Slecht nieuws in Irota, het piepkleine Hongaarse dorp waar Lennard en ik al twaalf jaar wonen. Jolánka néni (zoals je oudere vrouwen in Hongarije aanspreekt) is vrij onverwachts gestorven. Ik vraag mijn buurvrouw wat er is gebeurd. Het antwoord is kort: ‘Ze lag in het ziekenhuis’. Zo ver is het dus inmiddels gekomen: een ziekenhuisopname is een doodsoorzaak op zich geworden.
De horrorverhalen over de Hongaarse gezondheidszorg zijn eerder regel dan uitzondering. Uit de COVID-tijd stamt het verhaal van buurman Pali, die na een zware beroerte in feite was opgegeven. Hij was naar een zeker “rusthuis” overgebracht, waarvan iedereen wel weet wat de reputatie is. Als je daar wordt heengebracht, is het einde verhaal. Dat bleek ook in dit geval te kloppen, alleen was er nu ook iets misgelopen in de communicatie. Pali’s vrouw, die vanwege de pandemie maar eenmaal per week op bezoek mocht komen, belde eens op om te vragen hoe haar man het maakte. Die bleek al twee dagen eerder te zijn gestorven. Jammer dat niemand dat had gemeld. Erzsi néni verderop in de straat kreeg een jaar later een nieuwe knie. Helaas kreeg ze daar ook een covid-besmetting bij cadeau, die haar op bijna een maand post-operatieve quarantaine in het ziekenhuis kwam te staan. Eigenlijk moet ook het kniegewricht van haar andere been worden vervangen, maar ze strompelt liever door. Het ziekenhuis, dat nooit meer.
Billboards
De publieke voorzieningen in Hongarije zijn er bepaald niet beter op geworden in de jaren dat Orbán voor de tweede keer aan de macht kwam, en een dure eed zwoer dat hij zich niet nogmaals zou laten wegstemmen. Hongarije voor de Hongaren, was de belofte, en de slogans leken jarenlang erg veel op elkaar: ‘Hongarije doet het beter’, ‘Hongarije gaat vooruit, niet achteruit!’ Dergelijke optimistische kreten verdwenen van de billboards toen het in Hongarije allemaal wel degelijk achteruitging. Dat zagen onze dorpsbewoners niet alleen in het ziekenhuis.
Prijsstijgingen en inflatie maakten ieder bezoek aan de plaatselijke supermarkt tot een ontluisterende ervaring. De regering hoopte de onvrede te beteugelen door winkels te dwingen bepaalde producten voor een vastgelegde maximumprijs te verkopen, wat de winkeliers op hun beurt compenseerden door andere levensmiddelen duurder te maken. Zwaar gesubsidieerde bloem en suiker mochten niet langer onbeperkt worden aangeschaft. Het begon verdacht veel te lijken op de gehate rantsoenering uit de socialistische jaren. Het dorpsbusje, een populaire voorziening voor degenen die geen auto hebben en zich zo naar het stadje in de buurt kunnen laten rijden voor de boodschappen, biedt steeds vaker een sombere aanblik: bij terugkeer van de winkel zijn de tassen vaak niet veel voller dan bij vertrek.
Anti-migratieretoriek
Een opmerkelijk contrast met de dagelijkse misere vormde het grote succes van de propaganda-machine. Met name de anti-migratieretoriek bleek een voltreffer. Op de Hongaarse scholen wordt vanaf dag één onderwezen hoezeer de Hongaren hebben gezucht onder het Ottomaanse juk, en in 2015 had iedereen kunnen zien dat Orbán gelijk had: massa’s moslims stroomde vanuit Syrië het land in, en alleen Orbán kon dat tij doen keren. Wat niet door de overheidstoeter klonk, maar des te harder in de huiskamertjes van het arme noordoosten van het land, was het anti-Romageluid. Ook zo’n integratieverhaal dat alleen maar tot ellende had geleid en na eeuwen van noeste pogingen nog steeds spanningen opleverde.
Bij het tuinhek van Jutka néni dringt het migranten-thema uit het niets ons huis-, tuin- en keukenpraatje binnen. Zijn wij dan niet bang voor al die migranten? Ik reageer een beetje lacherig en vraag haar hoe veel migranten ze inmiddels in het dorp heeft gezien. Nou, geen eigenlijk. Dat is niet helemaal waar, houd ik haar voor, Lennard en ik zijn er immers. Wat? Wij? Welnee, dat is een heel ander verhaal, wij zijn, nou ja, ‘zoals zijzelf’. Ik vermoed dat onze dorpsgenoten veel meer delen met een willekeurig conservatief gezin uit Syrië dan met een Nederlands mannenstel, maar dat houd ik maar voor me.
Twee dagen later loop ik Jutka néni in het aanpalende stadje tegen het lijf bij het postkantoor. Daar heeft ze zojuist de girorekeningetjes leeggehaald die ze ooit had geopend voor haar kleinkinderen. De regering zal binnenkort vast weer eens op rooftocht gaan, vreest ze, en dan is dat geld toch veiliger in een weckpot onder het bed. Dat Orbán haar aan de ene kant beschermt tegen de oprukkende moslims en aan de andere kant de spaarvarkentjes van haar kinderen kan plunderen, is geen tegenstelling waar ze wakker van lijkt te liggen.
Apocalyptische waarschuwingen
Ondertussen is de hele media-horizon van ons dorpje in eenvormig Fidesz-oranje geverfd. De televisie, die ‘s avonds overal aanstaat, staat afgesteld op de nationale zenders, die eenvoudigweg doen alsof de oppositie niet bestaat. Het lokale sufferdje, waar ook wij op waren geabonneerd, is overgenomen door de mediamoloch van het regime. Naast de aankondigingen van lokale braderieën, kransleggingen en wegomleidingen is er vanaf dat moment alle ruimte voor gehits tegen Brussel, loftuitingen op de weldadige regering en apocalyptische waarschuwingen tegen alomtegenwoordig zedenverval. Een artikel over kinderopvang in Nederland wordt opgefleurd met een foto van een “fierce drag queen”, die de haar omringende peuters voorleest uit een ongetwijfeld schandelijk boek.
Wij zetten de televisie al lang niet meer aan, en het krantje hebben we uiteindelijk opgezegd. We proberen uit alle macht de niet aflatende golf propaganda buiten de deur te houden, maar het is eigenlijk ondoenlijk. Zondag zitten we weer met Erzsi en Jutka in de dorpskerk, en luisteren we naar de pastoor, die ons nog maar eens wil doordringen van het centrale belang van het gezin in de samenleving. Er wordt geen regelrecht Fidesz-verhaal afgestoken, maar wie heeft ontbeten met die drag queen op de voorpagina en nu naar de preek luistert, mag zelf de conclusie trekken.
De tegenkrachten zitten niet stil. Grotendeels verdreven van radio, televisie en krant is er nog altijd de online wereld en de socials. Rond de verkiezingen duiken allerhande filmpjes op van jonge voxpoppers die armzalige gehuchten afreizen om daar de bewoners te vragen waarom ze toch in hemelsnaam op Orbán stemmen. Het is veel van hetzelfde. Mensen met amper tanden in hun mond, vaak Roma, soms duidelijk onder invloed, die desgevraagd beamen dat de situatie er de afgelopen jaren alleen maar belabberder op is geworden.
Rayoncomité
Maar toch gaan ze weer Fidesz stemmen. Na enig aandringen draaien ze de gebedsmolen van jaren propaganda af en komen alle vijanden van de afgelopen campagnes weer langs: Brussel, Soros, migranten en de nieuwe ster aan dit firmament: Volodymyr Zelensky. Alleen Orbán kan de vrede bewaren, en de Hongaren behoeden voor een onzalig einde aan het front. Hoe die Hongaren daar dan toch terecht moeten komen weet geen mens, maar het heeft duidelijk iets te maken met louche deals tussen Brussel en Kyiv. Al is de logica hier ver te zoeken, er is in ieder geval moeite gedaan om iets van argumentatie aan te dragen. In het Roma-dorp naast het onze verspilt het rayoncomité tijdens verkiezingen daar weinig tijd aan. Bij de deur krijgen de kiesgerechtigden te horen: ‘Je weet dat we een Fidesz-dorp zijn’. Voor het geval de boodschap nog niet helemaal duidelijk is, wordt het stembiljet nog even gecontroleerd en zonodig gecorrigeerd voordat het in de bus verdwijnt.
Het is verleidelijk om de Orbán-liefhebbers op het platteland allemaal in deze categorie onder te brengen, maar het is ook te makkelijk. Intellectuelen in de cafés van Boedapest winden zich op over hoe Orbán partij en staat onlosmakelijk aan elkaar verbonden heeft, kwaliteit voor loyaliteit heeft ingeruild, jongeren en onafhankelijke denkers heeft gemarginaliseerd en de nationale identiteit voor zich heeft opgeëist. Aan de dorpen ver buiten de hoofdstad zijn dergelijke abstracte problemen niet besteed. Hier is het Orbán-regime een terugkeer naar wat ze goed kennen: het eenpartij-systeem onder János Kádár waarmee ze zijn opgegroeid.
Geen duimpjes
Wat die partij ideologisch te melden heeft, doet er vaak maar weinig toe. Waar het om gaat is dat de nu heersende partij zich na bijna zestien jaren absolute macht tot in de haarvaten van de samenleving is doorgedrongen. Om ergens iets voor elkaar te krijgen, moet je daar niet te kritisch naar kijken. Bij ons in de straat drinken we wel eens wat bij Ernő, die vrij duidelijke meningen heeft, en weinig liefde koestert voor het huidige bewind. Zo plaatste hij wel eens een opgestoken duimpje bij een Orbán-kritische melding op Facebook. Dat duurde niet lang. Zijn werkgever, een staatsbedrijf, liet hem snel en duidelijk weten dat niet de bedoeling was, en ook Ernő denkt natuurlijk aan zijn pensioen. Dan maar geen duimpjes meer.
Met zijn hoop op verandering behoort Ernő tot de uitzonderingen. De enthousiaste roep om “verandering” is een typisch verschijnsel van de grote stad, waar “verandering” maar al te graag wordt beschouwd als “verbetering”. Bij ons in het dorp is “verandering” een intrinsieke bedreiging. De meeste van onze buren kennen de verhalen van hun ouders nog goed, over hoe het eraan toeging toen de communisten aan de macht kwamen. De lokale grootgrondbezitter, die graag gezien was, werd van zijn land gejaagd en de keuterboertjes werden werknemers van de grote collectieve boerderij. Toen iedereen min of meer aan die situatie gewend was geraakt, viel het communistische systeem. Ook deze verandering, die vrijheid en welstand zou brengen, bracht in de praktijk iets anders: onzekerheid. De collectieve boerderij ging op de fles, en ander werk was er amper.
“Kies voor zekerheid”
Kom dus niet aan met visioenen over hoe een nieuwe “systeemwisseling” alles ten goede zal keren. In het dorp hebben wij wel eens geprobeerd om uit te leggen dat we “verandering” willen en “nieuwe uitdagingen” zoeken. Een veelbetekenend zwijgen en opgetrokken wenkbrauwen waren ons deel. In deze vrij gesloten wereld wordt de ideale toekomst niet verbeeld door een gestage lijn omhoog, maar door een cyclisch patroon. Als jij het net zo goed hebt als je ouders, en je kinderen net als jij, dan mag je in je handjes knijpen. “Verandering” en “uitdagingen” leveren maar één ding op: problemen. Als je dan, zoals Orbán’s uitdager Péter Magyar, juist campagne voert om verandering teweeg te brengen, heb je op het platte land een zware dobber. Zo bekeken heeft Orbán met zijn slogan “Kies voor zekerheid” een weinig geïnspireerde, maar geen slechte keus gemaakt.
Van politici hebben ze in het dorp sowieso geen hoge verwachtingen. De nationale politiek speelt zich af in Boedapest, wat gezien wordt als een andere planeet waar sommige van onze buren zelfs nog nooit zijn geweest. Het algemene gevoel is, dat de beste politicus degene is die zich niet met je bemoeit, en dat de autoriteiten in wezen je tegenstander zijn. Slogans in de trant van “de overheid is er voor jou”, waar Nederland zich zo graag van bedient, zouden hier bijna als satire worden gezien. De leider van het land hoeft geen begripvolle gesprekspartner te zijn, en hij mag zichzelf en zijn familie best wat toestoppen, als hij uiteindelijk zijn volk maar beschermt tegen de boze buitenwereld. Ook dat heeft Orbán goed begrepen. Met zijn hetzes tegen immigranten, de EU en Oekraïne bespeelt hij precies dat sentiment.
Oekraïense bedreigingen
Er zijn meer aspecten die in Orbán’s voordeel uitpakken, merk ik als ik bij Erzsi néni aan de keukentafel zit. Ik breng iedere week zodra ik het uit heb het oppositie-blad Magyar Hang (“Hongaarse Stem”) bij haar langs. Ze leest het met veel belangstelling, en zegt regelmatig ‘dat er een wereld voor haar opengaat’. Van Orbán moet ze niets hebben, en haar rampzalige verblijf in het ziekenhuis heeft dat bepaald niet beter gemaakt. Ik verwacht dan ook haar steun voor Magyar, maar dat valt tegen. ‘Hij heeft gezinsproblemen’, zegt ze, en haalt haar schouders op. Natuurlijk, de familie. In een maatschappij waarin wantrouwen hoogtij viert, is er maar één bastion van zekerheid. Het is niet voor niets dat Orbán een filmpje publiceerde waarin hij belde met zijn ouders en kinderen om hen ‘gerust te stellen’ na vermeende Oekraïense bedreigingen. Dit scoort.
Juist het verbreken van dat heilige familie-pact bracht Péter Magyar in de schijnwerpers: toen hij scheidde van Orbán’s sterpolitica Judit Varga, klapte hij uit de school met interne Fidesz-schandalen. Het leverde hem een stormachtige carrière op als Orbán’s enige serieuze uitdager ooit, maar in het dorp zijn ze dat gebroken huwelijk niet vergeten. Als je je familie niet om je heen weet te houden, ben je eigenlijk mislukt in het leven. Wij horen wel eens dat dat verbouwde landhuis van ons bij die of die jaloezie zou oproepen, maar vaker bespeuren we een discrete meewarigheid: ‘Daar zitten ze dan, die twee mannen in dat enorme huis, met hun familie in een heel ver land.’ Ergens klopt er iets niet.
Dit past naadloos bij het image dat Magyar koppig aankleeft: dat van de gladde, arrogante stadsjongen. In Boedapest prijst de oppositie zich rijk met de jonge, fitte uitstraling van Magyar, die zo flatteus afsteekt tegen de uitgebluste, oudere en veel te dikke Orbán. Online wordt nuffig de draak gestoken met Orbán’s boertige voorkomen en manier van spreken, en driftig met ogen gerold als hij zich weer eens vertoont op de varkensslacht bij mensen thuis en daarbij de nodige glaasjes sterke drank achteroverslaat.
Dorpsgenoten
Op het platteland komen dergelijke beelden heel anders over. Hier zijn ze allemaal niet zo strak en fit, en sukkelen de meeste mensen rond hun zestigste al danig met hun gezondheid. Hier is de varkensslacht met flink wat borrels erbij nog onderdeel van de seizoenen. Onze dorpsgenoten voelen haarfijn aan, soms ook ten onrechte, wanneer er op hen wordt neergekeken. Viktor Orbán doet dat niet, althans niet openlijk. Hij spreekt hun taal, eet hun zware gerechten en gaat prat op zijn nederige afkomst. Zijn studie in het buitenland, zijn reisjes per privéjet en zijn gigantische paleis buiten Boedapest lijken dan heel ver weg. Wat Caroline van der Plas een tijdlang zo onverslaanbaar maakte in Nederland, geeft Orbán bonuspunten in Hongarije: mensen herkennen zich in hem. Hij is je groenteboer, je klusjesman en je buschauffeur.
Dat lijkt een comfortabele positie voor de premier, maar maakt hem ook kwetsbaar. Het kabaal dat werd gemaakt rond de inperking van homo- en transrechten onder de paraplu van ‘bescherming van het kind’ is de laatste jaren aanmerkelijk minder. Dat heeft te maken met een enorm schandaal: hooggeplaatste Fidesz-politici hadden geprobeerd de verdachte in een grootschalige kindermisbruikzaak gratie te verlenen. Het kostte de Hongaarse president haar baan, evenals de Minister van Justitie, Judit Varga – de ex van Péter Magyar. En Orbán begreep heel goed dat hij één van zijn grootste troefkaarten, de bescherming van het gezin, voortaan maar beter in zijn zak kon houden. Voor veel van onze buren is dat niet genoeg. Als het gezin al heilig is, dat zijn de meest kwetsbare leden, de kinderen, dat al helemaal. ‘Als hij kinderen al niet kan beschermen, wie dan wel?’ snoof de achterbuurvrouw.
Zieltogende economie
Nu Orbán met een zieltogende economie en een wat verschrompeld moreel aanzien de strijd in moest, had hij weinig andere opties dan het reanimeren van de “externe vijand”. Dit keer moest dat Oekraïne zijn. Met de cynische berekendheid die hem eigen is, kan Orbán, naast de reguliere bangmakerij, op het platteland goed scoren met kunstmatig laag gehouden benzineprijzen. Hij verdedigt immers zijn vleierij bij Poetin met energie-garanties voor de Hongaren. Op het platteland, waar alles een flinke rit met de auto betekent, is dat een kansrijke strategie.
Maar ondertussen is ook het platteland niet meer met krantenpapier dichtgestopt. Na de Russische inval in Oekraïne hebben ook wij in Irota vele vluchtelingen opgevangen. Daar was het hele dorp bij betrokken, en de aankomst van met kogelgaten doorzeefde auto’s heeft een diepe indruk achtergelaten. In het dorp waar familie het hoogste goed is, werd iedereen plotseling geconfronteerd met families in acute nood. Dat Orbán nu uitgerekend het belegerde Oekraïne als kop van jut heeft uitgekozen, kan wel eens verkeerd uitpakken. Onze buurvrouwen vinden het in ieder geval ‘walgelijk en harteloos’.
Inmiddels is de lentezon doorgebroken. Na een ongewoon harde winter lijken onze buren drukker met het omspitten van hun moestuin dan met de politieke spanning die de aanstaande verkiezingen in heel Europa oproepen. Erzsi néni probeert, ondanks haar slechte knieën, erwten in te zaaien. ‘Wat ik nodig heb, komt uit deze tuin, niet uit Boedapest.’
