Magazine over Midden- en
Zuidoost-Europa

Artem Chapeye, voorheen zelfbenoemd pacifist, meldde zich na de grootschalige invasie bij het Oekraïense leger en reflecteert in dit essay op de oorlog.

1.046 woorden
4–7 minuten

recensie

Ordinary people don't carry machine guns. Thoughts on war

Artem Chapeye

Seven Stories Press, 2025. Vertaald door Zenia Tompkins, 128p.

Op 19 maart verschijnt Gewone mensen dragen geen machinegeweren. Gedachten over oorlog in de vertaling van Tobias Wals

Toen ik in een vorig decennium aan mijn proefschrift over de westerse vredesbeweging en de Poolse oppositie werkte en mijn artikelen soms in het Pools werden vertaald, moest ik vertalers steevast corrigeren. Waar zij vredesactivisme veelal vertaalden als ‘pacifisme’, greep ik in: het zijn geen synoniemen. Niet elke vredesactivist is een pacifist, in ieder geval niet de mensen waar ik over schreef.

Het vooruitzicht een boek te lezen van een zelfbenoemd ‘pacifist’ die de wapens opnam, wekte in mij dan ook geen verbazing, slechts interesse. De links-intellectuele Oekraïense schrijver Artem Chapeye, pseudoniem van Anton Vodyanyi, vertaalde Noam Chomsky en Gandhi in het Oekraïens en fantaseerde over hoe hij zou vluchten of deserteren in geval van oorlog.

Maar toen de oorlog hem inhaalde, op 24 februari 2022 in Kyiv, bleek zijn reactie anders. Hij vluchtte met zijn partner en kinderen naar West-Oekraïne en meldde zich daar als vrijwilliger voor het Oekraïense leger. Sindsdien verwijst hij naar zijn vroegere pacifisme als ‘abstract pacifisme’: een privilege in tijden zonder existentiële keuzes.

Na twee jaar actieve dienst schreef hij zijn bespiegelingen op, in 2025 vertaald als Ordinary people don’t carry machine guns. In maart verschijnt de Nederlandse vertaling van Tobias Wals. Ik las de Engelse vertaling van Zenia Tompkins.

Hij meldde zich bij het leger om iets wat in het Oekraïens ‘Spaanse schaamte’ heet: een vorm van plaatsvervangende schaamte. Hij zag de oudere mannen in dorpen waar hij doorheen vluchtte onmiddelijk worden gemobiliseerd. Deze mannen waren altijd blijven wonen waar ze geboren en geregistreerd waren en dus makkelijk te vinden. Tegelijkertijd wisten jonge, mobiele en theoretisch opgeleide mannen onder de radar te blijven en sommigen deden dat ook uit alle macht. Chapeye realiseerde zich dat de verantwoordelijkheid om Oekraïne te verdedigen disproportioneel op de schouders van ongepriviligeerde mensen zou vallen. Zelf eerder in de tweede dan de eerste categorie vallend, meldde hij zich bij het leger zodra hij in zijn geboorteplaats aankwam.

Deze motivatie vlecht zich door het boek heen. In zijn eerste uitleg van zijn schaamte, voor een jonge man die de deur niet meer uitdurft terwijl zijn vader gemobiliseerd is, stelt hij nog ‘I am not judging. I just wouldn’t want that to be me.’ Maar later in het essay komt toch steeds meer oordeel naar boven: over de mensen die claimen meer te kunnen betekenen in hun banen dan onder de wapenen, over buitenstaanders die tegen mensen in theoretische beroepen zeggen dat ze ‘te speciaal’ zijn om als kanonnenvoer te dienen. En extremer: over mensen die zich voor veel geld medisch laten afkeuren, om niet te hoeven vechten, of die de juiste politieke contacten hebben om zelfs niet bang te hoeven zijn voor de recruteringsofficiers.

Chapeye’s frustratie, waarin privilege centraal staat, is prominent aanwezig in het essay en tegelijkertijd zwenkt hij tussen posities. Hij geeft toe dat als hij kleinere kinderen had gehad, of in het buitenland zou hebben gewoond, hij zich waarschijnlijk niet zou hebben gemeld. Zijn vrouw bekritiseert hem om zijn oordelen tegenover niet vechtende mensen, waaronder veel vroegere vrienden. Maar de tegenstelling tussen de mensen die bereid zijn ‘tegen onrecht te vechten versus degenen die dat niet deden’ is in zijn hoofd te groot geworden.

Hij geeft toe dat dit is hoe dienen in het leger hem heeft veranderd. Niet de verruwing waar hij bang voor was. Daartegen weerde hij zich actief, door juist meer voor mensen en dieren om hem heen te zorgen. De angst was onterecht, hij benadrukt hoezeer liefde en zorgzaamheid hem overvallen hebben sinds het begin van de invasie en ook hoezeer dat voor zijn medesoldaten geldt. Hij wil graag laten zien hoe ook de body-builders en machomannen in zijn unit openlijk huilen en voor dieren zorgen. Traditionele stereotypes van mannelijkheid gebruikend, probeert hij dezelfde stereotypes te doorbreken.

Chapeye beschouwt zichzelf als feminist en had in Oekraïne een voorbeeld gezet met een essay over hoe hij en zijn vrouw hun oudersschapsverlof verdeelden. Maar zijn keuze zich bij het leger te melden, wierp hen opeens terug in de traditionele rolpatronen: van de vrouw die bij de kinderen blijft en de man die gaat vechten. Veel vrouwen, van alle achtergronden, zijn door de oorlog gedwongen in de rol van alleenopvoedende ouder, die doet wat ze moet doen voor haar kinderen.

Het is een belangrijke observatie, die nog meer aandacht zou verdienen in de rest van het essay. Zowel zijn pacifisme en feminisme beschouwt hij als theoretische visies die vervliegen als de werkelijkheid arriveert. Hoe zeer ik met hem mee ga in het idee dat pacifisme alleen theoretisch werkt omdat vrede soms bevochten moet worden, hoop ik toch dat feminisme van minder theoretische aard zou mogen blijken, ook als de realiteit toeslaat. Helaas versterkt oorlog inderdaad de traditionele rolpatronen waarin ook Chapeye accepteert dat de man moet doen wat hij moet doen voor zijn geweten en de vrouw wat zij moet doen voor haar kinderen.

Chapeye is een begenadigd en ervaren schrijver en filosoof. Het eerste hoofdstuk, waarin hij zijn vlucht, zijn keuze om bij het leger te gaan en zijn ongoocheling over de theoretische geopolitieke oordelen van vroegere helden als Chomsky beschrijft, is hartbrekend mooi. Tegelijkertijd is hij ook soms inconsequent, veroordelend of krampachtig bezig een punt te maken. Dit is menselijk, zeker onder zijn omstandigheden waarin hij schrijft.

Hij geeft toe dat je kijk op de wereld verandert vanuit het leger. Wie mensen om zich heen ziet sterven voor de vrijheid van anderen, wordt vanzelf kritischer op hoe anderen die vrijheid gebruiken. Chapeye uit openlijk zijn twijfels over of schrijven wel zin heeft terwijl een oorlog woedt. Hij besluit terecht dat getuigenissen een waarde hebben, juist voordat het historische narratief is gesetteld en de schoolboeken zijn geschreven, ondanks dat het niet altijd volledig uitgewerkt is. ‘Maybe someday I’ll regret having expressed half-ripe thoughts here, but it seems better to be honest than infallible.’

We mogen dankbaar zijn dat hij het heeft gedaan en dat we zijn directe gedachten, observaties en emoties in al hun rauwheid mogen lezen. Aan ons, die leven in veiligheid en privilege waarin het makkelijk is theoretische standpunten te hebben, geeft hij ons een inkijk in het denken van de mensen die vechten voor de vrede: voormalige pacifisten als hij, en heel veel gewone mensen uit heel Oekraïne. Zij vechten zodat de keuzes die zij moesten maken theoretisch blijven voor anderen.