Națională) – ook wel Grote Unie Dag (Ziua Marii Uniri) – stil bij de unificatie van de Roemeense provincies Wallachije, Moldavië en Transylvanië. Op 13 mei jongstleden nam het parlement een wet aan die van 4 juni de Dag van het Verdrag van Trianon maakt.

“Iets wat in het verleden, een eeuw geleden, een grote vreugde was voor de Roemeense natie, voor de Hongaarse natie en voor de Hongaren in Roemenië was een enorm verlies en een enorm verdriet”, verklaarde Kelemen Hunor, voorman van de UDMR (Hongaarse Democratische Unie van Roemenië), nadat het parlement het voorstel voor een nieuwe feestdag aannam. “Deze stand van zaken kan niet meer worden gewijzigd door dergelijke debatten en door goedkeuring van dit wetsvoorstel.”

Honderd jaar na het Verdrag van Trianon is niet alleen in Hongarije maar ook in Roemenië het politieke debat over Transsylvanië dus nog aan de orde van de dag. “Het is onderdeel van het natievormingsproces, in beide landen”, vertelt professor Silvia Marton, politicologe aan de Universiteit van Boekarest. En met name de status van de drie districten in het hart van Roemenië – Covasna, Harghita en Mureș. Daar vormen etnische Hongaren, de ‘Szeklers’, vaak een meerderheid. (Volgens de volkstelling van 2011 zijn er 1,227,623 Hongaren in Roemenië en zijn zij met 6.1% van de totale bevolking de grootste nationale minderheid.)

Sinds 1920 heeft het beleid van de centrale overheid in Boekarest ten opzichte van de Hongaren in Transsylvanië steeds andere vormen aangenomen. Aanvankelijk werd een cultuurpolitiek gevoerd met nadruk op Roemenisering van de minderheden. Die was ook op gericht op “verheffing” van de Roemenen die eeuwenlang voornamelijk landbouw bedreven, terwijl de Hongaren onder de Oostenrijk-Hongaarse dynastie tot de bourgeoisie en regionale culturele elite behoorden. In 1940 kreeg Hongarije, als bondgenoot van Nazi-Duitsland, een groot deel van Transsylvanië terug. Onder het regime van Miklós Horthy werden oorlogsmisdaden gepleegd tegen Roemenen en werden 140,000 Roemeens-Hongaarse joden naar Auschwitz gedeporteerd.

Na de Tweede Wereldoorlog gaven de geallieerden Transsylvanië terug aan Roemenië. Zowel Roemenië als Hongarije kregen na de oorlog een communistische regering en in 1952 werd in het oosten van Transsylvanië (“Szeklerland”) een Hongaarse Autonome Regio gecreëerd, met gedeeltelijke territoriale autonomie en zelfbestuur. Deze door Stalin opgelegde autonomie was de Roemeense communistische partij echter een doorn in het oog en door de geheime diensten als een mogelijke vijfde colonne beschouwd. Tijdens het regime van Nicolae Ceaușescu voerde de autoriteit een assimilatiebeleid. Het gebruik van de eigen taal in het openbare leven werd beperkt, verspreiding van Hongaarstalige kranten belemmerd en Hongaarse scholen gesloten. Ceaușescu’s nationalistische politiek moest zijn regime legitimiteit verschaffen, maar de enorme schaarste in de jaren tachtig leidde tot op zekere hoogte tot een betere verstandhouding tussen etnische Hongaren en Roemenen nu zij immers allemaal slachtoffers van het regime waren.

De verbroedering tijdens de revolutie van december 1989, die resulteerde in de omverwerping van de Ceaușescus en waarin de László Tőkés, predikant van de Hongaarse Gereformeerde Kerk in Roemenië in Timișoara, een belangrijke rol speelde, was echter maar van korte duur. In maart 1990 vochten Hongaren en Roemenen dagenlang in de straten van Târgu Mureș, hoofdstad van het Mureș district in Transsylvanië. De oorzaken en omstandigheden zijn nooit helemaal opgehelderd, maar Zwarte Maart leidde tot een verslechtering van de verhoudingen tussen de twee buurlanden en etnische Hongaren en Roemenen.

Toch slaagden Hongarije en Roemenië in september 1996 – onder druk van de Raad van Europa en met het oog op toetreding tot de NAVO – er in een basisverdrag te tekenen, dat de rechten van de Hongaarse minderheid in Transsylvanië garandeerde. Sinds die tijd is het redelijk rustig gebleven rond de “Hongaarse kwestie” ook al omdat de UDMR sinds 1996 regelmatig aan de regering deelnam; met ruim zes procent van de stemmen neemt zij vaak een sleutelpositie in om kabinetten te vormen. Bovendien verdwenen de extreem-nationalistische PNUR (Partij voor Roemeense Nationale Eenheid) en PRM (Groter Roemenië Partij), die van 1994-1996 onderdeel uitmaakten van de regering, na 2000 uit het parlement.

Het thema van territoriale, lokale en culturele autonomie voor de Hongaarse nationale minderheid blijft echter op de politieke agenda staan. Onlangs kreeg een wetsontwerp dat de deur opende naar beperkte autonomie voor een deel van Transsylvanië waar etnische Hongaren geconcentreerd zijn, impliciete goedkeuring van het parlement omdat het vanwege de coronaviruspandemie was gesloten en de termijn voor het debat was verstreken. Hoewel duidelijk was dat de PSD, Roemenië’s grootse partij, de UDMR in de senaat nooit zou steunen, reageerde president Klaus Iohannis en zijn liberale regeringspartij furieus. De doorgaans nuchtere Iohannis, zelf behorend tot de Duitse nationale minderheid, beschuldigde de PSD een geheime deal met de Hongaarse leider Viktor Orbán te hebben gesloten om “Transsylvanië aan de Hongaren te geven”. “Het is dezelfde nationalistische, xenofobische reflex, hetzelfde vocabulaire, aan beide kanten, als het om deze kwestie gaat”, verklaart Silvia Marton.

Politici liggen weliswaar regelmatig met elkaar overhoop maar de verhoudingen tussen etnische Hongaren en hun Roemeense buren in Transsylvanië lijken honderd jaar na Trianon veel minder gespannen. Uit recent onderzoek blijkt bijvoorbeeld dat de sociale afstand tussen Roemenen en etnische Hongaren in de afgelopen jaren is verkleind. In 2019 accepteren 76% van ondervraagde Roemenen Hongaren als familieleden, vrienden, buren of collega’s. Waarbij het opvalt dat de intolerantie sterker is in de hoofdstad Boekarest, waar nauwelijks etnische Hongaren wonen, dan in centraal Roemenië en het platteland, waar de meeste etnische Hongaren leven.

Boekhandel in Oradea.

Vooraanstaande wetenschappers zoals de Italiaanse antropoloog-historicus Stefano Bottoni (Universiteit van Florence) wijzen erop dat het beleid van de centrale overheid in Boekarest nooit heeft geleid tot opstanden of etnisch gemotiveerde botsingen veroorzaakt door afscheidingsbewegingen of terroristische acties. Alleen tijdens periodes van politieke turbulentie of oorlog in 1919, 1940, 1944 en 1989-90 was er sprake van beperkt geweld.

Misschien is er dus hoop dat honderd jaar na “Trianon” de relaties tussen etnische Hongaren en Roemenen en tussen politici in Boedapest en Boekarest normaliseren? Eind mei bezocht de Hongaarse minister van buitenlandse zaken Peter Szijarto zijn Roemeense ambtgenoot Bogdan Aurescu met het doel de relatie tussen beide landen te verbeteren “ondanks de politieke spanningen over de etnisch Hongaarse gemeenschap in Transsylvanië”. En president Iohannis werd voor zijn uitspraken over de autonomievoorstellen door de Nationale Anti-Discriminatie Raad een boete van 5.000 RON (€ 1.035) opgelegd.

Het zal dan ook niet verbazen dat Roemenen tamelijk onverschillig zijn over hun nieuwe feestdag, die bovendien samen zal gaan vallen met Orthodox Pinksteren. En in Roemeense media was er op 4 juni relatief weinig aandacht voor het eeuwfeest. Honderd jaar na dato lijken het dan ook vooral politici die nog altijd geobsedeerd zijn door Trianon.

Frank Elbers is journalist en onderzoeker aan het Institutul de Cercetare al Universității din București (ICUB) in Roemenië.

Kerk in een zoutmijn in Praid (Hongaars: Parajd), Harghita district.
Frank Elbers
Over Frank Elbers 3 Artikelen
Frank Elbers is journalist en onderzoeker aan het Institutul de Cercetare al Universității din București (ICUB) in Roemenië