Waar woont de haat?

Miklós Radnóti, Het schriftje uit Bor (Uitgeverij van Oorschot, augustus 2021) 
 ISBN 978 9028 212473
 63 blz, prijs 17,50 euro 

Recensie door Stefan van der Poel

‘Er was eens een radio die op een ochtend in alle talen van de wereld omriep: Schaam u. Alle mensen van de wereld hoorden dit en ze gingen zich allemaal schamen. Alleen de Hongaren niet, zij zetten gauw de radio uit.’

Dit is één van de korte sprookjes van Aliz Mosonyi, opgenomen in de bundel Waar woont de haat? Kritische stemmen uit de Hongaarse literatuur. Deze bundeling laat veelal een kritisch licht laten schijnen op het huidige Hongarije: een Hongarije waarin de eigen Hongaarse identiteit de boventoon voert en de aandacht voor de ander of reflectie op het verleden veelal schitteren door afwezigheid. Een concreet antwoord op de vraag waar die haat dan woont, wordt niet gegeven. Wel leveren de verhalen tezamen een beeld waarvan de conclusie mag luiden dat deze haat wijdverbreid en diepgeworteld is in de huidige Hongaarse samenleving.

Onder de 21 Hongaarse auteurs bevinden zich bekende en onbekende namen; Nádas, Konrád, Eszterházy en Krasnahorkai behoeven geen introductie, Dragomán wellicht ook niet. Maar wie zijn Ákos Szilágyi, Virág Erdös, Lajos Parti Nagy, Krisztián Grecsó, Gergely Péterfy of de reeds genoemde Aliz Mosonyi? In de bundel is ook het verhaal ‘1945 (terugkeer)’ opgenomen van Gábor T. Szántó, dat de basis vormt voor de prachtige film Homecoming van Ferenc Török over twee Joodse mannen die kort na de oorlog terugkeren naar hun oude dorp, waarna de dorpelingen in rep en roer raken over de mogelijke consequenties van dit bezoek. Willen ze hun apotheek terug? Hun woning? Hoe te handelen? Een pogromachtige sfeer bouwt zich op. De dorpelingen groeperen zich en gaan verhaal halen. De beide indringers bevinden zich bij de Joodse begraafplaats en blijken slechts gekomen om de doden op symbolische wijze ritueel te begraven.

Zelf ben ik inmiddels al enkele jaren niet meer naar Hongarije geweest. De sfeer in het land en de gesprekken met (oude) vrienden en familieleden staan me tegen. Ook de berichten over de laatste politieke ontwikkelingen zijn veelal deprimerend. De somberste voorspellingen van kort na de omwenteling zijn moeiteloos door de realiteit overtroffen. Het goede nieuws van deze bundel is echter dat er wel degelijk tegengeluiden klinken, hoe zacht dan ook, en dat de Hongaarse literatuur blijft fascineren, ook door deze veelal jonge, onbekende auteurs.

Het goede nieuws van deze bundel is echter dat er wel degelijk tegengeluiden klinken, hoe zacht dan ook, en dat de Hongaarse literatuur blijft fascineren, ook door deze veelal jonge, onbekende auteurs.

Literair vertaalster Mary Alföldy en de literatuurwetenschapper Viacheslav Sereda selecteerden schrijvers en verhalen, die vervolgens door een collectief van vertalers onder handen zijn genomen. Alföldy speelde al enige tijd met het idee om de Nederlandse lezer kennis te laten maken een ander Hongarije en de lezer zo tegelijkertijd een spiegel voor te houden. Want spelen soortgelijke sentimenten niet ook in Nederland?

De meest maatschappijkritische tekst is afkomstig van de mij onbekende dichteres Virág Erdös. Zij stelt dat de Hongaarse samenleving tijdens de omwenteling eind jaren tachtig van de twintigste eeuw in een veel betere conditie was dan vandaag de dag. Erdös: ‘Voor het brave volk reikt de betekenis van het woord democratie niet verder dan dat iedereen vrij zijn mening mag geven. Maar wat een mening dan wel mag zijn, daarvan heeft men geen flauw idee. (..) Hoe is het mogelijk dat er een land bestaat waar goedheid en medemenselijkheid aan de schandpaal worden genageld? Hoe komt het dat miljoenen mensen in dit land gespeend zijn van de meest fundamentele moraal en de geringste mate van solidariteit, en in dat gemis ook nog eens worden gesteund en aangemoedigd door hun regering?’

Wanneer er vanuit de EU kritiek klinkt op het gevoerde beleid in Hongarije, zoals door de parlementaire LIBE-commissie (voor burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken), onder voorzitterschap van de Nederlandse Judith Sargentini, dan negeert men dit veelal. Men wuift het weg, beschouwt het als inmenging in binnenlandse aangelegenheden, als aantasting van de nationale soevereiniteit. In zekere zin wordt de radio uitgezet. Dit terwijl juist Hongarije er destijds voor ijverde om zo snel mogelijk tot de EU te worden toegelaten. Het land was immers door en door Europees, maakte lange tijd deel uit van het Habsburgse Rijk en had na 1945 decennia lang geleefd onder de communistisch knoet. De Middeneuropese dissidenten van destijds, die in sommige gevallen even president mochten worden (Havel, Walesa, Göncz), werden op handen gedragen in het Westen. Zij stonden pal voor mensenrechten en een open samenleving en hadden daar veelal hun leven voor op het spel gezet. Deze dissidenten zijn inmiddels al lang vervangen door politici die met hun pragmatisme, opportunisme, machtswellust en zelfverrijking de Europese waarden niet meer onderschrijven en met grote bewondering opzien naar autocratische leiders als Erdogan, Poetin en (tot voor kort) Trump.  

Natuurlijk hadden dissidenten destijds de wind in de zeilen: het communisme was tanende en er was grote behoefte aan een overtuigend alternatief geluid. Misschien bestond destijds in het Westen wel een te rooskleurig beeld van Midden-Europa, erfgenaam van dat multiculturele Habsburgse Rijk, die lappendeken van vele, onderling verschillende volken die toch allemaal bijeen werden gehouden door een gemeenschappelijke cultuur en het besef dat geen enkel volk groot genoeg was om het andere te domineren. Die tijd is echter voorgoed voorbij. Tegenwoordig waait de wind uit een heel andere hoek. De solidariteit beperkt zich veelal tot de eigen etniciteit en een nauw omschreven identiteit. De ander is immers in de eerste plaats een gevaar, een buitenstaander met kwade bedoelingen.

De Middeneuropese dissidenten […] zijn inmiddels al lang vervangen door politici die met hun pragmatisme, opportunisme, machtswellust en zelfverrijking de Europese waarden niet meer onderschrijven en met grote bewondering opzien naar autocratische leiders als Erdogan, Poetin en (tot voor kort) Trump.  

En toch komt deze bundel op een goed moment. Natuurlijk zullen deze verhalen de negatieve associaties met Hongarije niet kunnen wegnemen; daarvoor zijn de haat te wijd verbreid en de invloed van literatuur te gering. Maar er zijn ieder geval nog kritische stemmen. Stemmen die durven uitspreken wat er mis is in het land, die durven aanklagen, en die zo de hoop levend houden dat ook de huidige situatie van voorbijgaande aard mag blijken te zijn. Stemmen die een andere, meer humane Middeneuropese traditie voortzetten, een traditie die soms weer zichtbaar is in de literatuur.

    De voorzijde van het boek toont het beeld van een binnenplaats in zo’n typisch woonblok in Boedapest. Balken ondersteunen galerijen op de verschillende verdiepingen. Het is onduidelijk of ze dienen als tijdelijke ondersteuning of dat men ze zo heeft achtergelaten. Ik hoop het eerste – ik zou graag weer eens die kant op gaan en het Hongarije uit mijn vroege herinneringen bezoeken. Dit boek neem ik dan mee en herlees ik ter plaatse.

‘Een binnenplaats in zo’n typisch woonblok in Boedapest’