‘Tussen woord en stilte’ Zsuzsa Beney

Geschatte leestijd: 2 minuten

‘Ik ben alleen en niet slechts in het nu,/ ik ben ontdaan van mijn verleden en mijn toekomst.’ Dergelijke ‘grote’ woorden roepen vragen op over de achtergrond van de schrijver. Zsuzsa Beney (1930-2006) schreef ze enkele jaren voor haar dood in het gedicht ‘Voorgoed’. Als Hongaarse Jodin overleefde Beney de oorlogsjaren in Boedapest om in de jaren zestig achtereenvolgens haar kind en man te verliezen. Kortom, een geschiedenis die grote woorden lijkt te rechtvaardigen. Haar gedichten handelen veelal over eenzaamheid, afscheid, verlies en vergetelheid. Over de oorlogsjaren schreef ze ‘Wie toen uitstel kreeg,/ kan de geschonken tijd onmogelijk verdragen’. Het doet denken aan de situatie waarin veel Joden na de oorlog verkeerden: de oorlog overleefd, maar hoe nu verder? Hoe het overleven te overleven? Haar landgenoot Imre Kertész trachtte zich door te schrijven alsnog een identiteit te creeëren, een identiteit die hem als Jood was ontnomen; hij was immers gereduceerd tot een nummer. Door te schrijven probeerde hij zich weer meester te maken over zijn lot; zijn object-zijn veranderde zo in een subject, een persoonlijkheid. Beney bewandelde een soortgelijke route. Haar leven was een zoektocht naar, zoals ze schrijft, ‘knooppunten in het onzichtbare skelet van de ruimte’ (uit: ‘Versleten brokstukken’). Die zoektocht verliep op zeer zintuiglijke wijze. Zo worden in haar werk natuurobservaties geplaatst tegenover herinneringen en de dood. Soms lijkt ze de ruimte ertussen te willen overbruggen en wordt het onderscheid tussen leven en dood tijdelijk opgeheven: ‘We zijn allen doden, allen overlevenden’. Op andere momenten wordt het onoverbrugbare juist benadrukt en tracht ze ‘een thuis te vinden in het zijn’. Of deze zoektocht uiteindelijk leidde tot verlichting blijft de vraag, wel klinkt er zo nu en dan een voorzichtige acceptatie van haar lot, zoals in de slotstrofe van ‘Fuga’:

‘Niet bang zijn voor dood, voor eenzaamheid.

Niet samen zijn. Niet gescheiden worden.

Elkaar aanraken met de stralen van

onze blikken. Herinneren. Blijven.’

De bundel eindigt met het gedicht ‘Het ogenblik’ dat welhaast haar laatste momenten op aarde lijkt te beschrijven en dat eindigt met een vraag: ‘Bestaan we als we onzichtbaar zijn, in de elkaar/ weerkaatsende lege spiegels van dood en geboorte?’

Niet eerder heb ik de ‘ruimte tussen woord en stilte’ zo mooi en overtuigend beschreven gezien. De vertaalster Anikó Daróczi verdient daarbij alle lof voor haar heldere vertaling en de indrukwekkende inleiding die ze bij deze bundel schreef. Zij maakte deze prachtige (helaas postume) kennismaking met Zsuzsa Beney mogelijk.

Zsuzsa Beney, Aan de randen van de tijd. Een bloemlezing uit haar gedichten (Van Gennep, Amsterdam 2010) 212 pagina’s

Stefan van der Poel
Over Stefan van der Poel 22 Artikelen
Stefan van der Poel is universitair docent bij de vakgroep Geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen. Zijn belangstelling gaat vooral uit naar de Joodse en Midden-Europese geschiedenis. In 2004 promoveerde hij op Joodse stadjers. De joodse gemeenschap in de stad Groningen, 1796-1945.