Geschatte leestijd: 15 minuten
De afgelopen jaren reisde Hans Luiten door Centraal-Europa. Hij bewonderde er Joodse begraafplaatsen, las Kafka, Comenius en Kundera, discussieerde met aanhangers van Orbán, bezocht modernistische villa’s, sprak met Tataren, Roma en Karaïm, vergiste zich in de signatuur van orthodoxe kerken én bleef zich verwonderen hoe het ooit zo tolerante en multiculturele Centraal-Europa zo snel afgleed naar de huidige sfeer van intolerantie en autocratie. Bij Ambo|Anthos Uitgevers verschijnt binnenkort Begrijp jij Centraal-Europa nog? waarin Luiten antwoord probeert te geven op de vraag in hoeverre Centraal-Europa écht van ons verschilt. Een voorpublicatie.
Żabno, 2022
Het is tweede paasdag. Over de uitgestrekte velden hangt nog de rijp.
Ik ben inmiddels de stad Poznań voorbij. Ik verlang naar koffie, maar de West-Poolse dorpjes zijn allemaal doods en verlaten, geen café te bekennen. Ik zie op mijn telefoon dat het nog tien kilometer fietsen is naar een wat groter dorp, en ik besluit nog even door te trappen.
Ik ben begonnen aan een lange fietstocht van Gdańsk naar Venetië. Je zou kunnen zeggen: dwars door Centraal-Europa, het gebied tussen West-Europa en Rusland in. Het is een regio waar ik al jaren kom, maar die ik door deze fietstocht over het platteland nog beter probeer te begrijpen.
Door Hans Luiten
Toen ik gisteren in Gdańsk uit de trein stapte, was ik voor mijn gevoel nog niet in Centraal-Europa aangekomen. De Hollands aandoende gevels, de praalgraven met de Duitse namen in de gotische Mariakerk, de winkels vol internationale merken en de rondslenterende toeristen kwamen mij maar al te bekend voor: voor mijn gevoel liep ik eerder in Duitsland dan in Centraal-Europa rond. Nu ik door het Poolse platteland fiets, begin ik er langzaam te arriveren. Ik kan de borden niet meer lezen en in ieder dorp zie ik wel een beeld van Christus of Maria staan.
Mijn route voert door het dorpje Żabno. Zodra ik het gehucht binnen fiets, stuit ik op een oud houten kerkje met een prominente vierkante toren. Mijn nieuwsgierigheid wint het van het verlangen naar koffie, en ik besluit om toch maar even af te stappen.
Als ik het kerkje binnenstap is het er doodstil. Het interieur doet warm aan, vooral door het rode tapijt dat als een loper over de ruwe plankenvloer leidt. De barokke zuilen en het rijkversierde altaar contrasteren met de sobere houten wanden. Ik ga zitten op een van de banken.
Dan pas zie ik de twee mannen in de nis aan de linkerkant van de kerk staan. Ze houden er de wacht en staan stokstijf, met hun gezichten naar elkaar toe gekeerd. Ze dragen iets wat me doet denken aan een ouderwets brandweeruniform en hebben ieder een lange vlaggenstok in de hand. Tussen hen in ligt, in een met sierlijke elementen versierde kist, een beeld van de gestorven Christus. Het is een heel realistisch beeld, de bloedvlekken van de Heiland zijn duidelijk zichtbaar. Boven de mannen en het Christusbeeld hangt een leus: gezegend zijn de vredestichters, want zij zullen zonen van god genoemd worden. Het ziet er allemaal nogal knullig uit, maar de bewakers nemen hun taak uiterst serieus en ik waag het niet om dichterbij te gaan kijken. Wat doen deze mannen precies in deze verlaten kerk? Waarom bewaken ze het graf van Christus, zoals de Romeinse soldaten dat tweeduizend jaar geleden deden?
Thuisgekomen mail ik Iwona Guść, een Poolse wetenschapster die al decennia in Nederland woont en doceert. Zij komt er na enig speuren achter dat dit waarschijnlijk een lokaal gebruik is, dat nog stamt uit de zeventiende eeuw. Nadat de Polen in 1683, onder leiding van Jan Sobieski, bij Wenen de Turken hadden verslagen, kregen de teruggekeerde helden soms een eretaak. Zij mochten, getooid in buitgemaakte Turkse gewaden, voortaan Christus bewaken. Zij werden daarom ook Turki genoemd. Zou dit hier ook het geval zijn? En hebben de mannen bij gebrek aan een Turks gewaad dan maar een uniform van de lokale brandweer aangetrokken?
Boedapest, 2022
Een latere tussenstop op dezelfde fietstocht. De stad is druk, heet en mooi. Ik slenter wat en kom bij het negentiende-eeuwse Nyugati-treinstation terecht, een sierlijk gebouw met twee majestueuze stenen torens en daartussenin een grote gietijzeren overkapping. De verf mag er dan wel afbladderen, maar de hele entourage – de luxe restauratie met strakke witte tafelkleden, de elegante zuiltjes – herinnert je eraan dat Boedapest in de negentiende eeuw tot de modernste Europese steden hoorde, een stad die in één adem genoemd werd met Parijs en Wenen. Boedapest werd geroemd om zijn brede avenues, de moderne metro en de prachtige koffiehuizen.
Een trap voor het station loopt naar een ondergrondse metropassage. Het contrast kan niet groter zijn. De verkoeling is prettig, maar de passage zelf doet armoedig aan: goedkope tl-verlichting, tocht die door de passage trekt, winkeltjes waar telefoonhoesjes, snoepgoed en namaaktassen worden verkocht. Ook staat iemand lángos te verkopen, platte broodjes met zure room en kaas. Het ruikt er onfris.
Midden in die passage – ze staan er wat verloren bij – stuit ik op twee marktkraampjes. Op beide kraampjes ligt een tiental folders, in een waaier uitgespreid over een kunstig gedrapeerde Hongaars vlag. Achter de kraampjes staan twee oude, vlekkerige panelen waarop grote landkaarten zijn geprikt. Er staan drie oudere mannen bij, eenvoudig maar netjes gekleed, die proberen de folders aan voorbijgangers uit te delen. De mensen hebben echter haast, ze moeten hun trein halen.
Ik heb daarentegen alle tijd en knoop in het Duits een gesprek aan. De mannen zijn blij met mijn belangstelling en ik vind het leuk dat ze mij iets kunnen uitleggen. Ze lachen vriendelijk en informeren uit welk land ik kom: ‘Ah, die Niederlande, Tulpen!’ Op mijn beurt vertel ik hoe mooi ik het station vind: ‘Alsof je in Parijs staat!’ Ze tonen mij enthousiast de opgehangen kaarten. Het duurt even voor ik besef waar ik nu precies naar kijk. Het blijkt om een politieke kaart te gaan, een visioen van het toekomstige Hongarije: een land dat zó groot is dat het huidige Hongarije daar helemaal in verdrinkt. Gebieden als Kroatië, Galicië (dat nu in Oekraïne ligt), Transsylvanië (nu in Roemenië) zijn allemaal met dezelfde donkerblauwe kleur ingevuld.
De mannen zien mijn vragende blik en lichten toe: ‘Allemaal Hongaarse gebieden, mein Herr, allemaal Hongaars… gestolen in 1920, alles afgepakt, moet allemaal terug!’ Ze komen nu op gang en vertellen, struikelend over de Duitse naamvallen, in een razend tempo over het ‘verschrikkelijke Verdrag van Trianon uit 1920’, met een emotionele intensiteit alsof dat vredesverdrag nog maar gisteren is gesloten.
Ik probeer beleefd enig tegenwicht te bieden, al voel ik ook de irritatie opkomen over dit blinde nationalisme: ‘Het is toch een illusie om te denken dat zoiets ooit kan? De grenzen in Europa liggen toch vast? Waarom zou een mens dit willen?’
De mannen voelen mijn irritatie haarfijn aan en hebben onmiddellijk een antwoord klaar: ‘Had u in 1988 gedacht dat de Sovjet-Unie een paar jaar later zou verdwijnen, mein Herr? Nou dan, waarom zou dit dan niet kunnen?’
De discussie wordt venijnig. Ik laat me ontvallen dat ik vrees dat dergelijke plannen tot grote spanningen, ja, zelfs tot oorlog zouden kunnen leiden, zeker als ze worden aangejaagd door een ondemocratische leider als Viktor Orbán. De gezichten van de mannen betrekken nu nog meer en hun stemmen gaan omhoog: ‘U begrijpt er niets van, Herr, gar nichts, nichts! Maar we zullen u uitleggen hoe dat kan!’
Hun verklaring klinkt als een zware beschuldiging: ‘U bent een Europese liberaal, mein Herr, daarom begrijpt u ons niet.’
Mijn bezoek aan het kerkje in Żabno bracht mij in contact met wat ik de exotische kant van Centraal-Europa zou kunnen noemen. Dat is het Centraal-Europa wat wij graag als toeristen bezoeken, met zijn oude kerken, Joodse begraafplaatsen, barokke koepels, zijn multiculturele diversiteit en oude tradities. Het is ook de wereld waarover wij zo graag boeken verslinden: de bizarre verhalen van Franz Kafka, de nostalgie van Joseph Roth en de humor van soldaat Švejk. Ik vind dat een fascinerende wereld. Ik heb er de laatste jaren veel doorheen gereisd – letterlijk op de fiets, figuurlijk in boeken – en ik heb mij talloze malen verbaasd over wat ik er tegenkwam. Ik zag in Polen meer prachtige oude synagogen dan in West-Europa. In Litouwen bezocht ik een knessa, een Turks-Joods gebedshuis. In Praag, Subotica (Servië) en Boedapest bewonderde ik gebouwen in art-nouveaustijl die op mij meer indruk maakten dan die in Brussel of Parijs. Ik wist een kaartje te bemachtigen voor een bezoek aan Villa Tugendhat, een modernistische villa van Ludwig Mies van der Rohe in Brno en realiseerde mij door dat bezoek dat de vroegtwintigste-eeuwse architectuur in Tsjechië qua moderniteit niet onderdeed voor die in West-Europa. Overal in Centraal-Europa trof ik Duitse dorpen, kerkjes en wijnkelders aan, of werd ik bij de ingang van een dorp begroet met willkommen in unserem dorf.
Een bezoek aan de Globe Bookstore in Praag kostte me elke keer weer veel geld, maar de daar gekochte boeken leerden me van alles over de eeuwenlange relatieve tolerantie en de daarmee samenhangende religieuze en culturele diversiteit van Centraal-Europa. Zo kocht ik er het essay van de schrijver Milan Kundera, The Tragedy of Central-Europe uit 1984, waarin hij uiteenzette wat dit gebied zo uniek maakt. Ik verdiepte mij verder in het gebied en kwam er veel meer te weten over vrijdenkers die leerstoelen op de universiteit van Kraków bekleedden, over Jan Hus die met zijn oproep tot een hervorming van de katholieke kerk de weg baande voor Luther, over Comenius en Pat en Mat (bij ons beter bekend als Buurman en Buurman), over de Hongaarse fotograaf Robert Capa en de kunstenaar Andy Warhol, wiens ouders uit Slowakije kwamen. En langzaam vormde zich in mijn hoofd een beeld van een divers, dynamisch en fascinerend gebied.
De ontmoeting in de metro van Boedapest bracht mij in contact met de harde werkelijkheid van het Centraal-Europa van nu. Dat is het Centraal-Europa waar de bevolking kiest voor dictatoriale leiders als Viktor Orbán of Robert Fico. In Hongarije mogen boeken over homoseksualiteit alleen nog maar in cellofaanfolie worden verkocht, zodat de jeugd er niet in kan bladeren en ‘gecorrumpeerd kan raken’ door de inhoud. In Polen werd de afgelopen jaren de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht uitgekleed en de in 2023 aangetreden regering-Tusk heeft de grootste moeite om die ontwikkeling weer terug te draaien. De Slowaken maakten de partij van Robert Fico in 2023 opnieuw de grootste van het land, ondanks diens banden met de maffia, die een kritische journalist liet vermoorden. In Hongarije is onder Viktor Orbán het functioneren van de vrije pers onmogelijk gemaakt en is de democratie geheel uitgehold. De politieke avonturen én de bestuursstijl van de Russische leider Vladimir Poetin worden door de meeste Centraal-Europese leiders omarmd, een opmerkelijk gegeven voor landen die tot 1989 nog onder het juk van de Sovjet-Unie moesten leven. Islamitische vluchtelingen werden de afgelopen jaren in al deze landen geweerd, letterlijk met metershoge hekken.
De opkomst van de autocratische bestuurders in Centraal-Europa vond plaats in de jaren na de val van het IJzeren Gordijn, de periode waarin de betreffende landen lid werden van de navo en de Europese Unie. Deze laatste organisatie had zich in het Verdrag van Maastricht (1992) juist expliciet verbonden aan de verdediging van de liberale democratie. Terwijl door de regeringsleiders van Polen, Hongarije en Tsjechië/Slowakije in de ene na de andere officiële verklaring steun werd uitgesproken voor de liberale waarden en de rechtsstaat, gleden dezelfde landen snel af naar een gecorrumpeerde vorm van democratie. West-Europese leiders reageerden verbijsterd: hoe konden landen die zo graag bij West-Europa wilden horen tegelijk zo’n afstand nemen van de liberale waarden? De Centraal-Europese leiders kaatsten de bal echter terug: zij waren het echte Europa, en het was juist West-Europa dat met zijn overdreven nadruk op diversiteit de Europese waarden verkwanselde.
Ook ik was bij tijd en wijle verbijsterd over deze intolerante en autocratische kant van Centraal-Europa, juist omdat ik die niet kon rijmen met dat andere beeld dat ik van deze landen had, het historische beeld van een regio waarin een fascinerende diversiteit de boventoon voerde. Wat klopte hier niet?
Milan Kundera beklaagde zich er in het bovengenoemde essay over dat West-Europeanen Centraal-Europa als Oost-Europa zagen, alsof het een onderdeel van de Russische wereld was. Ik sluit me aan bij Kundera’s observatie: het gebied Oost-Europa noemen is een enorme vergissing. Tijdens al mijn reizen ervoer ik steeds weer hoe sterk Centraal-Europa in velerlei opzicht met West-Europa verbonden was en is – bijvoorbeeld waar het gaat om de renaissance, de reformatie, de historische sterke rol van steden – terwijl ik tijdens mijn reizen door Rusland een groot verschil met Centraal-Europa ervoer. Wie door Rusland reist ontmoet daar echt een andere wereld – het is een land waar bijvoorbeeld steden juist geen zelfstandige rol speel den en waar autocratisch leiderschap veel meer wordt geaccepteerd of zelfs bewonderd. Aan de andere kant, toen ik zag hoe Orbán en de zijnen de verkiezingen wonnen, begon ik te twijfelen aan de woorden van Kundera. Was Centraal-Europa autocratischer en dus minder tolerant dan ik in mijn hoofd had? Was het, om zo te zeggen, niet Russischer dan ik wilde zien? En was het daarmee dus ook minder verbonden met West-Europa dan mensen als Kundera beweerden?
Ik had niet direct een antwoord op deze vragen. Kortom: begreep ik Centraal-Europa nog?
Om de vraag te kunnen beantwoorden hoe we het hedendaagse Centraal-Europa moeten duiden, duiken we in de geschiedenis van de regio. Dit boek begint rond het jaar 1000, als zich de eerste Centraal-Europese staten vormen en het christendom de dominante godsdienst wordt. We zullen zien dat het gebied door de eeuwen heen soms zeer nauw verbonden was met de rest van Europa en soms juist een heel andere ontwikkeling doormaakte.
Als we het over Centraal-Europa hebben, welke landen zijn dat dan? Om deze regio te kunnen duiden moet je helder afbakenen waar die begint en ophoudt, ook al is het behoorlijk lastig om harde grenzen te trekken. Ik kies ervoor om in ieder geval Litouwen, Polen, Tsjechië, Slowakije, Hongarije en delen van Oekraïne en Roemenië tot de kern van het gebied te rekenen. Door het boek heen zal duidelijk worden hoezeer deze landen in historisch opzicht met elkaar verknoopt waren. Bovendien deelden ze met elkaar een opvallend grote diversiteit aan culturen en religies, en een opvallend pragmatische manier om daarmee om te gaan. Oostenrijk is een twijfelgeval, maar omdat het land lange tijd het centrum was van het Habsburgse Rijk, dat grote delen van Centraal-Europa beheerste, steekt het in ieder geval geregeld de kop op in de geschiedenis van de regio.
Ik besef terdege dat er ook historici zijn, zoals Martyn Rady, die onder Centraal-Europa ook Duitsland en zelfs Nederland vatten. Hoewel ik onderken dat de Duitse beschaving van grote invloed op de Centraal-Europese geschiedenis is geweest, ga ik niet in die keuze mee. Centraal-Europa maakte een eigen, unieke ontwikkeling door, los van het Duitse Rijk. Ik gebruik de term in de betekenis zoals die tegenwoordig door historici en journalisten (ook uit de regio zelf) wordt gebruikt, zoals bijvoorbeeld de Poolse journalist Piotr Buras, hoofd van de denktank Europese Raad voor Buitenlandse Relaties.
Ik gebruik ook niet de term Oost-Europa. Deze term kwam pas in zwang toen de Centraal-Europese landen achter het IJzeren Gordijn verdwenen. Ik noem dit nogmaals expliciet, omdat met name Angelsaksische auteurs de term nog steeds blijven gebruiken, zoals bijvoorbeeld de Amerikaanse historicus Jacob Mikanowski in zijn boek Goodbye Eastern Europe.
Ik heb het schrijven van dit boek als een spannende en fascinerende zoektocht ervaren, waarbij ik geregeld aan de Britse historicus Lewis Baston moest denken, die in zijn boek Borderlines het volgende schreef:
‘Ik kan Centraal-Europa niet definiëren, maar ik weet het als ik het zie. Ik heb mijzelf vaak teruggevonden als ik aan een tafel bij een bar zat op een mooi stadsplein, uitkijkend op een hotel of stadhuis als het avondlicht de gevel bescheen, geverfd in het warme keizerlijke Habsburg-geel dat Schönbrunn-geel werd genoemd. Ik proost met een glas, met altijd uitstekend bier, op deze vage regio waar ik mij om onverklaarbare redenen thuis voel, ondanks taalproblemen en mijn diepe Engelse wortels. (…) Mijn vaagheid over waar Centraal-Europa begint en eindigt is wijd gedeeld; er zijn waarschijnlijk net zoveel definities van Centraal-Europa als er mensen zijn die over het onderwerp hebben nagedacht.’
Vaak, na een gesprek, boek, interview of een bezoek aan een oude synagoge, kerk of begraafplaats, moest ik mijn verhaal weer iets bijstellen. En ik kan oprecht zeggen dat ik pas na lang onderzoeken en schrijven het gevoel kreeg dat ik volmondig ja kon antwoorden als vrienden mij plagerig – omdat het boek maar niet afkwam – vroegen: ‘Begrijp jij Centraal-Europa al?’
Begrijp jij Centraal-Europa nog? Op reis door heden en verleden verschijnt bij Ambo|Anthos Uitgevers. Prijs: € 24,99.
Hans Luiten groeide op in de Zaanstreek. Hij volgde verschillende studies geschiedenis. Interessegebieden zijn onder meer Amsterdam, de Zaanstreek, het Midden-Oosten, Rusland en Centraal-Europa. Hij is inmiddels ruim 25 jaar een enthousiaste en bevlogen docent geschiedenis en begeleidde in deze rol tal van excursies en reizen naar steden en musea.