Het Ministerium für Staatssicherheit in de voormalige DDR, kortweg ‘de Stasi’, stond synoniem voor gedragsbeïnvloeding, onderdrukking en totale surveillance. Na de val van de Berlijnse muur was één ding zeker: dit nooit meer. Maar wat als de geschiedenis zich herhaalt?
Er zijn woorden die je niet kunt vertalen. Niet omdat er geen vertaling voor bestaat, maar omdat ze in een andere taal niet dezelfde betekenis hebben. In het Nederlands bijvoorbeeld ‘apartheid’. Of ‘gezelligheid’, dat bijna het tegenovergestelde omschrijft. Het Duits kent veel meer onvertaalbare begrippen. Het land heeft een geschiedenis die zulke woorden nodig maakt. Neem Vergangenheitsbewältigung. Zo’n typisch log en moeizaam woord. Maar dat is inherent aan de betekenis ervan. Het gaat over de verwerking van een verleden dat nooit voorbijgaat. De oorlogen. De Holocaust. De DDR-dictatuur. Entmenschlichung kun je vertalen als ‘ontmenselijking’, maar in het Duits klinkt er een duistere echo bij het woord. Het beschreef het proces waarbij mensen werden gereduceerd tot categorieën. Hitler, Himmler, Göring en Goebbels spraken over Entmenschlichung alsof het vermoorden van hele bevolkingsgroepen een logistiek proces betrof. Klemperer schreef dat je een systeem niet alleen herkent aan zijn daden, maar net zo goed aan zijn woorden. En dat sommige woorden nooit meer mogen terugkeren.
Toch zijn ze er weer. In algoritmes die ons herkennen zonder ons te zien. Data die verwerkt en opgeslagen worden in een anonieme cloud, terwijl fysieke archieven met documenten die sporen van het echte leven dragen verdwijnen. En dan is er natuurlijk Zersetzung. Letterlijk: ontbinding. Maar wie denkt aan een natuurlijk proces van verval, vergist zich. In de DDR stond Zersetzung voor de doelbewuste afbraak van het individu door de Stasi. De acties die hiervoor nodig waren werden Zersetzungsmaßnahmen genoemd. Het ‘stille’ wapenarsenaal bestond niet uit martelkamers en artillerievuur, maar uit brieven die nooit aankwamen, vrienden die zich afkeerden en geruchten die in het donker groeiden als schimmels. Met als gevolg een langzaam afbrokkelend zelfbeeld, tot je niemand meer vertrouwde, ook jezelf niet.
Archiefkarretje
Mijn moeder wist hoe het voelde, maar sprak er niet over. Zersetzung – de verwarring, de ontzetting om het verlies aan controle die langzaam overgaat in waanzin – is niet iets voor aan de keukentafel. Misschien dat ze daarom nooit heeft willen erkennen dat het dossier haar letterlijk en figuurlijk achtervolgde. Alsof het verleden pas bestond toen het werd voorgereden op dat archiefkarretje. De twee linnen tassen met het dossier hadden wekenlang onaangeroerd op tafel in onze woonkamer in Groningen gelegen. Ik was er een paar keer omheen gelopen, had eraan gesnuffeld alsof ik de inhoud kon ruiken; niet alleen de periode tussen januari 1977 en de zomer van 1981, toen de Stasi mijn moeder volgde, maar ook die week in 1999, toen ze naar de Normannenstraße ging om het dossier in te zien, te kopiëren en mee naar Nederland te nemen.
Ik wist dat ik het dossier alleen kon lezen in Berlijn, de stad waar het allemaal had plaatsgevonden. Daar zou het pas zijn klankkast vinden. In de taal. De geur in de straten. De restanten van toen. Ik moest er ook zelf zijn, met mijn zintuigen en mijn vragen. Ik wilde schrijven zoals je een Dogma-film van Lars von Trier draait: met de omgeving als medespeler. Geen reconstructie van achter de laptop, maar een ervaring die zich ontrolt in het moment. Von Trier – voor wie hem niet kent – is een Deense regisseur die bekendstaat om zijn compromisloze, directe stijl. In 1995 schreef hij, samen met collega Thomas Vinterberg, het Dogma-manifest. Een verzameling filmregels die bedoeld was om terug te keren naar de essentie. Geen decors en special effects. Alles moest op locatie worden opgenomen, met een handheldcamera, in natuurlijk licht, zonder nabewerking. Rauw en ongemakkelijk, voor een zo eerlijk mogelijk resultaat.
Tragisch en pijnlijk intiem
Als puber keek ik nachtenlang naar films als Idioterne, over een vriendengroep die zich voordoet als een stel gekken om aan de maatschappelijke norm te ontsnappen. Of Festen, waarin een familie pas tot elkaar komt nadat aan een feestelijke dis de zorgvuldig opgebouwde façade is gesloopt. En dan was er Breaking the Waves, Von Triers meesterwerk, over een vrouw die haar lichaam offert voor de liefde van een man op een boorplatform. Tragisch en pijnlijk intiem. Die films hebben mij gevormd. Dat was mijn wereld toen ik een puber was. Niet de DDR, de Stasi of het verleden van mijn moeder. Toch kreeg ik op mijn zestiende dat aanvraagformulier voor het dossier cadeau. Met de woorden ‘om er ooit een boek over te schrijven’.
Pas veel later begreep ik wat mijn moeder had gedaan. Het was helemaal geen opdracht, maar haar manier om het verleden bij mij te parkeren zonder het echt uit handen te geven. Ooit zou ik voor haar antwoorden vinden op de vragen die zij zelf niet wilde beantwoorden. En als ik dat niet deed? Ook goed, dan verdwenen de vragen vanzelf. Ik kon er heel lang niets mee, hoewel ik het altijd heb ervaren als een taak. Zoals alleen een ouder iets aan een kind kan opdragen. Je kunt het lang uitstellen, maar uiteindelijk kom je er niet onderuit.
Mauerfall
Toen ik vorig jaar terugkwam in Berlijn, wist ik dat het moment gekomen was. Ik moest het dossier – dat in mijn hoofd inmiddels was uitgegroeid tot een wereld op zich – eindelijk gaan verwerken. Alleen, hoe doe je dat? Hoe destilleer je een verhaal uit een document dat juist is opgebouwd om te desoriënteren? En dan ook nog eens het residu van een dossier. Want dat het niet compleet is, dat is zeker. Maar welk deel is verdwenen in de nadagen van de Mauerfall en welk deel op een andere manier? Wat rest zijn zeven banden en een vreemde appendix, achronologisch, vol tegenstrijdigheden, geheimtaal en stempels. Opgesteld door een kakofonie van instanties, afdelingen en informanten in handschriften, op verschillende typemachines, audiotranscripties, overheidsdocumenten, schoolrapporten en liefdesbrieven.
Ik stelde mijn eigen vijf dogma’s op. Niet om de waarheid af te dwingen, maar om mezelf richting te geven. Zoals Von Trier het filmdecor afzwoer om dichter bij het wezen van zijn personages te komen, zo wilde ik alle bijzaken schrappen om alleen dat te laten staan wat er werkelijk toe doet.
- Het dossier vormt het vertrekpunt, maar mijn moeder krijgt altijd de kans tot wederhoor.
- Het verhaal wordt verteld zoals het leven geleefd is, niet zoals het dossier is opgebouwd.
- In elk hoofdstuk wordt een brug geslagen naar het heden: surveillance, digitalisering, gedragsbeïnvloeding.
- Locaties en namen uit het dossier worden letterlijk overgenomen, tenzij bescherming nodig is.
- Ik blijf zo dicht mogelijk bij de feiten, ook als het verhaal – of mijn moeder – daar soms weerstand tegen biedt.
Todesstreifen
De eerste keer dat ik het dossier helemaal las, woonden we in een tijdelijk appartement in de wijk Neukölln, vlak bij de Sonnenallee, een brede straat waar vroeger de Muur dwars doorheen liep. Over dat gegeven is een bestseller geschreven die ook als film een kaskraker was. Veel Berlijners associëren de straat daarom met het leed, maar ook de bezinning rondom de tweedeling van hun stad. De roman Am kürzeren Ende der Sonnenallee van Thomas Brussig, uit 1999, speelt zich af in de jaren ’70 en ’80, net als het dossier van mijn moeder.
Hoofdpersoon Micha ondergaat samen met zijn vrienden de absurditeiten van het DDR-systeem met gelatenheid en humor, ondanks dat er tijdens vluchtpogingen mensen werden doodgeschoten. Het stuk land tussen de betonnen muur aan de West-Berlijnse kant en de prikkeldraadversperring met wachttorens aan de oostzijde stond niet voor niets bekend als de Todesstreifen – de strook des doods. Dit gebied, dat deed denken aan een brede zandbak omsloten door muren, was levensgevaarlijk: wie hier terechtkwam, liep het risico zonder waarschuwing te worden neergeschoten.
Big-Tech-surveillance
Het was begin juli en snikheet. Pas in september konden we weer naar ons eigen appartement in Friedenau. Tenminste, als de huurders de boel een beetje netjes zouden achterlaten. Het boek van Thomas Brussig lag op een stapeltje naast het dossier, waarvoor ik de tafel in de woonkamer had geclaimd. Daar lag ook de anti-Big-Tech-surveillance-bijbel The Age of Surveillance Capitalism van Shoshana Zuboff. Al lag het daar ten overvloede. Ten eerste omdat onze Amerikaanse verhuurster zelf een exemplaar in de boekenkast had staan. Wat Atlas Shrugged is voor veel Silicon Valley-ondernemers, is het boek van Zuboff inmiddels voor activistische antikapitalisten. En daarvan telt Berlijn er vele.
Ten tweede: ik was gegrepen door lectuur van een heel andere orde. Het dossier van mijn moeder was niet alleen nog veel dikker, spannender en bijzonder meeslepend, het was zeker geen simpele pageturner. De zeven losse delen droegen de belofte van een thriller in zich, maar ze stonden vol met handgeschreven en vervolgens weer gekopieerde notities, sprongen in de tijd, pagina’s met meer zwart dan tekstregels, rapporten en getypte verslagen van gesprekken in cafés, informanten en Stasi-agenten. Scène voor scène verslavend leesvoer, maar als geheel een ratjetoe waarbij Dante’s Divina Commedia mij toescheen als een verhaal met een simpele plot en een overzichtelijk aantal personages.
De Prijs voor privacy is verschenen bij Just Publishers.

