Een rake selectie analyses van Stefan Zweig uit de jaren negentiendertig.

414 woorden
2–3 minuten
Omslag 'De ballingschap van Stefan Zweig. Brieven, dagboekaantekeningen en lezingen'

recensie

De ballingschap van Stefan Zweig. Brieven, dagboekaantekeningen en lezingen

Keuze en inleiding: Stefan van der Poel

Uitgeverij IJzer, 254 pagina's

€24,50

Stefan Zweig zag het allemaal aankomen. De schrijver, humanist en pessimist had midden jaren dertig al genoeg gezien van het fascisme om met pijnlijke precisie te voorspellen dat de menselijke beschaving langs het randje zou scheren. In zijn analyses waarschuwde hij keer op keer voor het gevaar, dat niet zozeer naderde, maar al volop aanwezig was.

Dat maakt De ballingschap van Stefan Zweig een beklemmend boek. Historicus en Donau-auteur Stefan van der Poel koos en bundelde hierin brieven, dagboekaantekeningen en lezingen van Zweig uit de jaren 1933 tot 1942. Het begint met de verbranding van Zweigs boeken door de nazi’s en eindigt met zijn zelfgeregisseerde dood in Brazilië.

In de tussentijd was Zweig op drift. We kunnen hem in zijn eigen beschrijving volgen vanaf zijn vertrek uit Oostenrijk, dat hij aankondigt zodra Hitler in Duitsland aan de macht komt. In zijn lezingen analyseert hij de politiek wat afstandelijk, maar de brieven zijn persoonlijker van toon. Hier krijgen we een glimp van hoe Zweig de hartverscheurende neerwaartse spiraal emotioneel beleefde, hoe hij zich pessimisme en verdriet toestaat, maar ook een koppige onverzettelijkheid toont die hem gaande houdt.

Aan zijn vriend Romain Rolland schrijft hij op 10 mei 1933 over ‘een roemvolle dag, want vandaag branden mijn boeken op de brandstapel in Berlijn’. Tegelijkertijd spat de pijn van de pagina’s als hij de lafheid beschrijft van zijn collega’s die het zonder protest lieten gebeuren. ‘Vanaf het moment dat ik op de lijst van die onbeduidende achttienjarige hansworsten sta, durft niemand me nog te vragen “Hoe gaat het met u, beste vriend?”‘

Die kwetsbare Zweig ontroert, en toont misschien nog wel beter wat fascisme met mensen doet dan de rake intellectuele analyses waarmee ze in dit boek zijn samengebracht. De combinatie is een krachtig monument van een zeldzaam scherpe denker, die tegelijkertijd ook gewoon redenen nodig had om te willen leven, zoals iedereen.

De inleiding en de grondige annotatie door Stefan van der Poel bieden elke lezer houvast om deze negentig jaar oude bespiegelingen in hun context te zien. Het is knap hoe hij in veertig pagina’s een groot aantal belangrijke thema’s van Zweigs leven en tijd duidt. Dat gaat in korte sprintjes; over Zweigs fascinatie met Erasmus, zijn veelvuldig gebruikte motief van de Toren van Babel, of zijn zelfidentificatie als Europeaan. Uiteraard is het dan soms wat schetsmatig. Meermalen breekt een thema af als ik net op het puntje van mijn stoel zat. Als dit Van der Poels voorwerk is voor een biografie van Zweig, dan houd ik me aanbevolen.


Joost van Egmond